Fusie van Belgische gemeenten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Er vond enkele malen een fusie van Belgische gemeenten plaats. De grootste fusiegolf vond plaats op 1 januari 1977. Op die dag werd het aantal Belgische gemeenten, door de samenvoeging van vroeger autonome gemeenten, gereduceerd van 2359 tot 596. De laatste herindeling vond plaats in 1983 toen een aantal Antwerpse gemeenten bij de stad Antwerpen gevoegd werden. Sindsdien zijn er 589 gemeenten.

Voorgeschiedenis[bewerken]

België telde bij de onafhankelijkheid in 1831 2489 gemeenten.[1] Dit betekende een (kleine) vermindering in verhouding met het Nederlandse en Franse tijdvak. Door bepaalde demografische en/of economische ontwikkelingen werden er na 1830 af en toe nieuwe gemeenten gecreëerd, en slechts sporadisch enkele afgeschaft of samengevoegd. In 1928 bereikte het aantal gemeenten een hoogtepunt met 2675. Dit aantal bleef min of meer constant tot in 1961. Voor de jaren zestig gebeurden fusies (evenals splitsingen overigens) min of meer ad hoc op basis van een procedure beschreven in de toenmalige provinciewet. Vaak had de fusie te maken met stadsuitbreiding, zoals de opheffing van de gemeente Mariakerke in 1899 (dat grotendeels bij Oostende werd gevoegd), de gemeenten Laken, Neder-Over-Heembeek en Haren die in 1921 bij de stad Brussel werden gevoegd, of de aanhechting van de gemeenten Lillo, Berendrecht en Zandvliet bij Antwerpen in 1958 in het kader van de havenuitbreiding.

Het vastleggen of wijzigen van gemeentegrenzen was in de Belgische Grondwet voorbehouden aan de wetgevende macht, dat wil zeggen in principe kon enkel het parlement via een wet gemeenten creëren, samenvoegen of grenzen wijzigen. Tot een systematische fusie kwam het maar na de Eenheidswet die in 1961 gestemd werd en waarbij hoofdstuk vier gewijd was aan de territoriale organisatie van de gemeenten. De bevoegdheid om gemeenten op te heffen werd voor een periode van tien jaar aan de uitvoerende macht toevertrouwd. Gemeenten mochten samengevoegd worden indien overwegingen van vooral financiële aard maar ook van geografische, taalkundige, economische, sociale of culturele aard de fusies rechtvaardigden. Het parlement diende echter deze wetsontwerpen goed te keuren. Alle voormalige gemeenten die nog zelfstandig waren op 1 januari 1961 mogen zich deelgemeente noemen van de fusiegemeente, maar hebben geen bestuurlijke functie meer.

De procedure betekende een aanzienlijke vereenvoudiging voor fusies en grenswijzigingen. In 1964 en in 1969-1970 werden zo reeds een 300-tal gemeenten opgeheven. Het aantal Belgische gemeenten liep terug van 2663 in 1961 tot 2586 in 1965, 2359 in 1971 en tenslotte 596 in 1977 en 589 in 1983.

Meestal koos men voor de naam van de fusiegemeente uit het aanbod van de deelnemende oude gemeenten. Het gevolg hiervan is dat de gekozen deelgemeente meestal als administratief centrum fungeert. Bij sommige fusies werd er om allerlei redenen gekozen voor een nieuwe naam, zoals: Heuvelland, Zwalm, Affligem, Kluisbergen, Linter, Vleteren, Roosdaal en Maarkedal.

