Klimaatrechtspraak

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Onder klimaatrechtspraak verstaat men de praktijk waarbij burgers of milieuorganisaties een overheid aanklagen wegens veronderstelde toekomstige schade aan de gezondheid en het leefmilieu, door de klimaatverandering. De vordering kan als doel hebben een concreet milieubelastend project stil te leggen of bij te sturen, dan wel de overheid ertoe te verplichten een meer doeltreffend geacht klimaatbeleid te voeren. Ook aanklachten tegen ondernemingen wegens vermeende klimaatschade, worden doorgaans tot de klimaatrechtspraak gerekend.[1] Het kan bijvoorbeeld gaan om eisen tot schadevergoeding tegen bedrijven in fossiele brandstoffen of de mijnbouw, wegens de milieu- en klimaateffecten van hun activiteiten, of tegen bedrijven die nalaten te voldoen aan milieu- en klimaatwetgeving.

In tegenstelling tot een class-action gaan de aanklagers meestal niet uit van het strikt zakelijke eigen groepsbelang, maar eerder van het algemeen en zelfs toekomstig maatschappelijk belang. Niet zelden krijgen deze rechtszaken ruim aandacht in de media, hetgeen een mobiliserend effect heeft op de publieke opinie.

Rechtsgronden[bewerken]

Rechtbanken kunnen zich baseren op:

  • algemene rechtsbeginselen, zoals de plicht van de overheid om een zorgvuldig beleid te voeren, met inachtneming van het voorzorgsprincipe, de rechten van burgers op een gezond en waardig leven, en op een gezond leefmilieu. In het Angelsaksisch recht gelden ook rechtsprincipes zoals het begrip public nuisance[2], waarbij schade aan de gemeenschap wordt erkend, of de public trust doctrine, een historische plicht van de overheid om onder meer de kustlijnen te vrijwaren.
  • bestaande wetten, regelgeving en goedgekeurde overheidsplannen
  • geldige internationale verdragen en overeenkomsten, met name inzake klimaat, mensenrechten of biodiversiteit
  • gangbare internationale afspraken en praktijken zoals neergelegd in de Millenniumdoelstellingen
  • aantoonbare wetenschappelijke gegevens.

Het indienen van een klimaateis voor de rechtbank is echter geen vanzelfsprekende zaak. Een eerste struikelblok is het aan te tonen verband tussen een oorzaak (de beleidsdaad dan wel het ontbreken ervan, of een ondernemingsactiviteit) en een gevolg (de verwachte of vastgestelde milieu- of gezondheidsschade door klimaatverandering). Ook moet aannemelijk gemaakt worden dat een eventueel vonnis bijdraagt tot het vermijden van de schade.[2]

Een tweede struikelblok was lange tijd dat de aanklagers maar moeilijk een rechtstreeks eigen belang konden aantonen. Een vordering om het algemeen belang te behartigen (actio popularis), is immers in vele landen niet ontvankelijk voor een rechtbank. Weliswaar geeft het Verdrag van Aarhus aan milieuverenigingen toegang tot informatie, beleid en rechtspraak in milieu-aangelegenheden, en oordeelde het Europees Hof van Justitie in 2014 dat Britse burgers de overheid via de Britse rechtbanken konden verplichten afdoende maatregelen te nemen om de luchtverontreiniging tegen te gaan (ClientEarth vs. Britse regering, zaak C-404/13 [3][4]). Maar in andere gelijkaardige rechtszaken werden milieuorganisaties met succes gedwarsboomd door de Europese Commissie, die een enge interpretatie van het Verdrag van Aarhus voorstaat.[5][6] Bovendien ging het hier niet om het klimaatbeleid als zodanig, maar specifiek om luchtverontreiniging door stikstofdioxide, waarover een rechtstreeks toepasselijke Europese richtlijn bestaat (2008/50/EG[7]). De uitstoot van CO2, een van de belangrijkste aandrijvers van de opwarming, beïnvloedt daarentegen niet rechtstreeks de plaatselijke luchtkwaliteit, en is uit meerdere bronnen afkomstig.

Een derde struikelblok is het algemene rechtsprincipe dat een rechter zich niet in de plaats kan of mag stellen van de overheid of de politiek. Een vonnis kan dus geen concrete beleidsmaatregelen bevatten, maar mogelijk wel beleidsdoelstellingen (resultaatsverplichting), bijvoorbeeld inzake uitstoot.

