Christelijke Gereformeerde Kerken

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Christelijk Gereformeerd)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Christelijke Gereformeerde Kerken
Christelijke Gereformeerde Kerk (De Fontein) te Bunschoten
Indeling
Hoofdstroming Protestantisme
Richting Gereformeerd calvinisme
Voortgekomen uit Samenvoeging van Chr. afgesch. gemeenten en Geref. Kerken o/h Kruis in 1869
Afsplitsingen 1892: Op drie gemeenten na samengevoegd met de Dolerenden tot de Gereformeerde Kerken in Ned.
1952: Chr. Gereformeerde Gemeenten (in Ned.)
Aard
Locatie 181 kerken in Nederland (2021)
Aantal leden 70.801 (1 januari 2021)
Karakter Zowel bevindelijk als orthodox
Christelijke Gereformeerde Kerk Baarn
Christelijke Gereformeerde Kerk Drachten
Christelijke Gereformeerde Kerk Werkendam
Aantal CGK-leden per bestuurlijke gemeente in 2008
Portaal  Portaalicoon   Christendom
Ontstaan van de verschillende stromingen in Nederland
Ontstaansgeschiedenis van kerken in Nederland
Protestantisme

Titelpagina Statenvertaling

in Nederland

..Stromingen

Lutheranisme
Lutheranisme
Vrijzinnig-Protestantisme
Vrijzinnig protestantisme
Midden-orthodoxie
Protestantse Kerk in Nederland
Modern-Gereformeerd
Voortgezette Gereformeerde Kerken in Nederland
Orthodox Protestantisme
Calvinisme
Gereformeerd protestantisme
Orthodox-protestantisme
Orthodox Gereformeerd
Orthodox-gereformeerden
Bevindelijk Gereformeerden
Bevindelijk gereformeerden
Evangelisch

Evangelisch Christendom

De Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) vormen sinds 1892 een kerkgenootschap binnen het protestantisme in Nederland. De kerk kent zowel een orthodox-gereformeerde stroming als een meer behoudende bevindelijk-gereformeerde vleugel rond het blad Bewaar het pand. Ook is er affiniteit met de evangelische beweging, die zich uit in een grote rol van christelijke gereformeerde predikanten binnen de Evangelische Omroep. Kerkelijke samenwerking is er plaatselijk met de Nederlands Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland en de Hersteld Hervormde Kerk. De samenwerking kan variëren van overleg via kanselruil tot gemeenten die volledig zijn samengegaan.

De wortels van het kerkverband liggen in de Afscheiding van 1834 toen door het hele land heen verschillende groepen de Nederlandse Hervormde Kerk verlieten. Na een eerste nogal roerige periode verenigde in 1869 de voornaamste van de afgescheiden gemeenten tot één kerkverband: de Christelijke Gereformeerde Kerk. Toen in de Doleantie van 1886 onder leiding van Abraham Kuyper opnieuw een grote groep orthodox-gereformeerden de Nederlandse Hervormde Kerk verliet stonden de gelovigen die zich eerder hadden afgescheiden voor de keus om zich met de nieuwe groep te verenigen. Het merendeel van de oorspronkelijke Christelijke Gereformeerde Kerk nam inderdaad die stap en vormde met de dolerenden in 1892 de Gereformeerde Kerken in Nederland. Lokaal bleven de gemeenten uit de oorspronkelijke kerkverbanden vaak nog gescheiden.

Een zeer kleine groep van drie gemeenten nam onder leiding van Frederik Philip Louis Constant van Lingen en Jacobus Wisse de beslissing om zelfstandig te blijven. Behalve kerkrechtelijke bezwaren vormde de theorie van Kuyper van de veronderstelde wedergeboorte hierbij een belangrijk motief. In de jaren daarop groeide het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerk in de jaren daarop weer snel aan. Vooral het ook plaatselijk samengaan van dolerende en voormalige christelijk-gereformeerde kerken was aanleiding voor het ontstaan van nieuwe gemeenten.

In 1947 nam men als kerkverband de naam aan van Christelijke Gereformeerde Kerken, waarbij de nadruk kwam te liggen op de plaatselijke gemeenten. Het kerkgenootschap oriënteerde zich vooral op de klassieke gereformeerde theologie, liturgie en kerkorde. In tegenstelling tot de Gereformeerde Kerken in Nederland wijzigde het niets in de gereformeerde belijdenisgeschriften, de Drie Formulieren van Enigheid, en schreef ook geen uitleg daarvan als verbindend voor, zoals de Gereformeerde Gemeenten. In de periode na de oorlog groeide, mede onder invloed van Gerard Wisse, het verschil tussen de bevindelijke vleugel en de rest van het kerkgenootschap. De spanning verminderde doordat een deel van de bevindelijke predikanten in de jaren vijftig en zestig het kerkverband verliet. In de jaren tachtig werd dezelfde stap gezet door predikanten die meer liturgische en theologische vernieuwing wenselijk achten. Ondanks het uittreden van de meer uitgesproken vertegenwoordigers van de behoudende en de progressieve vleugel kennen de Christelijke Gereformeerde Kerken de nodige verscheidenheid op het gebied van liturgische gebruiken en ethische opvattingen. Zo zijn er gemeenten die zich beperken tot de Psalmberijming van 1773, terwijl andere een groot aantal liedbundels gebruiken.

Het kerkverband telt, per 1 januari 2021, 70.801 leden.[1] In 2008 telde het kerkverband nog bijna 75.000 leden. Begin 2021 waren er 181 plaatselijke gemeenten; één minder dan een jaar eerder. Geografisch ligt het zwaartepunt van het kerkverband in de Bijbelgordel. Opvallend is het grote aantal christelijke gereformeerden in Urk: een op de tien christelijke gereformeerden is lid van een kerk in dit dorp.

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Zie ook Gereformeerd protestantisme in Nederland

Voorgeschiedenis en vorming van het kerkverband[bewerken | brontekst bewerken]

De Christelijke Gereformeerde Kerken zijn met enige tussenstappen voortgekomen uit de Afscheiding van 1834, toen verschillende gereformeerden zich losmaakten van de Nederlandse Hervormde Kerk, de oude volkskerk. De redenen dat men zich van de Hervormde Kerk had afgescheiden waren:

- De gereformeerde belijdenis functioneerde in de Nederlands Hervormde Kerk niet meer in de praktijk.

Prof. Hofstede de Groot (1802-1886), een belangrijke woordvoerder van de toen toonaangevende 'Groninger richting', vond dat de Nederlands Hervormde Kerk aan de klassiek gereformeerde belijdenisgeschriften niet meer gebonden was. Vooral de 'Dordtse Leerregels' moesten het ontgelden. De 'verzoeningsleer', de 'verkiezingsleer' en de 'leer van de totale verdorvenheid van de mens' werden beschouwd als achterhaald. De theologie van de achttiende eeuw was sterk beïnvloed door de Verlichting. Deze beweging was volgens kerkhistoricus dr. L. Praamsma te typeren met de volgende kernwoorden: De Rede [De mens moet zich door zijn verstand laten leiden en niet door zijn geloof, ook met betrekking tot de Godsopenbaring. De Bijbel diende als ieder menselijk boek kritisch gelezen te worden]. De deugd [de mens is ten diepste goed en rechtschapen. Men geloofde steeds minder in de traditionele leer van bijvoorbeeld 'de erfzonde', een leer die afkomstig zou zijn van de 'zwartgallige Augustinus'. De natuur [de mens is niets meer of minder als 'een veredelde wilde']. Verdraagzaamheid en Tolerantie [Men was het twisten over godsdienstverschillen beu. Ware deugd is belangrijker dan de wijze van godsdienstverering]. Vooruitgang [Men hing in sterke mate een vooruitgangsgeloof aan vanuit een positief mensbeeld]. Tegen deze ontwikkelingen kwamen de orthodoxe predikanten in verzet. In de achttiende eeuw behoorden tot deze verdedigers Antonius Driessen [tussen 1717 en 1748 docent in Groningen] die grote invloed uitoefende op zijn studenten waaronder Wilhelmus Schortinghuis de auteur van het Innige Christendom en Alexander Comrie. Echter toen de 18e eeuw in de 19e eeuw overging was de Nederlands Hervormde Kerk naar het oordeel van dr. Praamsma "in meerderheid vrijzinnig of gematigd orthodox."[2] De latere ds. Hendrik de Cock kon gedurende zijn studentenjaren van de Institutie van Calvijn en van de Dordtse Leerregels geheel onkundig blijven. Pas na zijn bekering tijdens zijn predikantschap in Ulrum begon hij deze werken te lezen, te bestuderen, en te verdedigen.

- De gereformeerde kerkregering (de Dordtse kerkorde) was in de Nederlands Hervormde Kerk afgeschaft. In plaats daarvan kwam er in 1816 een ‘Algemeen Reglement’, dat voorzag in een hiërarchische kerkstructuur met aan het hoofd koning Willem I.

- Predikanten die de gereformeerde belijdenis verdedigden in woord en geschrift werden door de classisbesturen van de Nederlands Hervormde Kerk afgezet.

Periode 1834-1869[bewerken | brontekst bewerken]

Op 13 oktober 1834 tekenden de eerste afgescheidenen in Ulrum De akte van Afscheiding en Wederkeering. De eerste periode na de Afscheiding was een pijnlijke periode voor de afgescheidenen die vandaar de benaming kreeg 'de crisis der jeugd'. De afgescheidenen kregen van buitenaf te maken met vervolging door de overheid door middel van hoge boetes, gevangenisstraf en inkwartiering van soldaten. Zij werden gedwongen de naam 'gereformeerd' prijs te geven. Intern openbaarde zich diverse meningsverschillen. Hierdoor vielen de afgescheidenen al spoedig in twee groepen uiteen: de Christelijke Afgescheiden Gemeenten [gaven gehoor aan de oproep van de overheid de naam gereformeerd prijs te geven] en de Gereformeerde Kerken onder het Kruis [gaven hieraan geen gehoor]. Ook emigreerden groepen afgescheidenen onder leiding van A.C. van Raalte (1811-1876) en H.P. Scholte (1805-1868) naar de Verenigde Staten.

Ondanks de weerstand ontstonden door heel het land afgescheiden gemeenten die binnen een jaar een groep van 20.000 leden omvatte. H. Algra sprak in zijn boek Het wonder van de negentiende eeuw van een 'explosie', met name in het Noorden van het land. In 1836 waren er circa 130 afgescheiden kerken.[3]

Kort daarop staakte de overheid met de vervolgingen van de afgescheiden nadat zij onder meer in mr. Guillaume Groen van Prinsterer (1801-1876) 'een edele pleitbezorger' hadden gevonden. Deze gaf in 1837 een brochure uit onder de titel: 'De maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het Staatsrecht getoetst. Hij voerde een pleidooi voor de rechtbank dat de afgescheidenen geen 'nieuwe sekte' vormden, maar 'zij zijn leden van de Gereformeerde Gezindheid'. Met de introductie van dit begrip legde Groen de basis voor een interkerkelijke samenwerking van gereformeerden op basis van de gereformeerde belijdenis.[4]

Zes jaar na de troonsbestijging van Willem II die in 1840 zijn vader opvolgde kwamen de vervolgingen van gereformeerden buiten het hervormde kerkgenootschap ten einde.

Gasthuiskapel in Middelburg waar de vereniging van 1869 plaatsvond. Momenteel in gebruik Christelijke Gereformeerde Kerk Middelburg

Vereniging van 1869 en 1892[bewerken | brontekst bewerken]

In 1869 verenigden de afgescheiden kerken [Christelijke Afgescheidene Gemeenten en de Gereformeerde Kerken onder het Kruis] grotendeels tot de Christelijke Gereformeerde Kerk. Deze vereniging gebeurde op basis van drie overeenkomsten 1. Het erkennen van elkaars kerken en voorgangers 2. De benaming zou voortaan Christelijke Gereformeerde Kerk zijn 3. In leer, eredienst en tucht moest het kerkverband in absolute zin aansluiten bij de gereformeerde leer en grondslagen. Het nieuwe kerkverband bestond uit 328 gemeenten en in diepe ontroering reikten de broeders elkaar met de 'innigste blijdschap' de rechterhand. In 1884 telde de Christelijke Gereformeerde Kerk 400 gemeenten, driehonderd predikanten en bijna 300.000 leden en doopleden.[5]

In de schaduw van dit afgescheiden kerkgenootschap bleven enkele gemeenten zelfstandig voortbestaan. Deze Kruisgemeenten vormden een los kerkverband rondom de predikant ds. E. Fransen (1827-1898). Later vonden deze gemeenten met de Ledeboerianen kerkelijk onderdak in het kerkverband van de Gereformeerden Gemeenten dat ontstond in 1907.[6]

Het overgrote deel van de Christelijke Gereformeerde Kerk fuseerde op 17 juli 1892 nogmaals, nu met de Nederduitse Gereformeerde Kerk (de dolerenden), tot de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Drie gemeenten in Teuge, Zierikzee en Noordeloos, besloten echter de Christelijke Gereformeerde Kerk voort te zetten.

Het Wekkertje[bewerken | brontekst bewerken]

Het waren de predikanten F.P.L.C. van Lingen (1832-1913) [bekend als bewerker van de Bijbelverklaring van Karl August Dächsel] en Jacobus Wisse (1843-1921), die de voornaamste woordvoerders waren in de kring van bezwaarden tegen een vereniging met de kerken voortgekomen uit de Doleantie onder leiding van Abraham Kuyper. Een belangrijk middel voor de verspreiding van hun boodschap was Het Wekkertje, waarmee zij het kerkvolk wilden wakker schudden. Al snel voegden zich ook andere predikanten bij hen: ds. J. Schotel (1825-1914), ds. H.M. van der Vegt (1831-1915) en ds. J.W. Drayer (1851-1894).