In het debat over gemeentefusies komt steeds ook het alternatief naar voren van samenwerkingsverbanden in plaats van fusies. Vooral in Frankrijk, waar nooit grootschalige fusies plaatsvonden, heeft men veel stedelijke en landelijke gemeentefederaties opgericht om een aantal lokale opdrachten bovenlokaal uit te voeren. In de Belgische wetgeving van de jaren zeventig was ook de mogelijkheid voorzien om federaties van (landelijke) gemeenten op te richten en agglomeraties voor steden en hun randgemeenten. Met agglomeraties had men in het bijzonder Antwerpen, Gent, Brussel, Luik en Charleroi op het oog. Enkel rond Brussel werden enkele federaties opgericht, die bij de fusie van 1 januari 1977 weer verdwenen. De enige agglomeratie die effectief bestaan heeft is die van Brussel met 19 tweetalige gemeenten. De agglomeratie is opgeheven bij de oprichting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 1 januari 1989, die de bevoegdheden overnam.

Fusies van 1964[bewerken]

Op basis van de Eenheidswet kwam in 1964 de eerste systematische reeks fusies tot stand. Het ging over 110 kleine gemeenten die samengevoegd werden tot 37 nieuwe, grotere gehelen. De meeste van die gemeenten lagen in Wallonië. Deze fusie gaf aanleiding tot weinig weerstand, omdat het meestal om zeer kleine gemeenten ging die financieel nauwelijks nog armslag hadden. Soms voegde men landelijke gemeenten samen (zo bijvoorbeeld Opdorp bij Buggenhout, of de gemeenten Bergilers, Grandville, Lens-sur-Geer, Wouteringen en Oerle die samen de nieuwe gemeente Oerle (Oreye) gingen vormen), soms ook kleinere gemeenten bij de aangrenzende stad (zo bijvoorbeeld de samenvoeging van o.a. Eine, Ename, Nederename, Edelare, Bevere, Leupegem en Volkegem bij Oudenaarde, en Emelgem dat bij Izegem werd gevoegd).

Fusies van 1970 en 1971[bewerken]

Ook de fusies van 1970 en 1971 gebeurden op basis van de Eenheidswet. De fusies van 1970 waren een pak talrijker: er waren 300 gemeenten bij betrokken, die samengevoegd werden tot 95 nieuwe. Opvallend in deze reeks is bijvoorbeeld de fusie van Brugge met 7 aangrenzende gemeenten, waardoor een nieuwe grote stedelijke gemeente ontstond. Ook kleinere gemeenten werden samengevoegd (bijvoorbeeld de oprichting van de gemeente Brakel door 5 kleinere gemeenten op te heffen).

De laatste reeks fusies op basis van de Eenheidswet vond plaats in 1971. In feite ging het om een aantal fusieprocedures die men al had opgestart, maar die men niet meer binnen de voorgeschreven einddatum zou kunnen rondkrijgen. De procedure werd daarom bij wet met een jaar verlengd. Hierdoor werden 30 gemeenten afgeschaft.

Fusies van 1977[bewerken]

De fusiereeksen vóór 1976 waren alles bij elkaar bescheiden in aantal en wekten weinig weerstand. Dat lag helemaal anders bij de fusies die op 1 januari 1977 in werking traden. Daarbij werd het aantal Belgische gemeenten van 2359 tot 596 gereduceerd. De fusie werd op relatief korte tijd doorgedrukt en ging in tegen de wens van veel gemeenten. Dit leidde in sommige gemeenten tot bitter verzet tegen de plannen, dat overigens maar af en toe succes had.

Reeds voor 1970 was men tot de conclusie gekomen dat grootschaliger fusieoperaties nodig waren om gemeenten voldoende bestuurskrachtig te maken en over voldoende middelen te laten beschikken voor een volwaardig lokaal beleid. Het voornemen voor omvangrijker fusies was opgenomen in de regeringsverklaring van de regering G. Eyskens V (1968-1972), een coalitie van christendemocraten en socialisten. Onder de minister van binnenlandse zaken in deze regering, Lucien Harmegnies, kwam een nieuwe procedure voor de fusies tot stand in de wet van 23 juli 1971 betreffende de samenvoeging van gemeenten en de wijziging van hun grenzen.