Toch is de rechtspraak aan het kenteren: waar zich ernstige maatschappelijke risico’s voordoen, wordt de beleidsvrijheid van de overheid steeds vaker onderworpen aan de rechterlijke toets.[8] Het aanspannen van rechtszaken blijkt ook deel uit te maken van een nieuwe strategie van de milieugroepen.[9]

Rechtszaken[bewerken]

De eerste rechtszaken werden rond de eeuwwisseling aangespannen in de Verenigde Staten, en nadien in Europese landen, Australië en Nieuw-Zeeland. Maar ook elders in de wereld begint een klimaatrechtspraak op gang te komen. Tot maart 2017 werden klimaatrechtszaken ingediend in 24 landen (25 als men de Europese Unie meetelt), met 654 zaken in de Verenigde Staten en meer dan 230 zaken in alle andere landen samen.[1]

Het VN-Milieuprogramma (UNEP) tracht de klimaatrechtspraak in goede banen te leiden, en publiceerde daartoe in mei 2017 een uitgebreid juridisch rapport, enerzijds om rechters en advocaten te begeleiden, en anderzijds om het referentiekader en de gebruikte terminologie te stroomlijnen. Ook werd hierin een historisch overzicht geschetst, en verwezen naar een aantal opmerkelijke rechtszaken.[1]

Afrika[bewerken]

In Zuid-Afrika gaf een rechtbank de milieugroep Earthlife Africa in maart 2017 gelijk in een klacht tegen de regering wegens plannen voor de Thabametsi-elektriciteitscentrale op steenkool, omdat in het milieurapport geen rekening was gehouden met de verwachte gevolgen op het klimaat. De regering wilde de uitvoering van het project echter niet opschorten, maar moest van de rechtbank alsnog eerst een klimaatrapport uitbrengen. Het vonnis was een primeur voor Zuid-Afrika.[10]

Amerika[bewerken]

Colombia[bewerken]

Een van de eerste klimaatrechtszaken in Latijns-Amerika werd in januari 2018 aangespannen door een groep jonge Colombianen die de centrale regering dagvaardden wegens laksheid in het terugdringen van de ontbossing van het Amazoneregenwoud. De klagers voeren aan dat die ontbossing hun grondwettelijke rechten op een gezonde omgeving, voedsel en water in gevaar brengt.[11][12] De zaak doet denken aan de eis van Our Children’s Trust in de Verenigde Staten in 2015.

Verenigde Staten[bewerken]

Rechtszaken rond klimaatverandering (climate litigation) kwamen in Californië op gang vanaf de klimaatwetgeving van 2006,[13] maar worden intussen steeds talrijker, op het niveau van de staten zowel als federaal. Een groot aantal zaken onder de noemer “klimaatverandering” betreffen echter strikt genomen milieudelicten en -vorderingen.[14]

Sedert 2015 krijgt een groep jongeren van Our Children's Trust, onder wie de kleindochter van klimaatpionier James Hansen[15], veel aandacht door een rechtszaak tegen de federale regering wegens gebrekkig klimaatbeleid (Juliana v. United States). Zij voeren aan dat hun grondwettelijk recht op een veilig en gezond leven in de toekomst wordt bedreigd door de klimaatopwarming, en dat de regering daartoe onvoldoende maatregelen neemt.[16][17][18] De klagers hopen op een historisch precedent, naar het voorbeeld van Brown vs. Board of Education, de rechtszaak die in 1954 een einde maakte aan de rassenscheiding op school.[19]

Tegen ExxonMobil loopt een gerechtelijk onderzoek wegens mogelijke misleiding van aandeelhouders, door het achterhouden van informatie rond klimaatverandering.[20]

Met het aantreden van president D. Trump is de klimaatrechtspraak in de V.S. in een stroomversnelling geraakt: er dreigen constitutionele conflicten nu sommige deelstaten hun klimaatbeleid willen doorzetten tegen de wil in van de federale regering, die van plan is een aantal milieuregels terug te schroeven.[21]

Een ander soort rechtszaken nam in 2017 een aanvang toen lagere overheden (gemeenten, counties, staten) rechtstreekse schadeclaims indienden tegen oliebedrijven wegens het bewust uitstoten van gevaarlijke niveaus van broeikasgassen. Een van de eerste zaken werd in juli 2017 aangespannen door enkele Californische counties. Een van de aangevoerde argumenten was dat de oliebedrijven public nuisance (openbare overlast) creëerden door bijna 50 jaar lang actief te verbergen dat de productie van fossiele brandstoffen een schadelijke opwarming van de aarde veroorzaakte. De gebruikte juridische tactiek doet denken aan de processen tegen de tabaksgiganten in de VS in de jaren 1990.[22] Begin 2018 liet New York (stad) weten een gelijkaardige zaak te zullen aanspannen. De stad voerde aan dat het als gevolg van de veroorzaakte opwarming kostbare investeringen moet doen om stadsdelen te vrijwaren tegen stormen en de stijgende zeespiegel.[23] Een van de pragmatische doelstellingen van dergelijke rechtszaken is de oliemaatschappijen te verplichten bij te dragen tot een infrastructuurfonds dat klimaataanpassingen moet gaan financieren.[24]