Op 20 juli 1892 kwam men in Utrecht bijeen. Daar vond men elkaar, om te blijven wat men was: 'christelijk-gereformeerd’, een naam die in de tijd van de Reformatie al in gebruik was.

De bezwaren van Van Lingen en Wisse[bewerken | brontekst bewerken]

1. De leer van de veronderstelde wedergeboorte die door Abraham Kuyper werd voorgestaan, door zijn catechismusverklaring werd uitgedragen in de gemeenten, en onder theologische studenten onderwezen. Volgens Kuyper is de kerk een vergadering van gelovigen op grond van predestinatie (uitverkiezing) en wedergeboorte. De veronderstelling wedergeboren te zijn, is de grond voor de kinderdoop. Nadruk behoort niet te liggen op het individu, maar op het verbond dat God met de mens in de lijn van de geslachten sluit. Wel drong Abraham Kuyper in zijn preken aan op “de noodzaak van zelfonderzoek”. [Hij hield staande dat niet allen daadwerkelijk wedergeboren waren, maar dat 'het zaad der kerk' ervoor moest worden gehouden tenzij het tegendeel zou blijken].

De predikanten F.P.L.C. van Lingen en Jacobus Wisse vonden deze leer “bederfelijk” voor het kerkelijk leven en in strijd met de Bijbel. Ze riepen op tot “onderscheidenlijke” of “separerende prediking”. Er diende onderscheid gemaakt te worden tussen “het ware zaligmakende geloof” en “niet-zaligmakend geloof”. Op die manier functioneert de prediking als een 'sleutel van het hemelrijk'.

Prof. Willem Kremer zegt hierover: "We mogen in de prediking de gemeente niet benaderen vanuit een bepaald vooringenomen standpunt. Als zouden bijvoorbeeld alle gedoopten automatisch delen in het heil. Of als zouden allen (vanuit de gedachte van de 'alverzoening') eenmaal wel zalig worden. Het Woord moet beslag leggen met Zijn beloften en eisen".

2. De beginselen van de Afscheiding van 1834 en de doleantie van 1886 zijn fundamenteel met elkaar in strijd. De intentie van de afscheiding van 1834 lag volgens Van Lingen en Wisse in het verlaten van het hervormde kerkgenootschap zoals dat in 1816 door toedoen van koning Willem I was ontstaan – ziende op Gods gebod, blind voor de toekomst (men wilde geen strijd om de kerkelijke goederen) en terugkeer tot de Gereformeerde Kerk van de Reformatie. Achter de afscheidingsbeweging zat geen strategie of voorberekend plan. Daarnaast omvatte de visie van de afgescheidenen dat de Hervormde Kerk als een 'valse kerk' gezien moest worden vanwege de 'leervrijheid' [ongebondenheid aan de gereformeerde belijdenis]. De doleantie-beweging daarentegen was sterk geregisseerd door Abraham Kuyper, waarbij juist wel felle strijd gevoerd werd om het behoud van de kerkelijke goederen. De christelijke gereformeerden die zich in 1892 afzijdig hielden, waren er van overtuigd dat door de Vereniging van 1892 het beginsel van de Afscheiding 'ernstig geweld' werd aangedaan en spraken uit 'dat men zich niet met kerken mocht verenigen die er 'on-Bijbelse leringen' op na hielden'.

3. Kerkrechtelijke bezwaren: de plaatselijke gemeenten waren onvoldoende betrokken in het verenigingsproces, wat men in strijd achtte met het presbyteriale kerkrecht. Daarin zijn de plaatselijke gemeenten tot op zekere hoogte autonoom. Werd men vanuit de Gereformeerde Kerken regelmatig bestempeld als 'scheurkerk', de bezwaarde christelijke gereformeerden vonden dat zij het recht hadden zich afzijdig te houden van de Vereniging van 1892 op grond van hun geweten voor God en de mensen.

Periode 1892-1944[bewerken | brontekst bewerken]

Opbouw van de organisatie[bewerken | brontekst bewerken]

Op de eerste synode in Utrecht op 3 en 4 januari 1893 waren er reeds acht gemeenten vertegenwoordigd: Den Haag, Rotterdam, Utrecht, Noordeloos, Dordrecht, Lutten, Teuge en Arnhem. Op 25-27 juli van datzelfde jaar werd opnieuw een synode gehouden waarbij het kerkverband inmiddels zeventien gemeenten telde.

Vrijwel direct werd begonnen met de stichting van een eigen theologische school. Op 11 september 1894 kon er door ds. Johannes Schotel een Theologische School worden geopend, die in eerste instantie bestond uit de consistoriekamer van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Den Haag. Tussen 1899 en 1919 was de opleiding in Rijswijk gevestigd. Kort daarop werd de opleiding definitief in Apeldoorn gevestigd. Na de komst van Prof. G. Wisse in 1928 werden de docenten hoogleraar of professor genoemd.

Theologische Universiteit Apeldoorn

Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk is van meet af aan ook aandacht voor de opbouw van het verenigingsleven en voor eigen kerkelijke zending. Vanaf 1928 werkte de eerste zendelingen van de Christelijke Gereformeerde Kerk, ds. M. Geleijnse en ds. A. Bikker in het Torajaland, een gebied in de toenmalige Nederlandse kolonie Indonesië. Het kerkverband De Gereja Toraja Mamasa dat uit dit zendingswerk is voortgekomen, functioneert sinds 1950 zelfstandig en telde in 2016 ongeveer 150.000 leden, verdeeld over meer dan 500 gemeenten.[7]

Pieter Johannes Marie de Bruin (1868-1946) vertegenwoordigde in de periode voor de Tweede Wereldoorlog het beginsel van de Christelijke Gereformeerde Kerk.

Karakter van de prediking[bewerken | brontekst bewerken]

De Christelijke Gereformeerde Kerk profileerde zich naast de Gereformeerde Kerken voornamelijk in haar 'doorstartperiode' als 'bevindelijk-gereformeerd' (getuige met name de vooroorlogse jaargangen van de prekenserie Uit de Levensbron [8][9][10] maar wel met de nodige aandacht voor een goede uitleg van de Schrift. Op de verhouding tussen beiden aspecten werd tijdens de theologische opleiding de nodige aandacht besteed.

In 1933 benadrukte Prof. Leendert Huibert van der Meiden het belang van een 'Schriftuurlijk-bevindelijke prediking'. Hij beklemtoonde "dat men niet alleen moet preken wat Christus voor de Zijnen deed, maar ook wat Hij door Woord en Geest in hun harten werkt", een zinsnede die uit de Institutie van Calvijn te herleiden is.

"We zijn geen levende lidmaten van Christus, omdat we gedoopt zijn, of omdat we belijdenis deden. Er zijn tal van onherboren bondelingen, die straks als kinderen des koninkrijks buiten geworpen worden. Zij bewijzen in hun leven duidelijk genoeg het leven des Geestes te missen. Werd u ooit schuldenaar zoals de verloren zoon? Riep u ooit uit diepte van ellende? Hebt u de noodzakelijkheid van de Borg leren verstaan?" (Prof. L.H. Van der Meiden).

Professor Gerard Wisse (1873-1957) benadrukte in zijn boekje De ambtelijke bediening van Christus in de gelovigen "dat wie de ware en volle Christus wil verkondigen, ook deze zijde (namelijk het bevindelijk functioneren van de drie ambten van Christus) naar voren zal brengen."

Professor Willem Kremer (1896-1985) schreef in 1954 "dat de terechte kritiek op veel prediking is, niet dat ze te weinig exegetisch, te weinig dogmatisch, zelfs niet te weinig actueel is, maar dat zij te weinig geestelijk is."

'Gods soevereiniteit' en 'de menselijke verantwoordelijkheid' moeten beide in de prediking ten volle gehandhaafd worden: "Er mag niet vrijblijvend voor toeschouwers gepreekt worden. We worden eenzijdig waar we óf alleen maar de soevereiniteit van God prediken in Zijn uitdeling van het heil en waar de verantwoordelijkheid van de hoorder wordt verzwegen óf waar alleen de verantwoordelijkheid wordt gepreekt en het lijkt alsof de mens het heil binnen eigen bereik heeft en er voor het werk van de Heilige Geest in ons geen plaats en noodzaak meer lijkt te zijn." (bundel Priesterlijke Prediking).

In 1947 werd Jan Hovius (1900-1979) hoogleraar Kerkrecht en Kerkgeschiedenis aan de Theologische Hogeschool in Apeldoorn: "De 'voorwerpelijke zijde' bestaat in de verzoening door het plaatsbekledend lijden en sterven van Christus. Door de arbeid van Zijn ziel heeft Hij de vergeving verworven en verzoening aangebracht. En mede door deze arbeid heeft Hij de levendmakende Geest verworven, die nu de aangebrachte verzoening zal toepassen en bovendien het hart zal vernieuwen. Dit alles is de voorwerpelijke zijde, waar nu de 'onderwerpelijke zijde' bij moet komen. En de onderwerpelijke zijde is, dat die Geest van Christus de verworven verzoening toepast."

"Van nature is de mens niet uit God geboren, maar dan is het zoals de Heere Jezus zegt: wat uit vlees geboren is, dat is vlees, of om het nog anders te zeggen: dan zijn wij uit de vader de duivel. Krachtens het werkverbond staan alle mensen schuldig voor God. Krachtens onze geboorte uit Adam hebben wij allen een verdorven natuur." "Wil het wel met u zijn, dan moet dat u met oprechte droefheid vervullen. Dan moet dat u doen vluchten tot de Almachtige God, die zulk een heerlijke en gezegende verandering kan geven. Het is 'het heerlijk werk van de wedergeboorte van de mens', waardoor hij van dood levend wordt. Het komt openbaar in een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben. In het nodig krijgen van een levende Borg. In het haten en vluchten van de zonden."

Professor Franciscus Lengkeek (1871-1932): "Hebben wij de Heilige Geest ontvangen? Die vraag bedoelt in de eerste plaats, of wij uit de dood zijn overgegaan in het leven, en krachtens deze overgang onze doodstaat van nature kennen en onze zaligheid buiten onszelf in Jezus Christus zoeken. Mogelijk zijn er onder ons, voor wie deze vraag niet klemmend is. Zij hebben genoeg aan wat zij zijn, hebben, weten, kunnen en zullen. Ze zijn min of meer godsdienstig, nemen min of meer hun plichten waar, leven niet berispelijk, zijn in menig opzicht voorbeeldig, maar daar blijft het bij. De vraag of zij de Heilige Geest ontvangen hebben, is er één die in de prediking zeker op z’n plaats is, maar die persoonlijk tot hen gericht wrevel opwekt. Dezulken kunnen zich dan ook uitnemend daarin vinden, waar men uitgaat van de stelling, dat de Heilige Geest zeven weken na de offerande van Christus is uitgestort en toen gemeengoed van de kerk geworden is. Wie dus tot de kerk behoort, heeft de Heilige Geest. Wij achten dit een misleidende, verderfelijke stelling, waarvoor nergens in de Heilige Schrift enige grond gevonden wordt. Vergeten wij toch niet, dat er geen collectief, geen gemeenschappelijk oordeel zal zijn, maar een particulier, een persoonlijk. Ieder voor zich zal eenmaal aan God rekenschap te geven hebben. En zo wij persoonlijk de Heilige Geest niet ontvangen hebben, zo zullen wij ook geen deel hebben aan het zijn in Christus."

Zoeken naar verbinding[bewerken | brontekst bewerken]

De christelijke gereformeerden voelden zich van meet af aan geroepen tot 'vereniging van alle gereformeerden die ten volle wilden leven naar Schrift en Belijdenis'. Zo was er al snel aandacht voor een vereniging met de inmiddels in 1907 ontstane Gereformeerde Gemeenten. In 1919 schopte de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk echter tegen het verkeerde been door de uitspraak: "dat alle Gereformeerden uit alle kerken, naar eis van de Heilige Schrift en Formulieren van Enigheid geroepen zijn zich tot de Christelijke Gereformeerde Kerk te voegen." In 1922 zwakte de synode deze uitspraak af en spraken uit dat zij ook in de Gereformeerde Gemeenten een gelijkwaardige en wettige openbaring van het lichaam van Christus wilden erkennen. Op dezelfde wijze en in dezelfde geest zoals de Christelijke Afgescheidenen en de Kruisgemeenten elkaar in 1869 vonden, stond men open voor een vereniging met de Gereformeerde Gemeenten. Andersom bleek echter enige gereserveerdheid. Ds. G.H. Kersten verweet de Christelijke Gereformeerde Kerk 'gebrek aan beginsel'. Ook wilde hij - evenals de dolerenden met Kuyper - de Nederlandse Hervormde Kerk niet als ‘vals’ bestempelen zolang er in deze kerk nog ‘oprechte kinderen Gods’ verbleven.