De wet legde het initiatief voor fusies bij de uitvoerende macht (de regering), die de fusieplannen moest laten bekrachtigen door een wet in het parlement. De fusies werden voorbereid door plannen van de administratie binnenlandse zaken. De uiteindelijke beslissingen moesten genomen worden door minister en regering, wat betekende dat de fusies in hoge mate een kabinetsaangelegenheid waren.

Echt schot in de zaak kwam er pas onder de regering Tindemans I (1974-1977), een coalitie van christendemocraten en liberalen, met als minister van binnenlandse zaken Joseph Michel. Grootschalige fusies maakten opnieuw deel uit van het regeerakkoord. Minister Michel hanteerde bovendien een strikt tijdsschema, omdat de hele operatie rond moest zijn voor de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1976 en in werking kunnen treden bij het aantreden van de nieuw samengestelde gemeenteraden op 1 januari 1977. De inspraakprocedures en debatten waren daardoor relatief kort. Het Koninklijk Besluit van 17 september 1975 legde de fusies vast, na felle debatten bekrachtigde het parlement de fusies met de wetten van 23 en 30 december 1975.

De procedure stipuleerde dat fusies mogelijk waren op basis van geografische, economische, sociale, culturele of financiële redenen. Strikte kwantitatieve criteria stonden niet in de wet, maar een vergroting van omvang en inwonertal waren niettemin richtinggevend.

Terugblikkend valt op dat de fusieoperatie van 1977 niet overal beantwoordt aan de criteria die tijdens de werkzaamheden naar voren geschoven zijn. Zo zijn soms kleine gemeenten buiten elke fusie gebleven, terwijl grotere gemeenten in bepaalde gevallen dan weer wel samengevoegd zijn. Ook valt op dat de voorstellen die voor advies aan gemeenten en provincies zijn voorgelegd daarna soms nog zijn gewijzigd zonder dat dat teruggaat op een advies of een motivatie. In de parlementaire debatten over de fusies zijn zeer vaak concrete politieke motieven in specifieke gemeenten gesuggereerd als werkelijke drijfveer om bepaalde fusies wel of niet door te voeren (meestal bestaande en potentiële meerderheden in gemeenteraden).

Het resultaat van de fusie is inderdaad een drastische vermindering van het aantal gemeenten en een aanmerkelijke schaalvergroting, maar niettemin ook een opvallend heterogene aard van de Belgische gemeenten. Zo blijven ook na de fusie vaak kleine gemeenten zonder duidelijke reden bestaan. Een aantal regionale steden zijn min of meer met hun natuurlijke randgemeenten gefuseerd (bijvoorbeeld Gent, Roeselare, Mechelen), terwijl dat bij andere niet gebeurde, zonder dat daar ooit een officiële reden voor is opgegeven (bijvoorbeeld Turnhout, dat met geen enkele gemeente fuseerde, Leuven, dat met Herent vergroeid is maar er niet mee fuseerde, en Kortrijk, dat weliswaar met enkele landelijke kernen, maar nooit met zijn verstedelijkte randgemeenten Kuurne, Harelbeke of Zwevegem fuseerde).

In totaal ontsnapten van de 2359 gemeenten die in 1976 bestonden slechts 92 aan een fusie, onder meer de 19 tweetalige gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en een aantal faciliteitengemeenten die omwille van hun taalregeling niet konden fuseren (o.a. Mesen, Ronse, Herstappe, Vloesberg). Het gemiddelde aantal inwoners per gemeente steeg op 1 januari 1977 van 4136 naar 16.565, de gemiddelde oppervlakte van 13 naar 52 km².

De schaalvergroting van de fusies van 1977 heeft er toe bijgedragen dat de gemeenten in België een belangrijk bestuursniveau konden blijven. Tegelijk bemoeilijkt een zekere grilligheid in de gekozen samenvoegingen in een aantal gevallen een efficiënt sociaal, economisch en ruimtelijk beleid.