Azië & Oceanië[bewerken]

Australië[bewerken]

Als gevolg van zijn uitgebreide mijnbouwsector en ontwikkeling, vaak ook in gebieden bewoond door inheemse bevolkingsgroepen, werden in Australië reeds heel wat milieuprocessen gevoerd[25] Maar in wat beschouwd wordt als een wereldprimeur, legden op 8 augustus 2017 twee aandeelhouders, Guy and Kim Abrahams, klacht neer tegen de Commonwealth Bank of Australia, met de hulp van Environmental Justice Australia, een groep milieu-advocaten.[26] De bank was niet toevallig het mikpunt van de rechtszaak, aangezien Commonwealth Bank de belangrijkste financier zou worden van het omstreden Carmichael-steenkoolproject[27] in Queensland. De aandeelhouders voerden aan dat de bank, door de risico's van haar investeringen niet bekend te maken in haar jaarrapport over 2016, geen getrouw beeld had gegeven van haar financiële positie en prestaties, zoals vereist door de Corporations Act.[28] Minder dan een week later publiceerde de bank echter haar jaarverslag 2017 waarin de directie erkende dat klimaatverandering een aanzienlijk risico vormde voor de bedrijfsvoering van de bank, met de belofte om in het komende jaar een scenarioanalyse van de klimaatverandering op het bedrijf uit te voeren om het risico te beoordelen. De bank kwam ook terug op haar toezeggingen aan het steenkoolproject. De aandeelhouders constateerden dat hun rechtszaak meer had bereikt dan jarenlange vergeefse actie in de aandeelhoudersvergadering, en trokken daarop hun klacht in. De bank liet echter weten dat de koerswijziging al maanden in voorbereiding was.[29][30] Door het intrekken van de klacht is er strikt genomen nu geen juridisch precedent.

Filipijnen[bewerken]

De Filipijnse Commissie voor de Mensenrechten startte hoorzittingen over mogelijke schendingen door 50 grote olie- en steenkoolbedrijven, waaronder Shell en Exxon. Overlevers van tyfoon Haiyan hadden in september 2015 aangevoerd dat de energiebedrijven in belangrijke mate hebben bijgedragen tot de klimaatverandering, die gezien wordt als oorzaak van het extreme weer. De zaak is baanbrekend, omdat aan klimaatexperten wordt gevraagd geloofwaardig bewijs te leveren voor het verband tussen uitstoot, klimaatverandering en extreme weersomstandigheden. Zelfs als het verband wordt aangetoond, hetgeen met recente klimaatmodellen niet onmogelijk is, blijft het moeilijk de totale klimaatschade toe te wijzen over verschillende bedrijven, met vestigingen in meerdere landen. Bovendien zijn de uitspraken van de Commissie niet bindend voor de bedrijven, al vormen ze mogelijk een belangrijk precedent.[31]

Nieuw-Zeeland[bewerken]

Een jonge rechtenstudente betwistte eind 2015 voor de rechtbank de volgens haar totaal ontoereikende klimaatvoorstellen van de Nieuw-Zeelandse regering voor de Klimaatconferentie van Parijs 2015 (COP21), daarin gesteund door klimaatpionier James Hansen. Het regeringsvoorstel betrof een uitstootreductie van 11 percent tegen 2030, ten opzichte van het niveau 1990.[32] Op 2 november 2017 weigerde de High Court of New Zealand in te gaan op de eis aan de minister om de klimaatdoelstellingen te herzien. Kort tevoren was immers een nieuwe regering aangetreden, die een herziening had beloofd. Maar tegelijk erkende de rechtbank de rechtsgrond en de motivering van de aanklacht.[33][34]

Pakistan[bewerken]

In augustus 2015 werd de regering gedagvaard door een rechtenstudent uit een landbouwersfamilie, die aanvoerde dat het uitblijven van een klimaatbeleid in strijd was met de National Climate Change Policy, en zijn familie beroofde van haar grondwettelijke rechten op een waardig leven. In september 2015 bevestigde de rechtbank de ernst van de klacht, en riep een beleidsvoorbereidende commissie in het leven.[35][36]

Europa[bewerken]

België[bewerken]

In juni 2013 bevestigde het Hof van Cassatie dat een milieuvereniging geldige partij kan zijn in milieuzaken, volgens de verplichtingen die België op zich nam bij het Verdrag van Aarhus.[37]