Volgens dominee Jacob Jan van der Schuit was het 'christelijk-gereformeerd beginsel' evenwel het 'beginsel der Afscheiding.' In een artikelenserie van zijn hand, dat in 1919 verscheen in boekvorm ‘Na vijf en twintig jaren’, beginseltrouw contra beginselverzaking, zette hij uiteen wat dit ‘beginsel der Afscheiding’ volgens hem 'kerkrechtelijk' en 'dogmatisch' inhield. "Wij christelijk gereformeerden, leven nog immer uit 't beginsel der [af]Scheiding." "Neen, niet al wat uit de [af]scheiding [opgekomen is] is uit God, en al wat uit de doleantie [gesproten] is, uit mensen. Integendeel, ook de mannen der [af]scheiding hadden evengoed gebreken als die der doleantie, gelijk zij ook beide waardeerbare eigenschappen bezaten. Veel dat in de kerk der afscheiding was, kan moeilijk door ons worden toegejuicht. Het gaat hier echter niet over personen, die hun zwakheden hadden, noch over zaken die beter hadden gedaan kunnen worden, maar het raakt hier de beginselen." "De Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland, naar grondslag en levensbeginsel beoordeeld is de enige wettige voorzetting van de kerk der [af]scheiding [van 1834]." "De [af] scheiding, die uit de ader van 't waarachtig geestelijk leven, uit de diepte van de nood der ziel geboren is, had tot wapenspreuk: wat zegt de Heilige Schrift?, wat eist de gereformeerde belijdenis?"[11]

Van der Schuit had een kerkelijk standpunt dat uitging van het ideaal, en hieromtrent waren binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk vanaf het beginstadium verschillende visies waar te nemen, (overigens ook al vanouds onder de afgescheidenen: Hendrik de Cock versus Hendrik Scholte) met aan de ene zijde ds. J.J. Van der Schuit (1882-1965) en aan de andere kant ds. P.J.M. de Bruin (1868-1942). De verschillende visies groeien na de Tweede Wereldoorlog uit tot een scheidslijn die steeds scherper geworden is, namelijk in een stroming die zich in de richting bewoog van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en een stroming die verwant bleef aan de rechterflank van de gereformeerde gezindte: de Gereformeerde Gemeenten etc.

Discussie over het genadeverbond met de Gereformeerde Gemeenten[bewerken | brontekst bewerken]

Een kenmerkend verschil dat boven water kwam drijven tussen de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Gereformeerde Gemeenten was de uitwerking van de leer over het Genadeverbond. Vanuit de Gereformeerde Gemeenten werden bezwaren naar voren gebracht, hoe deze leer binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk werd verwoord. In dit opzicht stonden de christelijke gereformeerden overigens wel op één lijn. Dit blijkt uit het feit dat zowel professor J.J. van der Schuit, ds. J. Jongeleen, als Prof. P.J.M. de Bruin de leeruitzetting over het genadeverbond zoals vanouds binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk geleerd, tegenover ds. G.H. Kersten hebben verdedigd. Toen ds. Kersten een poging deed om professor Gerard Wisse aan zijn zijde te krijgen, koos deze publiekelijk voor de zijde van professor P.J.M. de Bruin en de christelijke gereformeerde verbondsopvatting, hoewel er binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk ook wel 'gematigd twee-verbonders' waren, waaronder ds. Gerard Salomons (1890-1975) Laatst genoemde pleitte ervoor: "beide lijnen moeten elkaar in evenwicht houden: verkiezing en verwerping opkomend uit het souverein welbehagen, werken en doel ter verheerlijking Gods. [Maar] de verkiezing in de Heilige Schrift [wordt ons] niet slechts in abstracto, maar veeleer in concreto geopenbaard (ook de verwerping), n.l. in verband gebracht wordt met onze mensheidsgeschiedenis en de geschiedenis des heils." "Infra en supra behoren in de kerk niet tegenover elkander te staan, ze staan naast elkander, vullen elkander aan, kunnen elkander in het evenwicht houden."[12]

Christelijke Gereformeerde Kerk Amersfoort

In de Gereformeerde Kerken werd gesteld: alle bondelingen (dopelingen), zijn in principe verkorenen "tenzij....", in de Gereformeerde Gemeenten stelde men: alleen de verkorenen zijn de echte bondelingen (dopelingen), alleen voor hen gelden de beloften van het verbond. Niet-uitverkorenen behoren niet wezenlijk tot het genadeverbond. Voor hen, die wel gedoopt zijn, geldt slechts een "verkeren op het erf van het verbond."

Waar de Gereformeerde Gemeenten verbond der verlossing en verbond der genade vereenzelvigden, benadrukte de Christelijke Gereformeerde Kerk het onderscheid tussen beide. Het genadeverbond behoort tot 'Gods heilsbedeling in de tijd'. Vanuit de verkiezing en vanuit het verbond der verlossing, vanuit het onderhandelen en beraadslagen van de drie Personen in God onderling, treedt God in het genadeverbond naar buiten in de openbaring en bekendmaking van Zijn heil en genade, niet slechts aan de uitverkorenen, maar aan gevallen zondaren."

Zo zijn de volgende verschillen tussen beide verbonden aan te wijzen:

  • 1. Er is verschil in tijd van oprichting. Het verbond der verlossing is door God opgericht in de eeuwigheid "voor de grondlegging der wereld". Het genadeverbond is door God opgericht in de tijd: met dit verbond gaat de Heere in in de historie.
  • 2. Er is verschil tussen partijen in het verbond. In het verbond der verlossing is sprake van de Drie Personen in God als partijen, die een verbond sluiten (ook wel raad des vredes genoemd). In het genadeverbond zijn de partijen enerzijds God en anderzijds Abraham en zijn natuurlijk zaad (onder het Oude Verbond), de gelovigen en hun natuurlijk zaad (onder het Nieuwe Verbond).
  • 3. Er is verschil in de plaats van de mens in beide verbonden. In het verbond der verlossing gaat het over de mens of, beter gezegd, over het geheel van de nieuwe mensheid in tegenstelling tot de verkiezing waarin het gaat over menselijke personen die uitverkoren worden. In het genadeverbond gaat het om Gods handelen met de mens.
  • 4. Er is verschil tussen de plaats van Christus in beide verbonden. In het verbond der verlossing is Christus Hoofd van het verbond, in Wie alle verkorenen en alleen de verkorenen wezenlijk begrepen zijn. In het genadeverbond is Christus de Middelaar van het verbond. In het offer en daarmee in het Borgwerk van de Heere Jezus is het genadeverbond gefundeerd, terwijl het al het heil dat Christus door Zijn Borgwerk verworven heeft en op grond van Zijn Borgwerk nog beheert en ten uitvoer brengt tot inhoud heeft.
  • 5. Er is verschil in duurzaamheid. Het verbond der verlossing, het pact tussen de Drie Personen in God is onverbreekbaar; het genadeverbond is van Gods kant evenzeer onverbreekbaar, (het is niet een verbond van eeuwigheid, wel een verbond tot in eeuwigheid), door de bondelingen van hun kant kan het verbond wel verbroken worden.[13]

Dominee Johannes Schotel benadrukte in zijn prekenbundel Zestal leerredenen over verschillende teksten des Nieuwen Testaments dat er volgens hem 'groot onderscheid tussen gedoopte en ongedoopte kinderen' bestaat. "De ongedoopte kinderen liggen 'buiten het verbond Gods' maar de gedoopte kinderen zijn 'bondelingen' zoals de Heidelbergse Catechismus zegt. Dit onderscheid maakt de verantwoording voor kinderen uit christelijke ouders des te zwaarder, in het geval zij onbekeerd sterven. Want het onderscheid verandert onze staat voor God niet. Zonder de toepassing door Goddelijke genade blijven wij onbekeerd voortleven."

"Mogelijk zegt u, het is zo, maar wat moet ik doen? Wat u doen moet, leert u Gods Woord. U moet geloven. Wat? Dat Christus uw Borg is? Dit zegt Gods Woord niet, maar dat God is, die Hij is [Exodus 3: 14], en een beloner degenen die Hem zoeken [Hebreeën 11:6]. Gij moet geloven dat God is zoals Hij Zich in het Evangelie aan zondaren openbaart [Johannes 3: 16]. U zegt mogelijk: maar die verzoening die Christus teweeg bracht is toch niet algemeen? Nee, zij geldt slechts de uitverkorenen. Maar wijst mij deze eens aan? Wie weet dat? God laat zondaars roepen tot Zijn gemeenschap, en dus ook u! God roept u, en deze roeping vloeit niet uit de wet, maar uit het Evangelie. De bazuin van de evangelische roeping wordt gehoord op het terrein van het genadeverbond. En tot dat verbond behoort u volgens het doopsformulier. Daarvan draagt gij het teken en zegel aan uw voorhoofd, bij welke doop de Heere beloofd heeft, dat zo u Hem zoekt, Hij zeker door u gevonden zal worden.”[14]

Periode 1944-1953[bewerken | brontekst bewerken]

In de periode na de Tweede Wereldoorlog signaleerden verschillende predikanten binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk (sinds 1947 Kerken) dat binnen het kerkelijke leven wel steeds meer nadruk gelegd werd op de “voorrechten” die de objectieve zijde van het genadeverbond met zich meebrengt, maar de aandacht voor de persoonlijke toepassing (de subjectieve kant), de eis van geloof en bekering en de uiteenzetting hoe de Heilige Geest dit uitwerkt in de gelovige (de heilsweg) minder werd. De roep om zich losser te maken van het 'bevindelijke verleden' werd sterker. Er komt een nieuwe generatie predikanten van de theologische school af [vanaf nu duidelijker te markeren als een aparte flank] die steeds meer moeite blijken te hebben met de in hun ogen 'ouderwetse denkbeelden van het voorgeslacht'. Tegelijkertijd is opvallend dat gedurende de jaren dertig en veertig nog steeds verschillende voorgangers met een bevindelijk-gereformeerde signatuur over komen naar het kerkverband, waaronder W. Baaij, D.L. Aangeenbrug en L. Gebraad. Niet altijd blijkt men evenveel affiniteit te hebben met het kerkverband waardoor de polarisatie door deze overgangen alleen maar toe neemt.[15] De Christelijke Gereformeerde Kerken als geheel groeien langzaam maar zeker naar een vernieuwd profiel: 'van een sterk subjectieve inslag naar een meer objectieve belofteprediking.' De band tussen belijdenis doen en deelname aan het Heilig Avondmaal werd aangehaald door aanpassing van de belijdenisvragen. Ook ontstond het verlangen, (de geloofsworsteling om persoonlijk zielenheil neemt onder een verbondsmatige prediking gecombineerd met een optimistische gemeentebeschouwing af), naar het zingen van meer nieuwtestamentisch getinte liederen' waarin meer dan de Oudtestamentische psalmen (met veel uitingen van klacht en verlangen naar het komende heil) het geluid van de aangebrachte verlossing klinkt. Deze koerswisseling verklaart de steeds grotere sympathie die ontstond voor de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en aanverwante kerken, waar vanouds al vooral verbondsmatig gepreekt wordt en niet zozeer bevindelijk.

Overeenkomsten en verschillen met de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt[bewerken | brontekst bewerken]

Op het eerste gezicht hebben de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt veel overeenkomsten, zowel theologisch als historisch. Beide kerkverbanden stonden na de Tweede Wereldoorlog te boek als klassiek gereformeerd. Wat professor Klaas Schilder met Abraham Kuyper gemeen had, was zijn poging om actief een hecht gereformeerd cultuurleven op te bouwen, dat zich niet isoleerde, maar vormend op de maatschappij moest inwerken. In dat opzicht stonden dr. K. Schilder en de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt in de lijn van de neo-calvinisten. Schilder wilde zich echter niet buiten de kaders van Schrift en belijdenis begeven. Hij was wars van een in zijn ogen inhoudsloos oecumenisch christendom. Als men hem vroeg naar zijn dogmatiek, haalde hij de Drie Formulieren van Enigheid voor de dag, en zei: dat is mijn dogmatiek.[16] Schilder bestreed de theologie van Karl Barth die de Bijbelse verhalen (hoewel getuigend van de ware levende God en Zijn wereld) aangaande de schepping en val 'fantasie' noemde, de predestinatieleer van Calvijn verwierp en neigde naar een alverzoening. Schilder noemde Gerard Wisse 'mijn altijd gerespecteerde filosofisch-dogmatische cursus-leermeester', als het ging om het zoeken naar antwoorden op de moderne theologie en filosofie. Schilder stond ook negatief tegen de heersende opvatting van de veronderstelde wedergeboorte in de Gereformeerde Kerken. Het verschil met de christelijke gereformeerden was dat deze leren dat het heil, zoals dat in de beloften van de doop wordt toegezegd en geschonken, moet worden deelachtig gemaakt in de weg van wedergeboorte, bekering en geloof. Bij Klaas Schilder en de Gereformeerd Vrijgemaakten heerst het objectieve element. Zij zijn afkerig van in hun ogen subjectivistische of bevindelijke prediking. De Vrijgemaakten laten verbond en vervulling samenvallen. Alle verbondskinderen (gedoopten) worden beschouwd worden als kinderen van God op grond van Gods belofte. De leer van bekering en wedergeboorte kreeg hierdoor meer een ondergeschikte plaats of werd in een andere zin gebruikt in de zin van de heiligmaking. Dit wil niet zeggen dat volgens Schilder en de Vrijgemaakten het geloof geheel buiten de persoon omgaat. Zij wilden echter het bevindelijke element niet op de voorgrond plaatsen, omdat zij in bevindelijke prediking bepaalde excessen zagen van het spoor van de Reformatie. Dat deze gedachte nog voortleeft blijkt uit de uitspraak van de Nederlands gereformeerde predikant drs. L. G. Compagnie in zijn boekje Alverzoening? „We leven in een tijd waarin individualisme centraal staat, en ook door de invloed van piëtisme en Nadere Reformatie is het accent op persoonlijk heil toegenomen, maar de vraag ”Hoe kom ik in de hemel” kan ook te veel in het middelpunt komen te staan. We lopen dan het gevaar te veel met onszelf, het individu bezig te zijn, en te weinig oog te hebben voor het geheel van Gods verlossingswerk."[17] De prediking binnen de Gereformeerde Kerken en Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt was vanouds vooral heilshistorisch van aard (het grote verhaal). Een bepaalde hoek binnen dit deel van het Nederlands protestantisme heeft daarom samen met de Nederlands Gereformeerde kerken momenteel veel aansluiting bij bijvoorbeeld de Engelse theoloog Tom Wright. Een ander deel met name in de voormalige Gereformeerde Kerken viel ten prooi aan volledige vrijzinnigheid nadat de wissel rondom het absoluut gezag van de Heilige Schrift eenmaal was omgezet (Kuitert).