Fusie van 1983[bewerken]

De laatste fusie was die van de stad Antwerpen met zeven randgemeenten. Dat gebeurde volgens de dezelfde procedure en met hetzelfde Koninklijk Besluit als de fusies van 1977, maar de fusiewet van 30 december 1975 trad hier pas in voege op 1 januari 1983, wegens het specifieke karakter van de fusie. Alle gemeenten hadden hoge inwonertallen en bovendien aanzienlijke financiële problemen. De fusie creëerde de grootste gemeente van België naar inwonertal en de derde grootste naar oppervlakte (na Doornik en Couvin). De voormalige gemeenten werden districten genoemd, en kregen een officieuze, adviserende functie binnen het stadsbestuur. Met ingang van 1 januari 2001 verkregen zij opnieuw een bestuurlijke functie. Door de fusie van de stad Antwerpen met de randgemeenten Berchem, Borgerhout, Deurne, Hoboken, Ekeren, Merksem en Wilrijk werd het aantal Belgische gemeenten tenslotte verder gereduceerd tot 589.

Huidige toestand[bewerken]

Sindsdien zijn er geen herindelingen meer geweest; Brussel heeft namelijk voor onbepaalde tijd uitstel bekomen. Hierdoor bedraagt het totaal aantal gemeenten in België momenteel nog steeds 589:

Toekomst[bewerken]

Omdat de Belgische gemeenten zowel qua oppervlakte als qua inwonersaantallen klein zijn in vergelijking met bijvoorbeeld Nederlandse gemeenten, wordt vanuit de politiek regelmatig geopperd om een aantal gemeenten samen te voegen. Sinds het Lambermontakkoord van 2000 valt de gemeentewet onder de bevoegdheid van de gewesten. Een nieuwe grootschalige fusieoperatie zoals in 1977 is hierdoor vrijwel onmogelijk, althans op landelijk niveau.

In Brussel is het streven het aantal gemeenten te beperken het grootst. Zo stelde Bert Anciaux in 2007 voor de al gekscherend genoemde "19 baronieën" samen te voegen tot zes nieuwe gemeenten samenvallend met de zes Brusselse politiezones. Anderen willen zelfs van Brussel een grote gemeente maken waarbij voor de huidige 19 gemeenten een nieuwe rol als onderhorig district weggelegd is (analoog aan de Antwerpse situatie).

Ook in Vlaanderen is de wens naar grotere, slagvaardigere en efficiëntere gemeenten de laatste jaren groter dan voorheen. In 2010 beloofde Vlaams minister van Binnenlands Bestuur Geert Bourgeois een subsidie van 4,125 miljoen euro voor gemeenten die vrijwillig fuseren. Gemeenten die van deze regeling gebruik wilden maken moesten dit voor 2011 kenbaar maken zodat de fusie op 1 januari 2013 (na de gemeenteraadsverkiezingen in 2012) kon ingaan. Geen enkele gemeente ging echter op die oproep in.

Momenteel is er onder de lokale besturen echter weinig animo om te fuseren. In bepaalde gemeenten leeft het echter wel: zo heeft Kruibeke al langer de intentie te kennen gegeven met buurgemeente Beveren te willen samengaan. Ook de Vlaams-Brabantse gemeente Merchtem flirtte al met buurgemeente Opwijk.

In 2010, tijdens een gastcollege aan de Gentse Universiteit over de interne Vlaamse staatshervorming liet Geert Bourgeois weten dat hij vermoedt dat het nog voor 2020 tot een gedwongen fusering zal komen.

Bronnen[bewerken]

Koenraad De Ceuninck, De gemeentelijke fusies van 1976. Een mijlpaal voor de lokale besturen in België. Brugge: 2009.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Sven Vrielinck, De territoriale indeling van België 1795-1963. Leuven: Universitaire Pers, 2000, p. 1788.