Op 27 april 2015 eiste de vzw Klimaatzaak, in navolging van de Stichting Urgenda in Nederland, van de Belgische overheid een meer doeltreffend klimaatbeleid.[38] Omdat de zaak in het Frans was aangespannen, wist de Vlaamse overheid de zaak te doen uitstellen, zich beroepend op de taalwetgeving.[39] De initiatiefnemers voerden aan dat de rechtszaak geldig was, aangezien ze in een van de wettelijk erkende landstalen werd ingediend. De Vlaamse overheid diende eind april 2016 een Cassatieverzoek in, nadat haar eis tot splitsing van de procedure ook in beroep, was afgewezen. Hiermee is in de praktijk een uitstel van twee jaar bereikt.[40]

Onder de naam De Luchtzaak dagvaardden op 26 maart 2018 Greenpeace, de Antwerpse actiegroep StRaten-generaal en enkele burgers de Vlaamse regering, en met name milieuminister Joke Schauvliege, omdat die te weinig ondernemen tegen luchtvervuiling. Ze klagen het gebrekkige luchtsaneringsplan voor Antwerpen aan, en eisen een nieuw Vlaams urgentieplan tegen luchtvervuiling.[41][42] Minister Schauvliege was van oordeel dat de Vlaamse regering al maatregelen neemt, en dat ook de federale regering meeverantwoordelijk is.[43]

Duitsland[bewerken]

Een eerste zaak kwam op 24 november 2015 voor de rechtbank, toen de Peruaanse landbouwer Saúl Luciano Lliuya, met de hulp van de Duitse milieugroep Germanwatch, een burgerlijke schadeclaim indiende tegen RWE, de op een na grootste Duitse energieproducent. Lliuya voerde aan dat RWE door zijn uitstoot van broeikasgassen mee verantwoordelijk was voor het smelten van de gletsjer boven zijn dorp in de Andes. De gletsjer bedreigde met zijn smeltwater het dorp, en Lliuya eiste een financiële tussenkomst om de genomen beschermingsmaatregelen mede te financieren. De eis werd in eerste aanleg op 15 december 2016 afgewezen, maar op 30 november 2017 in beroep ontvankelijk verklaard, een primeur voor Duitsland.[44][45]

Groot-Brittannië[bewerken]

De Britse regering nam met de 2008 Climate Act de verplichting op zich een volwaardig klimaatbeleid te gaan voeren. In principe kan de uitvoering ervan voor de rechtbank afgedwongen worden.[46]

Nederland[bewerken]

Zie artikel Zie voor de klimaatzaak tegen de Nederlandse overheid het artikel Stichting Urgenda.

In Nederland won Stichting Urgenda in 2015 een spraakmakende zaak tegen de overheid, wegens onvoldoende klimaatbeleid. De Nederlandse regering ging in beroep, maar de zaak maakte internationaal ophef.[47]

Noorwegen[bewerken]

De Noorse milieugroep Nature & Youth en Greenpeace tekenden in oktober 2016 bij de rechtbank bezwaar aan tegen regeringsplannen om olieboringen toe te staan in de Barentszzee. Zij steunen zich op de Noorse grondwet, op de Noorse klimaatplannen, op de Noorse ondertekening van het Akkoord van Parijs (COP21), en verwijzen naar de ambitieuze klimaatdoelstellingen van het land.[9][48] De Noorse toezichthouder, Petroleum Safety Authority, stelde dat de nieuwe boormethodes aan de veiligheidsvoorschriften voldoen.[49] Op 4 januari 2018 verwierp de districtsrechtbank van Oslo echter de klacht, een uitspraak waartegen nog beroep mogelijk is.[50]

Oostenrijk[bewerken]

In februari 2017 blokkeerde een rechtbank de uitbreiding van de Weense luchthaven omdat de bijkomende uitstoot van broeikasgassen niet verenigbaar was met de klimaatverplichtingen die het land op zich had genomen. Volgens de advocaat van de luchthaven was het een wereldprimeur dat een dergelijk bouwproject werd afgewezen op grond van de klimaatgevolgen.[51] Ook de Stad Wenen kwam in nauwe schoentjes, omdat het stadsbestuur eerst tegen de uitbreidingsplannen gekant was, maar nadien als aandeelhouder van de luchthaven zijn houding herzag.[52]

Zwitserland[bewerken]

Einde 2016 dienden bijna vijfhonderd Zwitserse oma's, de KlimaSeniorinnen, een klacht in tegen de Zwitserse overheid wegens onvoldoende klimaatbeleid. Zij stelden dat de overheid hiermee zondigde tegen de eigen grondwet.[53][54] Een eerste klacht bij het betrokken ministerie voor milieu werd op 25 april 2017 afgewezen, waarna de oma’s op 26 mei 2017 beroep aantekenden bij het Bundesverwaltungsgericht in Sankt Gallen.[55]

Zie ook[bewerken]