De kanselboodschap van 1953[bewerken | brontekst bewerken]

Toen het bevindelijke element in de Christelijke Gereformeerde Kerken ook teloor dreigde te gaan, waren er regelmatig predikanten of gemeenten die zich losmaakten en over gingen naar andere (meer bevindelijke) kerkverbanden. In 1952 verlieten de predikanten E. du Marchie van Voorthuysen (Leersum) en J. G. van Minnen (Huizen) de Christelijke Gereformeerde Kerken. Daarnaast kreeg de synode van 1952 te maken met een kritisch rapport van de classis Dordrecht onder leiding van ds. M. Baan (Dordrecht). Naar aanleiding van deze uittredingen en dit rapport kwam het in 1953 zover dat er een Kanselboodschap [18] werd uitgegeven op aandrang van met name Prof. G. Wisse. Deze kanselboodschap was uit zorg rondom de prediking, “de ernst in de behandeling der ons toebetrouwde zielen”.[19]

Christelijke Gereformeerde Kerk Dordrecht Centrum
Christelijke Gereformeerde Kerk Dordrecht Centrum

De kanselboodschap die in alle Christelijke Gereformeerde Kerken werd voorgelezen, was gericht aan alle predikanten, hoogleraren, ouderlingen, jeugdleiders, gemeenteleden en riep op: "in de prediking te blijven benadrukken: Dat zalig worden een wonder blijft, en de noodzakelijkheid van wedergeboorte door de Heilige Geest niet uit het oog mag worden verloren. Nodig is dat wij in de bevindelijke weg leren, dat wij God kwijt zijn, en van nature in een verbroken werkverbond liggen, dood door de misdaden en de zonden, en wij alleen door een oprecht geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig kunnen worden."[20]

Periode 1953-1962[bewerken | brontekst bewerken]

De uitwerking van de kanselboodschap is beperkt gebleven, want de onrust werd slechts voor een kort moment weggenomen. De ontwikkelingen gingen ondertussen door. De Generale Synode benoemde in 1953 dominee B.J. Oosterhoff als opvolger van professor L.H. van der Meiden. Deze benoeming als zodanig leidde nog niet tot onrust maar in de jaren daarop publiceerde Oosterhoff wel tal van studies die in de rechterflank van de gereformeerde gezindte bezwaren opriepen, en zelfs in gereformeerd vrijgemaakte hoek vond men de stellingen van Oosterhoff te ver gaan. Ook nam de bevindelijke prediking binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken gedurende de jaren zestig en zeventig steeds meer af. Terwijl andere kerkverbanden stelling namen tegen de opkomst van de televisie in de huiskamer, werd het bezit en gebruik daarvan binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken min of meer stilzwijgend geaccepteerd en zelfs als een uitdaging gezien om het evangelie verder uit te dragen. Bezwaren uit de rechterflank lagen niet op het gebied van de uitvinding van de televisie op zich, maar meer dat het gebruik van de televisie in de huiskamer grote gevolgen zou kunnen hebben voor de levensstijl en de maatschappelijke normen en waarden van individuele gemeenteleden. Deze discussie en andere zaken zoals het streven naar liturgische vernieuwing (in 1962 gaf de Generale Synode de NBG-vertaling vrij voor gebruik) leidde opnieuw tot grote verontrusting.[21][22]

Grensverkeer[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf de jaren vijftig zochten predikanten zoals G.A. Zijderveld, E. Venema (Zwijndrecht), P. van der Bijl, en J.C. van Ravenswaaij (Arnhem) hun toevlucht tot de Gereformeerde Gemeenten. In 1960 sloot de predikant W. Baaij (1893-1961) zich met de gemeente Doorn aan bij de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland.

Andersom sloten zich (tijdens en na deze periode) ook weer gemeenten en voorgangers uit bevindelijk-gereformeerde kring zich bij de Christelijke Gereformeerde Kerken aan waaronder ds. R. Kok in 1956 met de gemeenten Veenendaal, Westzaan en Mijdrecht, alsmede de gemeenten Sliedrecht (1962) met ds. J. Overduin en Rotterdam-Kralingen met ds. P. Overduin (1980). Al deze gemeenten hadden kort of langere tijd een zelfstandig bestaan geleid maar elk een achtergrond binnen het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten. Respectievelijk hadden zij zich in 1950 en 1930 van het laatstgenoemde kerkverband afgescheiden.

Periode vanaf 1962[bewerken | brontekst bewerken]

Dr. T. Brienen en de prediking van de Nadere Reformatie (1974)[bewerken | brontekst bewerken]

In 1974 verscheen een proefschrift van ds. T. Brienen (Werkendam, 1930) christelijk-gereformeerd predikant in Groningen die promoveerde tot doctor in de godgeleerdheid op het onderwerp: De prediking van de Nadere Reformatie. Behalve waardering riep dit proefschrift ook bedenkingen op in de rechterflank van de Christelijke Gereformeerde Kerken [Bewaar het Pand], alsmede aanverwante groeperingen waaronder de Gereformeerde Gemeenten. Het proefschrift bevatte een onderzoek naar het gebruik van de klassifikatiemethode binnen de prediking van de Nadere Reformatie. Brienen typeerde de Nadere Reformatie als 'een stroming in de Gereformeerde Kerk, die in de jaren na de nationale synode van Dordrecht (1618-1619) heeft aangedrongen op een voortgaande reformatie (...) De beweging ontstond o.a. als waarschuwende reactie tegen de leerheiligheid, die zich na de synode van Dordrecht dreigde meester te maken van de Kerk en van de prediking; (...) De klemtoon lag op de groei en de vrucht van het geestelijk leven als christen. De predikers van de Nadere Reformatie hebben duidelijk onderscheiding aangebracht tussen explicatio en applicatio, of te wel 'het voorwerpelijke en het onderwerpelijke in de prediking.' Veel werd gesproken over de uitverkiezing; het woord en de zaak van de zgn. bevinding namen een sleutelpositie in'. Eén van de belangrijkste middelen waardoor de mannen van de Nadere Reformatie hun inzet trachtten te verwezenlijken was volgens Brienen de prediking. 'Ze hebben ontzaglijk veel gepreekt en zo kwam hun woord, invloed en boodschap direct onder het volk. Juist in deze prediking ligt hun kracht en door de prediking is de Nadere Reformatie van zo grote betekenis geworden. Honderden preken en vele preekbundels zijn uitgegeven, bewaard gebleven en worden nog gelezen.' Naar het oordeel van dr. Brienen spraken echter de predikers van de Nadere Reformatie de 'geclassificeerde hoorders' toe, 'niet met de beloften van het evangelie' maar met 'een overmatige bekommernis om de subjectieve gesteldheid van de mens'. 'In feite wordt de mens hier verwezen naar zijn ervaring, om daaruit zekerheid te verwerven. Daarmee is de concentratie van de mens op zichzelf gegeven, gevoed door een prediking, die de zielsgestalten breed uitmeet, maar niet meer vanuit de beloften Gods, de heilsfeiten, de openbaring, appelléért.' Brienen stelde zowel 'kenmerkenprediking', als 'gestaltenprediking' onder kritiek. Deze prediking was in zijn ogen 'onbijbels' en de 'belofteprediking' werd erdoor versmald. Bovendien bracht deze prediking ook allerlei gevaren mee zoals hoogmoed bij degenen die behoren bij 'Gods ware volk'. Het zaad wordt gelegd van het separatisme en Labadisme dat beiden uitwassen zijn van de Nadere Reformatie. Men is steeds weer geneigd zich af te zonderen als 'het uitverkoren volkje', of als 'de ware zuivere kerk' en schrijft het merendeel van de kerk en de gemeente af als 'wereld en verworpen hoop.' Hoe ziet Brienen de kerkelijke gemeente dan? Als 'belijdende en gelovige gemeente'. Brienen komt met verwerping van de z.g. 'kenmerkenprediking', 'onderscheidenlijke en bevindelijke prediking' als vanzelf tot een andere gemeentebeschouwing, waarbij men uitgaat van de veronderstelling dat de gehele gemeente als een geheel van ware gelovigen beschouwd moet worden. Brienen studeerde in Apeldoorn, deed zijn doctoraal grotendeels aan de vrijgemaakt gereformeerde Theologische Hogeschool in Kampen, en promoveerde bij de synodaal gereformeerde prof. dr. J. T. Bakker in Kampen.[23][24]

Christelijke Gereformeerde-Kerk Poederoijen
Christelijke Gereformeerde Kerk Ouderkerk aan de Amstel
Christelijke Gereformeerde Kerk Ede

Huidige theologische positie en discussies[bewerken | brontekst bewerken]

Heden ten dage kenmerken de Christelijke Gereformeerde Kerken zich door een zeer grote verscheidenheid op het gebied van theologie, liturgische gebruiken en levensstijl. Evenals andere orthodox-gereformeerde kerkverbanden houdt de synodale lijn van de Christelijke Gereformeerde Kerken vast aan het gezag van de Bijbel als zijnde het door God geïnspireerde Woord, en de leer zoals samengevat door de algemeen christelijke en gereformeerde belijdenis geschriften de (Drie Formulieren van Enigheid): de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels. De uitleg van de Bijbel gaat volgens de beginselen van de gereformeerde hermeneutiek. "De gereformeerde Schriftbeschouwing of hermeneutiek wil rekenen met tijd en cultuur van toen en van nu maar niet zo dat de cultuur gaat heersen over het gegeven Woord. De uitleg van de Bijbel vraagt om een vergelijking van Schrift met Schrift. Zij houdt daarbij rekening met de geschiedenis van het heil in de voortgang van het Oude naar het Nieuwe Testament." Maatschappelijk-ethische thema's op basis van de beginselen van de christelijke ethiek [waaronder ook de omgang met actuele thema's als abortus, euthanasie, en praktiserende homoseksualiteit]. Deze verschijnselen die in de Grieks-Romeinse wereld (hellenistische cultuur) ook al voorkwamen, heeft het vroege christendom altijd afgewezen en hier primaire waarden van het christelijk geloof tegenover gezet: de beschermwaardigheid van het leven, omdat het door God geschapen is, en huwelijkstrouw als een verbond tussen één man en één vrouw waaruit vruchtbaarheid kan voortkomen.[25] Het huwelijksverbond is een centraal thema in de Bijbel waarmee ook de band tussen Christus en Zijn gelovigen wordt afgebeeld. De norm koppelt men niet los van het aspect van de liefde. Binnen de kaders van Schrift en belijdenis erkent men wel een zekere ruimte voor 'vrijheid van het geweten.' Dit betreft zogenaamde 'middelmatige' zaken die niet de kern van het geloof raken. Een onderwerp zoals 'wel of niet vaccineren' zou hier onder kunnen vallen. Daarnaast kent men ook het reformatorische principe van 'vrijheid van exegese.' Dit principe kan ook toepasbaar zijn in zaken die niet de kern van het geloof raken, maar niet in zaken waarvan men van mening is dat de Bijbel helder spreekt. Het kan ook gaan over zaken waarover men theologisch meer licht gekregen heeft. Over de reikwijdte van het principe 'vrijheid van exegese' is in de achterliggende decennia binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken wel steeds meer discussie ontstaan. Mede hierdoor zijn binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken over tal van onderwerpen verschillende meningen aan het ontstaan.

Discussie rondom schepping en evolutie[bewerken | brontekst bewerken]

Op een congres op 22 september 2017 dat plaatsvond naar aanleiding van het boek van de theoloog Gijsbert van den Brink, En de aarde bracht voort, spraken de hoogleraren Eric Peels en Arnold Huijgen zich uit tegen de opvatting dat de Bijbel dwingend een jonge aarde zou veronderstellen.[26] De hoogleraren kiezen met deze stellingname voor de lijn die door prof. Oosterhoff in de jaren vijftig al werd uitgezet. In De Wekker van 22 mei 2015 zette ds. P.L.D. Visser evenwel grote vraagtekens achter de poging tot harmonisatie van schepping en evolutie door Van den Brink. Met name de staat der rechtheid, de zondeloze staat van vóór de zondeval zonder lijden en dood is volgens hem onmogelijk te rijmen met een ontwikkelingsproces van evolutie, waarbij sprake is van gevecht om overleving.[27]

Discussie over homoseksualiteit en homoseksuele relaties[bewerken | brontekst bewerken]

In 2013 namen de Christelijke Gereformeerde Kerken een besluit over homoseksualiteit en homoseksuele relaties. In 2003 kwam dit onderwerp – naar aanleiding van een appelzaak – op de tafel van de classis Zwolle. De synode van 2007 besloot een studiecommissie in te stellen die een kerkelijke uitspraak moest voorbereiden. Uiteindelijk heeft de generale synode 2013 een uitspraak gedaan op basis van een studierapport. Daarbij heeft de synode ook een handreiking voor kerkenraden gepubliceerd. Verscheidene kerken vroegen een revisie van dat besluit aan. De Generale Synode 2016-2017 is echter gebleven bij het oorspronkelijke besluit: "Homoseksualiteit is een gevolg van de gebrokenheid van de schepping. De Heere gaf het huwelijk, [als een verbond tussen één man en één vrouw] waarbinnen de gave van seksualiteit beleefd mag worden." Iemand die te worstelen heeft met homoseksuele gevoelens is als persoon niet zondiger als iemand die heteroseksueel geaard is want alle mensen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Romeinen 3: 23. Wel zet het geloof in Jezus Christus "ook de seksualiteit in een nieuw kader van de verlossing in Hem." "Wie gelooft, zal door de Heilige Geest vernieuwd worden. Bij die vernieuwing hoort ook de strijd tegen zondige verlangens." [28]

Discussie over de vrouw in het ambt in verband met samenwerking andere kerken[bewerken | brontekst bewerken]

Dr. B. Loonstra (Gouda) diende op de classis ’s-Gravenhage een voorstel in om de 'CGK-kerken vrij te laten' of zij wel of niet de ambten voor vrouwen open stellen'. Volgens ds. Egas (Bewaar het Pand) is de vrouw in het ambt toelaten evenals homorelaties echter 'zonde' en 'gaat in tegen de Schrift'. De predikant zal dat niet verdragen binnen zijn kerkverband. Wat moet binden is volgens hem 'het gezag van de Bijbel' en de 'daarop gegronde uitspraken van de synode'. De voorstanders dienden het kerkverband in zijn ogen te verlaten.[29]

Discussie hermeneutiek en herformulering belijdenisgeschriften[bewerken | brontekst bewerken]

In 2019 verscheen het boek Lezen en laten lezen, Gelovig omgaan met de Bijbel geschreven door professor dr. A. Huijgen, hoogleraar systematische theologie aan de Apeldoornse Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Het boek werd door een jury bestaande uit recensenten van Trouw en het Nederlands Dagblad genomineerd als theologisch boek van het jaar 2019. Deze prijs werd uitgereikt tijdens de Nacht van de Theologie, op 16 november 2019. Huijgen wilde in het boek een poging doen om uit de groeiende tegenstellingen van bijbeluitleg uit te komen rondom gevoelige thema's. Behalve waardering kreeg dit boek ook kritiek uit de rechterflank van de Christelijke Gereformeerde Kerken [Bewaar het Pand], de Hersteld Hervormde Kerk[30], de Gereformeerde Gemeenten[31], de Gereformeerde Gemeenten in Nederland evenals in behoudend vrijgemaakte kring. Ds. J.M.J. Kieviet (emeritus-predikant van Renswoude) liet blijken in De Wekker dat 'de verschuivende visie op de Heilige Schrift hem verontrust'. 'Onder het mom van een andere hermeneutiek moeten we anders gaan denken over de oorsprong van de mens en de plaats van de vrouw in de gemeente.'[29]

Liturgie[bewerken | brontekst bewerken]

Liturgisch zijn er grote verschillen binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken in de eredienst. In de behoudende gemeenten worden alleen psalmen gezongen onder begeleiding van het orgel. In veel andere gemeenten worden psalmen uit moderne berijmingen gezongen, zoals die uit het Liedboek voor de kerken. Naast de psalmen worden in veel kerken ook gezangen en liederen gezongen uit bundels zoals Opwekking, Op Toonhoogte, en Weerklank. Vaak worden de liedteksten daarbij geprojecteerd door een beamer. De meeste liederen worden begeleid met het orgel, soms ook met de piano.

Liederen[bewerken | brontekst bewerken]

Voor 2004 werd op synodaal niveau een selectie aan liederen goedgekeurd voor de gemeentezang. Sinds 2004 is er de vrijheid om liederen te zingen mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Een van die voorwaarden is dat de liederen wat betreft de inhoud moet passen bij de klassieke gereformeerde belijdenis. Een andere voorwaarde is dat de liederen wat betreft de vormgeving passen binnen de gereformeerde liturgie. Deze formulering is opgesteld om te voorkomen dat iedere nieuwe bundel of nieuw lied opnieuw beoordeeld moet worden en vermeld moet worden op een lijst met goedgekeurde liederen of een zwarte lijst. Hierdoor is het mogelijk om selectief gebruik te maken van meerdere bundels. De christelijke gereformeerde kerken kennen geen eigen kerkboek of liedboek.

Rapport Stijlvol samenkomen[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens het rapport Stijlvol samenkomen dat onder verantwoording van de synode werd uitgegeven in 2012 "zijn er geen principiële redenen om binnen het raam van het wezen van de eredienst geen variatie aan te mogen brengen in vormgeving en uitingen in de eredienst. Gewaakt dient te worden voor oppervlakkigheid." "Door het toegenomen opleidingsniveau en mondiger opvoeding, zijn er mensen die geen genoegen willen nemen met eenrichtingsverkeer. Men wil zelf een bijdrage leveren aan de eredienst door bijvoorbeeld een getuigenis, het uitspreken van een gebed of door muziek. Aan deze tendensen kan worden tegemoet gekomen als er draagvlak voor is in de gemeente. Daarbij mag nooit de persoon in het midden van de belangstelling komen te staan. Bij een getuigenis dient het te gaan om Gods werk, het gebed moet tot stichting dienen en muziek zal tot Gods eer dienen te zijn." [32] Binnen de rechterflank van de Christelijke Gereformeerde Kerken gaat men met een dergelijke invulling van de eredienst niet mee.

Dans en drama[bewerken | brontekst bewerken]

In 2013 werden de kerken voor de vraag gesteld in hoeverre het passend is uitingen van de huidige cultuur zoals dans en drama een plek te geven in de gereformeerde eredienst. De Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken oordeelde in 2017 dat hiervoor onvoldoende Bijbelse grond te vinden is.[33]

Kindernevendienst[bewerken | brontekst bewerken]

In een groot deel van de Christelijke Gereformeerde Kerken is er een kindernevendienst of wordt er zondagschool gehouden tijdens de kerkdienst. In 2019 plaatste de Apeldoornse professor Maarten Kater vraagtekens achter het gebruik van de kindernevendienst. Kater stelde zijn publiek de vraag: "Als wij met onze kinderen verschijnen voor het aangezicht van de Heere, sturen we de kinderen dan niet te gemakkelijk weg? Vaak wordt gedacht dat kinderen in de eredienst alles moeten kunnen begrijpen. Dat is een eenzijdig beeld. Denk ook eens aan de affecten, de genegenheden en de indrukken in een kinderziel. En wie is niet verwonderd als hij merkt dat een kind veel van de preek heeft opgevangen?" In zijn voordracht knoopte Kater aan bij de aanduiding 'godsdienstoefening', zoals de kerkdienst vroeger vaak werd genoemd. "Dat is een mooi woord. Het oefenen van wat de Heilige Geest wil werken, gaandeweg tijdens het luisteren. Dat vraagt ook iets van de prediker: hij moet geen onbegrijpelijke taal gebruiken of steeds hetzelfde zeggen".[34]

De vrijheid van plaatselijke kerken en het christelijk-gereformeerd profiel[bewerken | brontekst bewerken]

De onderlinge verscheidenheid binnen de kerken is voor een groot deel het gevolg van de vrijheid die de synode gegeven heeft aan de plaatselijke kerken. De Christelijke Gereformeerde Kerken blijken echter uiteen te groeien in een bijna onhoudbare spagaat "waarbij de linker- en de rechterflank in de kerk elkaar niet meer verstaan." Op plaatselijk niveau wordt [waar afgeweken wordt van de synodale norm] "de binding met het kerkverband minder en men begrijpt de historisch gegroeide regelingen niet of willen die niet meer. "Veel gemeenten die willen afwijken van de synodale lijn, beroepen zich op de vrijheid waarbij men aangeeft "dat de opbouw en eenheid van de gemeente ermee worden gediend."

Synodaal protest[bewerken | brontekst bewerken]

Vanuit de synodale hoek klinkt steeds meer protest daar men van mening is, dat sommige kerken zich in hun opvattingen en praktijken plaatsen buiten de kaders "die de Generale Synode biddend, met geopende Schriften en na onderlinge gesprekken besluit als bindend heeft vastgesteld voor de kerken." Volgens ds. P.D.J. Buijs, preses van de laatst gehouden generale synode is er binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken "sprake van een normatief standpunt over [bijvoorbeeld een heet hangijzer als] de vrouw in het ambt". Prof. Herman Selderhuis, hoogleraar kerkgeschiedenis en kerkrecht stelde tijdens een landelijke ambtsdragersvergadering op zaterdag 30 maart 2019: "Dus kun je niet zomaar bepaalde dingen toelaten of gedogen. Gemeenten die eigenmachtig besluiten vrouwelijke ambtsdragers te benoemen, stellen zich buiten de kerk." Vanuit de linkerzijde stelt men daar tegenover: "dat de CGK samenwerking sterk gestimuleerd heeft [met de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt en Nederlands Gereformeerde Kerken] en verantwoordelijk zijn voor het feit dat deze [samenwerkings]gemeenten ontstaan." [35] Het is opmerkelijk dat zowel de behoudende richting als de progressieve stroming zich beroept op 'de eenheid'. De progressieve stroming op basis van 'eenheid in verscheidenheid' met in achtneming van de 'vrijheid van exegese' en de behoudende richting op 'eenheid in de waarheid.'

Gereformeerde traditie[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens de Apeldoornse professor Herman Selderhuis "willen de Christelijke Gereformeerde Kerken gereformeerd zijn." "Gereformeerd hangt nauw samen met de oude trits sola gratia, sola scriptura en sola fide." "Sola scriptura: de Schrift als norm en bron", "ook als die anders spreekt dan wat ik wil horen en dan wat past bij de cultuur." "In het beginsel sola fide (alleen door het geloof) zit de rijke traditie van het leven in de vreze des Heeren". "We kunnen over geloof spreken dat het onbereikbaar wordt, dat het onmogelijk wordt om aan behoud te denken. Wie die kant op wil moet maar eens lezen wat de reformatorischen van de Nadere Reformatie en de Puriteinen daar echt over geschreven hebben. Maar veel erger nog is het als de noodzaak van geloof niet eens meer genoemd wordt. Of dat er zoveel gesproken en gezongen wordt hoe mooi het is dat ik geloof, dat mijn geloof meer eer krijgt dan mijn God en de vraag of ik wel het ware geloof heb niet eens meer gesteld mag worden." "En dan als derde sola gratia. Gereformeerd is niet: ik heb gevonden, maar ik ben gevonden. Dan gaat het over verkiezing, over de rijkdom die in de Dordtse Leerregels beschreven wordt. Niet over de wens eens gevonden te worden, maar over de zekerheid van het gevonden zijn."[36]

Stromingen[bewerken | brontekst bewerken]

Naast de hieronder meer in detail beschreven 'rechtervleugel' en 'linkervleugel' bestaat er in de Christelijke Gereformeerde Kerken ook nog een flinke 'middengroep'.

De rechtervleugel (Bewaar het pand)[bewerken | brontekst bewerken]

Door een bezorgde groep predikanten werd [om te voorkomen dat meer 'behoudende' predikanten en gemeenten het kerkverband zouden verlaten] in 1966 de Stichting Bewaar het Pand opgericht. Tegelijkertijd vormde een stimulans dat [behalve voorgangers en gemeenten het kerkverband verlieten] ook weer gemeenten en voorgangers uit bevindelijk-gereformeerde kring zich tijdens deze periode bij de Christelijke Gereformeerde Kerken aansloten waaronder ds. R. Kok in 1956 met de gemeenten Veenendaal, Westzaan en Mijdrecht, alsmede de gemeente Sliedrecht (1962) met ds. J. Overduin. [Later ook de zustergemeente van Sliedrecht in Rotterdam-Kralingen met ds. P. Overduin in 1980]. Bij de oprichting van Bewaar het Pand waren betrokken ds. P. Sneep (1916-1976), ds. M.C Tanis (1929), ds. G. Blom (1905-1992), ds. H.C. van der Ent (1918-1997), ds. D. Slagboom (1926-1997), ds. R. Kok (1890-1982), ds. H. van Leeuwen (1906-1988) en ds. M. Baan (1905-1973).

De 'panders' willen vast houden aan een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking waarin aandacht geschonken wordt aan persoonlijke toepassing van het heil. Deze prediking sluit in hun ogen het meest aan bij het beginsel van de Christelijke Gereformeerde Kerk [1892].[37] Professor L.H. van der Meiden, jarenlang hoogleraar aan de Theologische School van de Christelijke Gereformeerde Kerken, heeft met enige regelmaat over de inhoud van het woord bevinding geschreven, en geeft daaraan de volgende definitie: "Bevinding is dat wat de ziel ondervindt als de Geest werkt in het hart, de liefde van Christus het hart vervult, de verzoening met God genoten wordt, maar ook: wat gelovigen missen en lijden in duisternis en twijfel en doormaken in verachtering der genade en bestrijding, naar de Schrift."

Binnen de rechtervleugel handhaaft men het gebruik van de Statenvertaling omdat men van mening is, dat deze vertaling, hoewel een statig karakter en mindere vlotte lezing, nog steeds de meest betrouwbare vertaling uit de grondtalen (Hebreeuws en Grieks) is. Moderne of meer hedendaagse Bijbelvertalingen worden veelal beoordeeld als ‘minder juiste weergave van de grondtekst’ of ‘diepte van de woorden in de grondtaal is weg-vertaald’. Dit laatste kan relevant zijn, wanneer het gaat om discussies op theologisch of ethisch gebied.[38] Ondanks de handhaving van de Statenvertaling in de eredienst gebruiken veel leden (en met name de jongeren) uit deze kerken thuis niet meer deze - voor hen vaak moeilijke - vertaling. Het bezwaar tegen de herziene Statenvertaling [HSV] bestaat voornamelijk hieruit, dat men van mening is 'dat hier geen sprake is van een herziening maar van een nieuwe vertaling die in veel gevallen nog verder gaat dan de NBG vertaling van 1951.' De HSV zou een vrijere vertaling bevatten ten koste van de letterlijke vertaling. Men is van mening dat er sprake is van 'inhoudelijke theologische verzwakkingen als gevolg van de herziening'. 'De Statenvertaling staat in nauw verband met het verstaan van de gereformeerde belijdenisgeschriften'. 'Wie overstapt op de Herziene Statenvertaling zal eerder vervreemd raken van het geestelijk en theologisch gedachtegoed dat schittert in de Statenvertaling en de gereformeerde belijdenisgeschriften.'[39]

Wat betreft de liturgie wil men niet meegaan in de uitbreiding van het aantal gezangen. Men wil blijven bij de enige gezangen die behoren bij de psalmberijming van 1773. De gezangenkwestie is een discussie die al heel lang speelt binnen het Nederlands protestantisme. Met name in de periode rondom de Afscheiding van 1834 is er veel strijd over gevoerd.[40] Ook het aantal muziekinstrumenten wil men niet uitbreiden, men blijft het orgel verkiezen. Het gebruik van populaire muziekinstrumenten of stijl wordt afgewezen, evenals een alternatieve invulling van de eredienst in plaats van de prediking. Ten opzichte van bepaalde gebruiken zoals de kindernevendienst is men heel kritisch. Men ziet deze verschijnselen als in strijd met het karakter van de eredienst, namelijk ‘het komen voor Gods aangezicht’. De prediking behoort centraal te staan in het midden van de gemeente en kinderen horen daarbij óók aanwezig te zijn.[41]

Men is geen voorstander van eenheid met de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt of Nederlands Gereformeerde Kerken. Behalve bezwaren die vanouds gelden tegen de prediking, spelen nu vooral ook bezwaren een rol tegen de theologisch-progressieve richting waarin deze kerkverbanden zich ontwikkelen. Men oriënteert zich in dit opzicht liever op de Hersteld Hervormde Kerk. Ds. A.A. Egas riep de Gereformeerde Gemeenten op om predikanten vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerken waarmee geestelijke herkenning bestaat op de kansels binnen dit kerkverband toe te laten. De Bewaar het Pand-richting binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken werkt op tal van terreinen samen met gelijkgezinden. Dat bleek bijvoorbeeld bij de interkerkelijke samenwerking bij de totstandkoming van De Bijbel met uitleg. Dit is een editie van de Statenvertaling zoals uitgegeven door de Gereformeerde Bijbelstichting met uitleg van moeilijke woorden en verzen en illustraties.

Christelijke Gereformeerde Kerk Vianen

Het midden[bewerken | brontekst bewerken]

Veel gemeenten behoren niet tot de linker of de rechter vleugel, maar behoren tot het midden. Deze gemeenten zijn niet heel progressief, maar ook niet zo conservatief als de groep rond Bewaar het Pand. In deze gemeenten kan men zowel de Statenvertaling als de Herziene Statenvertaling gebruiken en zingt men uit één of meerdere psalmberijmingen en selectief uit meerdere zangbundels. De bundel Weerklank is in deze middengroep in opkomst. Een vertegenwoordiger van deze middengroep was onder andere de bekende ds. Jan Hendrik Velema (1917-2007). Velema stond aan de wieg van de Evangelische Omroep, de Reformatorische Politieke Federatie, en het opinieblad Koers. Daarmee nam hij een andere afslag als zijn rechtse broeders rondom Bewaar het Pand die zich steeds meer op de Staatkundig Gereformeerde Partij gingen richten en het initiatief tot oprichting van het Reformatorisch Dagblad steunden. Niettemin liet Velema wel blijken beducht te zijn voor remonstrantse invloeden vanuit bijvoorbeeld de ‘evangelische beweging’ waarbij onder meer sprake zou zijn van een oppervlakkig spreken over zonde en genade. Volgens hem mogen wij niet beginnen met te zeggen: ‘God heeft u lief; Christus is voor u gestorven’. Het invullen van onze naam bij Johannes 3: 16 is geen vanzelfsprekendheid. Ook andere predikanten binnen deze ‘middengroep’ geven aan evenals ‘de panders’ de nodige zorgen te hebben over de ontwikkelingen binnen de kerken.[42] De middengroep van de Christelijke Gereformeerde Kerken is vergelijkbaar met de positie van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk Nederland.

Kristlik-Grifformearde tsjerke Sigerswâld-De Wylp
Christelijke Gereformeerde Kerk Urk

De linkervleugel[bewerken | brontekst bewerken]

Binnen de linkervleugel van de Christelijke Gereformeerde Kerken wil men ruimte voor progressieve theologische opvattingen (vrouw in het ambt, acceptatie van gelijkgeslachtelijke relaties in liefde en trouw etc.). Er zijn onder hen veel samenwerkingsgemeenten met (veelal progressieve) gereformeerd-vrijgemaakte kerken of Nederlands gereformeerde kerken.

Vanuit de progressieve hoek klinkt de roep om meer vrijheid betreffende liturgische vernieuwing (dans en drama in de eredienst). Door velen van hen wordt de Nieuwe Bijbelvertaling uit 2004 gebruikt, hoewel dit door de landelijke synode is ontraden. Ook klinkt uit deze hoek zo nu en dan kritiek op de gereformeerde belijdenisgeschriften (Heidelbergse Catechismus, Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels). Een vertegenwoordiger uit de progressieve hoek is dr. B. Loonstra momenteel verbonden aan de Christelijke Gereformeerde Kerk van Gouda. Deze predikant schreef meerdere boeken die opschudding teweeg brachten binnen de kerken. Van zijn hand verscheen onder meer: ‘Hij heeft een vriend. Homorelaties in de christelijke gemeente’. Mede op grond van de woorden uit 1 Korinthe 10 "Alles is mij geoorloofd", bepleitte Loonstra dat aan "homoseksuele relaties in liefde en trouw" binnen de gemeente van Christus ruimte gegeven zou moeten worden. Tegen deze opinie zijn bezwaren ingebracht dat een dergelijke exegese of uitleg van een Bijbeltekst geen recht doet aan het geheel van de Bijbel.

Christelijke Gereformeerde Kerk Gouda

Kerkelijke organisaties[bewerken | brontekst bewerken]

De Christelijke Gereformeerde Kerken kennen landelijke deputaatschappen en commissies.

Theologische Universiteit[bewerken | brontekst bewerken]

De kerken hebben een eigen Theologische Universiteit te Apeldoorn. Hier studeren rond de honderd studenten. Daarnaast zijn er ongeveer dertig mensen die een eigen studieroute volgen. Ook zijn er rond de 25 promotiestudenten, die deels uit het buitenland komen. De Theologische Universiteit heeft nauwe contacten met de Theologische Universiteit te Kampen, onder andere door middel van een gezamenlijke onderzoeksgroep (BEST, Biblical Exegesis and Systematic Theology).[43]

In 2017 gaf de synode geen groen licht voor fusie tussen de eigen Theologische Universiteit Apeldoorn met de universiteit van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt te Kampen en de predikanten opleiding van de Nederlands Gereformeerde Kerken. Dit is opmerkelijk omdat de CGK-synode zelf opdracht heeft gegeven tot een onderzoek naar een intensieve vorm van samenwerking. Op de achtergrond van dit besluit spelen de ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt mee, zoals de recente openstelling van 'de vrouw in het ambt' als gevolg van moderne hermeneutische inzichten (Bijbeluitleg).

Op 7 januari 2020 werd het Research Center Puritanism and Piety (ReCePP) opgericht. Dit onderzoekscentrum gaat uit van het Hersteld Hervormd Seminarium (HHS), gevestigd aan de Vrije Universiteit Amsterdam en de Theologische Universiteit Apeldoorn. ReCePP werkt onder andere samen met het Puritan Research Center (PRC) dat onderdeel uitmaakt van het Puritan Reformed Theological Seminary (PRTS) in Grand Rapids. Daarnaast wordt samengewerkt met Hapdong Theological Seminary in Zuid-Korea, dat een soortgelijk centrum heeft opgericht.

ReCePP wil een impuls geven aan het onderzoek van reformatorische bewegingen in de vroegmoderne tijd (1500-1800) zoals het puritanisme, nadere reformatie en piëtisme. Deze kennis wil het centrum voor kerk en samenleving toegankelijk maken. In de wetenschappelijke adviesraad van het centrum hebben onder andere Prof. dr. W. van Vlastuin, Prof. dr. H. Selderhuis, Prof. dr. F. van Lieburg, Dr. R. Bisschop en Prof. dr. Andreas J. Beck zitting.

Jeugdwerk[bewerken | brontekst bewerken]

De beide vleugels binnen het kerkverband kennen hun eigen jeugdwerk. Vanouds is er het CGJO (Christelijke Gereformeerde Jongeren Organisatie), maar de progressieve koers van deze jongerenorganisatie leidde in de jaren tachtig van de vorige eeuw tot de oprichting van een conservatieve tegenhanger, het LCJ (Landelijk Contact Jeugdwerk). Deze organisaties werken apart, maar op projectbasis ook samen.

Publicaties[bewerken | brontekst bewerken]

De officiële publicatie van de Christelijke Gereformeerde kerken is De Wekker, die tweewekelijks verschijnt. Daarnaast zijn er het blad Doorgeven (dit geeft een beeld van het werk in de zending, evangelisatie en hulpverlening) en Vrede over Israël.

Uit de Levensbron[bewerken | brontekst bewerken]

Eerst wekelijks en later tien maal per jaar wordt er in de prekenserie Uit de Levensbron een bundel met vier preken uitgegeven door de stichting ''Uit de Levensbron''. Professor Jacob Jan van der Schuit name in 1925 het initiatief voor een prekenserie. Na enige strubbelingen met het aantal abonnees verscheen de eerste jaargang in 1927. De redactie werd gevoerd door de predikanten Jan Hovius en H. Biesma. In het begin ging een deel van de opbrengst naar de emeritikas van het kerkverband. In de eerste jaren van de uitgave wilden niet alle predikanten een bijdrage leveren. Naast de 'vrije stoffen' werden er ook drie series catechismus preken gedrukt. De laatste twee series verschenen wel onder een andere redactie dan die van Uit de Levensbron. In de oorlogsjaren mocht de drukker van de bezetter geen papier meer gebruiken voor het drukken van Uit de Levensbron. Pas in 1947 verscheen de prekenserie weer. Vanaf 1985 werd het uitgeven van Uit de Levensbron ondergebracht in stichting.[44] Tot 1985 werd er iedere week een preek verzonden naar de abonnees. In 1985 wijzigde dit en werd er tien maal per jaar een bundel van vier preken naar de abonnees verzonden.

Recente ontwikkelingen[bewerken | brontekst bewerken]

Samenwerking met andere kerken[bewerken | brontekst bewerken]

Met de Nederlands Gereformeerde Kerken hebben de Christelijke Gereformeerde Kerken inmiddels al jaren een nauwe betrekking, evenals met de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. Plaatselijk is er vaak sprake van samenwerking, op enkele plaatsen ook met de voormalige Gereformeerde Kerken in Nederland (nu onderdeel van de Protestantse Kerk in Nederland). Met name vanuit de behoudende vleugel van de Christelijke Gereformeerde Kerken is er veel kritiek op de recente veranderingen binnen de NGK en GKV, zoals de openstelling van de kerkelijke ambten voor vrouwen. Dit zet verdere samenwerking onder druk.

In 2010 besloot de CGK-synode kanselruil met predikanten uit de Hersteld Hervormde Kerk mogelijk te maken. De synode van de Hersteld Hervormde Kerk besloot in 2012 dat ook in omgekeerde richting toe te staan.[45]

In 2013 gaf de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken toestemming om predikanten uit de Protestantse Kerk Nederland die Schrift en de gereformeerde belijdenis in ere houden voor te laten gaan op de Christelijke Gereformeerde kansels. Van een brede openstelling van kansels voor predikanten vanuit de Protestantse Kerk Nederland is echter geen sprake, ook niet van het erkennen van elkaars attestaties zonder meer.

Gevolgen van de secularisatie[bewerken | brontekst bewerken]

De secularisatie gaat aan de Christelijke Gereformeerde Kerken niet voorbij.[46] Sinds de jaren negentig laat het ledental een dalende lijn zien. Deze dalende lijn is deels het gevolg van overgangen van leden naar andere kerken (zowel naar links als naar rechts), alsmede vergrijzing en algehele kerkverlating.

Het zondagse kerkbezoek neemt af, met name van de tweede dienst op zondag. De tweede (middag of avond) dienst op zondag is onder meer door de Dordtse Synode (1618-1619) aangewezen als ‘leerdienst’, waarbij de behandeling van de Heidelbergse Catechismus een plaats hoort te krijgen. In de morgendienst behandelt men in de regel een willekeurig tekstgedeelte uit de Bijbel.

Het aantal plaatselijke gemeenten neemt af, van 189 in het jaar 2000 naar 180 begin 2014. In de laatste jaren zijn er een aantal plaatselijke gemeenten, bijvoorbeeld in Zwartsluis, Rotterdam-West en Vlissingen opgeheven, andere gemeenten zijn (noodgedwongen) samengegaan met een andere gereformeerde kerk in de regio, zoals in Doesburg. Laatst opgeheven gemeente is Nieuw-Amsterdam, een relatief kleine gemeente met ongeveer 100 zitplaatsen. In de jaren 70 en 80 zat het kerkgebouw op zondag nog vol.

Anderzijds zijn er in de grote steden steeds meer gemeenten die een 'doorstart maken', hierdoor ontstaan zogenaamde zendingsgemeenten. Deze gemeenten richten zich vaak op een bepaalde (allochtone) doelgroep en kunnen een evangelist hebben in plaats van een predikant. Vaak zijn deze zendingsgemeenten ook lid van het ICP-netwerk, dat staat voor International Church Plants.

Een vertekend beeld van de kerkverlating komt ook door de CGK Zwolle die, tegen de landelijke trend in, sterk groeiende is. Zonder deze CGK gemeente (ca. 5000 leden en gastleden; 6% van het geheel) ziet de ledentaldaling landelijk er negatiever uit

Invloed vanuit de evangelische beweging[bewerken | brontekst bewerken]

De Christelijke Gereformeerde Kerken worden beinvloed door de evangelische beweging’ zowel wat betreft de vormgeving (liedcultuur) van de eredienst als de beleving van het geloof. Keerden velen zich na de Tweede Wereldoorlog tegen 'bevinding' en 'subjectiviteit' in de prediking, tegenwoordig gaat de ontwikkeling juist de andere kant op, namelijk extra aandacht voor gevoel en ervaring. Deze ontwikkeling is te verklaren als een reactie op enerzijds het rationalisme binnen de kerken met te weinig aandacht voor het persoonlijke geloofsleven en anderzijds het verlangen van mensen op een eigentijdse en praktische wijze het christelijke geloof te beleven. Ook spelen motieven een rol dat men de drempel 'kerk en wereld' zo laag mogelijk wil houden om de aansluiting op de seculiere medemens niet te verliezen.[47][48]

Plaatselijke kerken[bewerken | brontekst bewerken]

Plaatselijke Christelijke Gereformeerde Kerken
Plaats Naam Aantal leden (2019) Jaar van ontstaan Huidige predikant(en) Ontstaan uit Gebruikte Bijbelvertaling Samenwerking Bijzonderheden
Aalsmeer De lijnbaankerk 1919 ds. M. Hogenbirk NBV
Aalten 1897 drs. D. (Dennis) van der Wal HSV Eerste predikanten J.W. Polman (1908-1910); A. Jansens (1910-1914); J. Tolsma (1915-1919); J. Reesink (1922-1927); J. van Dijken sr. (1934-1954)
Aarlanderveen 1897 Eerste predikanten G. Bos (1894-1897); G. Klumper (1898-1900)
Alblasserdam 1967 Gemeente is opgeheven
Alkmaar
Almelo 1894
Almere NBV
Alphen aan de Rijn[49] 1900 drs. A. Hoekman SV Eerste predikanten D.J. van Brummen art. 3 D.K.O. (1916-1919); idem pred. (1919-1922); J.D. Barth (1924-1928); P. Zwier (1929-1934); W. Baaij (1946-1956)
Ameide 1923 SV
Amersfoort 1893 Eerste predikanten L.H. Beekamp (1916-1922); G. Salomons (1923-1929); P. de Groot (1929-1933); J. Drenth (1937-1959)
Amersfoort-Vathorst
Amsterdam - Amstelgemeente
Amsterdam - De Bron
Amsterdam - Via Nova
Amsterdam-Noord 1910 (Noord)

1926 (Oost)

1898 (West)

J.M. (Jurjen) ten Brinke, Th. (Theodoor) Meedendorp
Antwerpen/Deurne drs. A.Th. (Anne) van Olst HSV
Apeldoorn (ICF) NBV
Apeldoorn-Centrum 1894 ds. B.A.T. (Arjan) Witzier NBV/HSV
Apeldoorn-Oost ds. A. (Aart) Brons NBV
Apeldoorn-Zuid Vacant NBV
Arnhem ds. M.W. (Rien) Vrijhof NBV Gefuseerd met NGK
Assen
Assen-zoekt
Baarn 1894 Eerste predikanten G. Molenaar (1929-1925); K. Groen (1925-1927); J. de Bruin (1929-1932); L. Kraan (1933-1945); W. Ruiter (1953-1967)
Barendrecht 1898 Vacant SV
Bennekom-Oosterbeek drs. G. (Geurt) van Roekel HSV
Beverwijk-Westzaan Vacant HSV
Biezelinge 1916 drs. A.G.M. Weststrate HSV
Boskoop 1900 drs. P.A.C. (Pieter) Boom
Breda 1946 HSV
Broek op Langedijk 1896 Eerste predikanten A. van der Heijden (1900-1904); G. Oosterhuis (1905-1910); J. de Bruin (1913-1922); J. Drenth (1926-1937); D. Biesma (1939-1942); D. Henstra (1945-1953)


Momenteel Christelijke Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt (CGKV) Broek op Langedijk

Broeksterwoude-Andreas 1925 Vacant SV
Broeksterwoude-Petrus 1925
Bunde/Meerssen drs. J. (Jan) Bosch
Bunschoten 1895 P.W.J. (Willem-Jan) van der Toorn HSV
Culemborg 1868 drs. H.C. (Henric) Bezemer HSV Tussen 1895 en 1897 gediend door W. Vermeer (naar art. 3 D.K.O)
Damwoude 1900 drs. A.A. (Anton) Egas

ds. P. (Piet) Roos (em)

SV
Dedemsvaart 1927 Vacant
Delft 1899 Vacant NBV Eerste predikanten L.H. Beekamp (1902-1906); G. Molenaar naar art. 3 D.K.O. (1906-1909); A. Jansens (1909-1910); J. Bos (1912-1923); J.A. Riekel (1934-1944); J.G. van Minnen (1945-1948); H. van Leeuwen (1949-1952)
Delfzijl 174 1981 Vacant NBV/HSV
Den Haag 1892 (Centrum)

1934 (Oost)

1931 (West)

ds. M. (Maarten) Groen

drs. C. van Atten (em)

ds. G. Leendertse (em)

drs. J. van Mulligen (em)

Eerste predikanten (Centrum): J. Wisse Czn. (1892-1906); T.A. Bakker (1906-1923); L.H. van der Meiden (1927-1928)

Eerste predikanten (West); J.W. van Ree (1933-1934); N. de Jong (1934-1946); L.S. den Boer (1946-1958)

Eerste predikanten (Oost): J.P. Geels (1945-1950)

Den Helder 1907
Deventer 1898 ds. E. (Evert) Everts Gefuseerd met NGK en GKV
Doesburg 64 1896 Vacant
Dokkum 1923
Doornspijk Rehoboth 330 1933 ds B.L.C. Aarnoudse SV Predikanten: J. van Doorn (1963-1973), P. van Zonneveld (1977-1984), J. H. van Dijk (1986-1989), D. Slagboom (1990-1995) G. Bouw (1995-2004).
Dordrecht-Centrum 1892 SV Eerste predikanten: ds. D.J. van Brummen (1896-1903); ds. A. van der Heijden (1904-1909); ds. M. den Boer (1910-1915); ds. L.H. van der Meiden (1917-1927)
Dordrecht-Zuid 1963
Drachten 1909
Driebergen 1921 ds. K. (Klaas) Visser SV
Drogeham 1930
Dussen
Ede ds. A. (Arie) Versluis HSV
Eemdijk ds. S. (Sander) Griffioen HSV
Eindhoven 1929 Eerste predikanten: A. Gruppen (1935-1942); B. Nederlof (1943-1948); D. van Wilsum (1949-1952); W.H. Velema (1953-1961)


Regelmatig zijn er gecombineerde diensten met de NGK (waarmee we al tientallen jaren een zusterrelatie hebben) en er is ook al enige jaren kanselruil met de GKV aan de Orionstraat.

Elburg 1847 ds. J. (Jan) de Bruin SV
Emmeloord 1951
Emmen 540 1953 ds. H.J. Vazquez NBV
Enschede-Oost
Enschede-West ds. A.S. (Aart-Jan) de Jong
Ermelo 1933 Eerste predikanten: H. van Leeuwen (1940-1946); J. van Doorn (1948-1958)
Franeker 250 1925 Gefuseerd met GKV (per 1 januari 2016) Eerste predikanten: M. Holtrop (1926-1933) M.W. Nieuwenhuijze (1933-1939); Jac. Overduin (1940-1946); W. Meijnhout (1948-1960)
Genemuiden 268 1981 HSV
Gorinchem 1929 Eerste predikant was ds. P. de Groot (1933-1938)
Gouda ds. B. (Bert) Loonstra Tussen 1895-1897 bediend door ds. H.A. Minderman (1856-1933)
's-Gravendeel
's-Gravenhage-Scheveningen 1946 ds. W.L. van der Staaij SV
's-Gravemoer
's-Gravenzande[50] 1916 ds. A. (Arie) Voorwinden HSV Eerste predikanten: D. Driessen (1917-1928); G. Salomons (1929-1932); H. Velema (1934-1945); D. Slagboom (1955-1961);
Groningen 2025 1893 Eerste predikanten: G. Oosterhuis artikel 3 D.K.O (1896-1902); idem pred. (1902-1903); H.J.L. de Vries (1904-1909); H.C. Binee (1918-1919); H. Biesma (1918-1929); J. Jongeleen (1930-1932); A.H. Hilbers (1932-1937); K.G. van Smeden (1938-1950); W. Heerma (1950-1956); Joh. Prins (1953-1963)


Momenteel samenwerking met Nederlands Gereformeerde Kerk Haren

Haamstede Vacant NBV
Haarlem-Goede Herderkerk Haarlem-Centrum (1893)

Haarlem-Noord (1928)

Eerste predikanten (Centrum): J. Schotel (1893) en 1896-1904); J. van der Vegt (1904-1908); J.W. Geels (1911-1921); W. Bijleveld (1921-1938); J. Prins (1935-1947); W.F. Laman (1939-1944); M. Holtrop (1946-1952) J.P. Geels (1953-1976)


Gemeenten zijn per 2003 samengevoegd

Haarlem-Het Open Huis
Hardenberg
Harderwijk ds. W. N. Middelkoop HSV
Harlingen 1893
Hasselt Vacant
Hattem
Heerde ds. H.M. (Rien) Mulder HSV
Hengelo (Ov)
's-Hertogenbosch 1972 Vacant HSV
Hillegom 1921
Hilversum 1907 Vacant NBV Gefuseerd met GKV
Hoofddorp 1994
Hoogeveen 1313 1904
Hoorn
Huizen 1932 ds. C. de Jong HSV Eerste predikanten: J. Rebel (artikel 3 D.K.O), ds. J.G. van Minnen (1937-1945); ds. J.A. Riekel (1946-1948); ds. J.G. van Minnen (1948-1952); ds. C. den Hertog (1953-1956); ds. F. Bakker (1956-1959)
IJmuiden
Kampen
Kantens
Katwijk aan Zee 1945 ds. M.A. (Rien) Kempeneers SV
Kerkwerve Pniëlkerk drs. A.D. (Arjan) Fokkema SV
Kornhorn 502 1903 Eerste predikanten W.F. van der Kodde (1905-1911); M. Koomans (1913-1923); W. Kremer (1926-1932)
Leerdam 285 1915 drs. J. van Walsem SV Tijdens het verblijf van oefenaar D.L. Aangeenbrug verliet in 1941 een groot deel van de gemeente het kerkverband. De gemeente wist een doorstart te maken. Pas na 1969 kreeg deze gemeente weer nieuw elan toen ds. P. van Zonneveld naar de glasstad kwam.
Leeuwarden 1893
Leiden drs. A.J. van der Toorn
Lelystad drs. S.P. (Peter) Roosendaal
Lisse
Lutjegast
Lutten 1892
Maarssen
Maassluis 1893 Ds. M. (Mark) Bot HSV
Meerkerk Vacant SV
Meppel
Middelburg ds. E.B. (Bert) Renkema
Middelharnis 1931 Ds. G.R. (Gerald) Procee SV
Midwolda 1895 Vacant HSV
Mijdrecht
Mussel
Naarden 1943 Vacant SV Eerste predikanten: M.S. Roos (artikel 3 D.K.O. (1946-1951), K. Bokhorst (1952-1964); ds. B. de Romph (1969-1975); G.J. Buijs (1981-1989)
Nieuw-Amsterdam 1895
Nieuwegein
Nieuwe Pekela 1910 HSV
Nieuweroord/Nieuw-Balinge 1957
Nieuwkoop SV
Nieuwpoort 1899 ds. G.J. (Geert Jelle) Post SV
Nieuw-Vennep 1895 ds. D.J. (Daan) van Vliet HSV
Nijkerk Ds. J.J.G.(Jorne) de Boer HSV
Nijmegen
Noordeloos 1836
Noordscheschut 1957
Nunspeet ds. P.D.J. (Peter) Buijs HSV
Nunspeet-Ichthus ds. J.G. (Han) Schenau HSV
Onstwedde 1912 HSV
Oosterbeek
Opperdoes 1902 Vacant HSV
Oud-Beijerland 1895 Vacant HSV
Ouderkerk a/d Amstel Ds. W.J. (Willem-Jan) van Gent SV
Oud-Vossemeer 1946 Vacant SV Eerste predikant was ds. J. van Doorn (1958-1963) gecombineerd met Tholen
Papendrecht ds. Stoffer Otten
Poederooijen Vacant SV
Purmerend
Putten
Ridderkerk 1962 Vacant HSV
Rijnsaterwoude 1906
Rijnsburg 1911 Eerste predikanten: J. van der Vegt (1912-1916); J.L. de Vries (1918-1928); N. de Jong (1931-1934); M. Baan (1935-1937); N. Brandsma (1945-1954)
Rotterdam-Alexanderpolder 2003
Rotterdam-Centrum 1892 Eerste predikanten F.P.L.C. van Lingen (1892-1894); H.A. Minderman (1897-1899); W.F. van der Kodde (1900-1901); A. Janssens (1903-1905); H.A. Minderman (1906-1911); P. de Groot (1913-1929)
Rotterdam-Charlois 1954
Rotterdam-Kralingen 1930 / 1980 Ds. A.J.T. Ruijs SV
Rotterdam-Oost/Capelle a/d IJssel
Rotterdam-West 1926 Predikanten: N. Bijdemast (1923-1930); K. Groen (1930-1943); W.F. Laman (1944-1956); H.C. van der Ent (1958-1961); H. van Leeuwen (1962-1968), H.H. de Haan (1984-1988); W. van Sorge (1997-2011) Gemeente is opgeheven.
Rotterdam-Zuid 1926 NBV
Rozenburg (ZH) 1908 NBV Gefuseerd met de GKV te Voorne.
Sassenheim 1924 NBV
Scherpenzeel
Siegerswoude-De Wilp 1960
Sliedrecht (Bethelkerk) 1894 SV
Sliedrecht (Eben-Haezerkerk 1962 HSV
Sneek 1906 Eerste predikanten: M. Koomans (1908-1913); B. van den Berg (1915-1923); J. Hovius (1924-1927); A.M. Berkhoff (1931-1933); J.C. Maris (1937-1941); W. Ruiter (1945-1953); N. Brandsma (1954-1959)
Soest[51] 1923
Spijkennisse 1967 Ds. J. (Arjan) van den Os HSV
St. jansklooster Vacant HSV
Stadskanaal
Steenwijk Eben Haëzerkerk 1893 ds. K. (Koen) Jonkman
Surshuisterveen
Thesinge Vacant
Tholen[52] 1946 Vacant SV Eerste predikant (CGK) was ds. H. van Leeuwen (1946-1949)
Ulrum[53] 1895 Vacant HSV Eerste predikant was ds. M. Holtrop (1923-1926)
Urk (Eben-Haëzer) Eben-Haëzer

Pniël

1894 ds. A.C. (Alwin) Uitslag

Ds. A. (Adri) van Heteren

SV
Urk (Maranatha) Maranatha

De Schuilplaats

Immanuelkerk

1976 ds. H. (Henk) Polinder

ds. H. (Hein) Korving

ds. J. (Hans) van Vulpen

SV
Urk (Ichthus) Ichthuskerk 2005 ds. H.K. Sok

ds. R. (Remco) de Jong

HSV
Utrecht-Centrum 1892 drs. M. (Mark) Bergsma Eerste predikanten: J. Schotel (1893-1896); ds. H.M. van der Vegt (1896-1906); Joh. Janssen (1907-1917); A.M. Berkhoff (1918-1924); G. Wisse (1925-1928); P. de Smit (1929-1946); B.J. Oosterhoff (1945-1954); D. Biesma (1954-1962); A. Bikker (1960-1971); W. van 't Spijker (1962-1972)
Utrecht-West 1948 HSV
Veendam-Wildevank Vacant NBV
Veenendaal (Bethel) 1896 ds. Leo Buijs Eerste predikanten: H. Visser (1907-1915); J.A. Riekel (1915-1920); P.J. de Bruin (1923-1947); R. Slofstra (1949-1954); W. Heerma (1956-1961)
Veenendaal (Pniël) Pniëlkerk 1956 ds. F.W. (Floremco) van der Rhee HSV Gemeente is met ds. R. Kok in 1956 overgegaan tot de Christelijke Gereformeerde Kerken (voorheen Gereformeerde Gemeenten). Hierna gediend door J. Keuning (1959-1968)
Veenwouden 1930 De streekgemeente begon op 27 juni 1917 als Vrije Gereformeerde Evangelisatie Vereeniging. Op 20 oktober 1930 bevestigde ds. A. Gruppen uit Zwaagwesteinde twee ouderlingen en een diaken. Ouderling J. Hamstra kreeg permissie om te preken. Na zijn emigratie in juli 1948 werd hij predikant in Canada. In Feanwâlden was hij samen met de latere ds. J. Keuning ouderling.
Vianen 1928 SV
Vlaardingen[54] 1908 ds. C.J. (Kees) Droger HSV
Werkendam 1911 Drs. D. (Daniel) Bos SV
Winschoten 1962 ds. G. (Gurbe) Huisman
Woerden 1893
Zaamslag 1912 Vacant SV
Zeewolde 1995 ds. J.W. (Wim) Wüllschleger
Zeist 1838 Drs. J. (Jelle) Hoefnagel
Zierikzee (Kerkgebouw heeft geen naam) 1836 ds. J. (Jan) van Langevelde HSV
Zoetermeer 1980
Zuidlaren 1982
Zutphen 1914 Eerste predikant ds. G.W. Alberts (1923-1929)
Zwaagwesteinde 1916 Eerste predikant ds. A. Gruppen (1926-1935)
Zwijndrecht 1918
Zwolle 1895

Bekende personen[bewerken | brontekst bewerken]

Bekende personen uit de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerk[en] in Nederland[bewerken | brontekst bewerken]

  • Johannes Schotel (Dordrecht, 1 juli 1825- 9 april 1914), predikant Bergambacht (1872), Dinteloord (1873), Alphen aan den Rijn (1875), Scheveningen (1881), Haarlem (1883), Utrecht (1893) Haarlem (1896)
  • Hendrik Marinus van der Vegt (Zwolle, 12 september 1831 - Utrecht,1 juni 1915) Onderwijzer in Zwolle [kerkte bij ds. D. Klinkert Geref. Kerk o/h Kruis Zwolle en ontving theologisch onderwijs van kruisdominee J. Plug], Predikant Bierum (1863), Arnhem (1868), Heerde (1878), Utrecht (1896). Maakte tweemaal een Vereniging mee [1869 en 1892]. In 1869 ging ds. Van der Vegt wel mee, maar in 1892 niet. Publiceerde in 1895 een brochure tegen de leer van de veronderstelde wedergeboorte. Schreef veel verhalen voor de jeugd.
  • Dirk Jan van Brummen (Arnhem, 7 november 1825 - 25 november 1902), Oefenaar Arnhem (1856) [Geref. Kerk o/h kruis]; Predikant Arnhem 1857; Katendrecht (1867); Woerden (1869); Oud-Beijerland (1872); Dordrecht (1876). Maakte tweemaal een Vereniging mee [1869 en 1892] In zowel 1869 en 1892 ging ds. Van Brummen mee. Van de laatste vereniging kreeg ds. Van Brummen echter al spoedig spijt en sloot zich alsnog aan bij het smaldeel dat in 1892 christelijk-gereformeerd gebleven was.
  • Dirk Jan van Brummen jr. (Arnhem, 15 februari 1862 - 29 december 1946) Lerend ouderling Alphen aan den Rijn (1916); Predikant Alphen aan den Rijn (1919); Boskoop (1922); Driebergen (1924) emeritus 1940.
  • Frederik Philip Louis Constant van Lingen (1832-1913), predikant, docent Theologische School (specialiteit: klassieke talen)
  • Jacobus Wisse Czn. (Oostkapelle, 9 oktober 1843 - 21 augustus 1921) Predikant Dordrecht (1873); Sliedrecht (1875); 's-Gravenhage (1879); docent Theologische School (1894); predikant Zierikzee (1906); emeritus 1920)
  • Jan van der Vegt (Bierum, 5 december 1863 - Harderwijk 16 maart 1929), Studie voor onderwijzer, hoofd christelijke school Zwartenbroek (Gereformeerde Kerken) [ontslagen vanwege verzet neo-gereformeerde leer en overgang naar de Chr. Geref. Kerk 1897] Voorganger Chr. Geref. Kerk Zaandam (1897), predikant Zaandam (1900); Doesburg (1901), Haarlem (1904); Harderwijk (1908); Rijnsburg (1912); Kampen (1916); Harderwijk (2de maal) (1920); emeritus 1923. Werkte mee aan de prekenserie Uit de Levensbron en schreef tweewekelijks in De Banier 'stichtelijke overdenkingen'.
  • Adam van der Heijden (Waddinxveen, 10 mei 1865 - 18 juli 1927), predikant Broek op Langedijk (1900); Dordrecht (1904) docent Theologische School (1909) (specialiteit: ambtelijke vakken)
  • Pieter Johannes Marie de Bruin (Voorschoten, 1 februari 1868 - 13 juli 1947), Studie in Kampen afgebroken na vereniging 1892, Studie voortgezet bij ds. J. Wisse Czn. in Den Haag. Reizend predikant Chr. Geref. Kerk (1893); Apeldoorn 1895); docent Theologische School (specialiteit: Kerkgeschiedenis en Kerkrecht)
  • Franciscus Lengkeek ('s-Gravenhage, 7 oktober 1871 - Apeldoorn 11 mei 1932), predikant Harlingen (1903); Enschede (1907); Amsterdam (1909); docent Theologische School (1914) (specialiteit: Exegese Oude en Nieuwe Testament, canoniek en Hermeneutiek). Publiceerde regelmatig in De Wekker en het zendingsblad Uw Koninkrijk Kome.
  • Berend van den Berg (Kampen, 4 juli 1878 - 16 januari 1955), Werkzaam als onderwijzer, Predikant Vlissingen (1911), Sneek (1915), Den Helder (1923); Maassluis (1927); emeritus (1931)
  • Leendert Huibert van der Meiden (1882-1962), predikant en docent Theologische School (specialiteit: exegese Oude en Nieuwe Testament)
  • Lambertus Hendrikus Beekamp (Apeldoorn, 28 november 1872 - 4 januari1960), predikant Delft (1906); Arnhem (1906), Amersfoort (1916), Rozenburg (1922); Harlingen (1925); Meppel (1929); emeritus (1943) [hij was een zwager van ds. P.J.M. de Bruin, schreef diverse catechisatieboekjes over de geloofsleer en de geschiedenis van Christelijke Gereformeerde Kerk].
  • Gerard Wisse (1873-1957), predikant [Gereformeerde Kerken in Nederland] Gouda, Amsterdam-Overtoom, Leiden, Driebergen, Kampen, Bodegraven, Driebergen (1898-1920), predikant [Christelijke Gereformeerde Kerken] Arnhem, Utrecht, (1920-1928) docent aan de Theologische School (specialiteit: filosofie, apologetiek, homiletiek) (1928-1936), predikant Amsterdam-Oost, Middelburg (1936-1946), In brede reformatorische kring bekend geworden als [tijd]redenaar.
  • Jan Jongeleen (1879-1961), predikant
  • Hedde Biesma, (Deinum 1882 - Groningen 1929) Studie voor onderwijzer, hoofd Christelijke Gereformeerde School in Sneek (1912), predikant Groningen (1918-1929).
  • Jacob Jan van der Schuit (1882-1968), predikant en docent Theologische School (symboliek en ethiek)
  • Arie Marinus Berkhoff (1885-1944), predikant. In 1933 ging hij over naar de Vrije Evangelische Gemeenten vanwege zijn opvattingen omtrent het duizendjarig rijk.
  • Reinier Kok (Hoenkoop, 13 oktober 1890 - 16 december 1982), Predikant Aagtekerke 1915) [Gereformeerde Gemeenten], Gouda (1925); Veenendaal (1930); Ging in 1956 met een groot deel van zijn gemeente in Veenendaal over naar de Christelijke Gereformeerde Kerken, Ede (1958); Alphen aan den Rijn (1962), Ameide (1966); Nijkerk (1968); emeritaat 1979. [Specifieke literatuur: 'Wie was ds. R. Kok eigenlijk?' (door R. Valkenburg) 'Maar wij hoorden niet', het leven en de prediking van ds. Reinier Kok (1890-1982) in historisch perspectief (door W. van der Zwaag, 2015)]
  • Cor van Dis sr. (1893-1973), scheikundige en politicus Staatkundig Gereformeerde Partij
  • Simon van der Molen (1893-1986), predikant, (65 jaar predikant geweest binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken), curator Theologische Hogeschool, mederedacteur van de prekenserie Uit de Levensbron.
  • Maarten Geleijnse (1893-1985) een van de eerste zendingspredikanten van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Indonesië
  • Cornelis van der Zaal (Sassenheim, 11 april 1893 - 7 mei 1976), predikant Deventer (1921); Ulrum (1944); Harlingen (1951), lid van de Tweede Kamer voor de Anti-Revolutionaire Partij (1933-1959)[55], predikant 's-Gravenmoer (1960-1976).
  • Wijtze Bijleveld (Tietjerksteradeel [Bergum],4 maart 1896- Haarlem, 18 november 1938), predikant Haarlem-Centrum (1921-1938), Hij was onder meer curator aan de Theologische School
  • Willem Kremer (1896-1985), predikant en hoogleraar (Nieuwe Testament en ambtelijke vakken), Hoewel hij geen homiletiek schreef, heeft hij een generatie predikanten gevormd. Een van zijn thema’s was het geven van geestelijke leiding in de prediking. Zijn werk wordt nog altijd gebruikt aan de Theologische Universiteit Apeldoorn en aan het seminarie van de Hersteld Hervormde Kerk.
  • Cornelis Smits (1898-1994), predikant en lid Eerste Kamer voor de Staatkundig Gereformeerde Partij
  • Arie Bikker (Noordeloos 1 maart 1898 - 16 december 1977) Zendingspredikant Torajaland Indonesië, Amsterdam- West (1948); Zwolle (1956); Utrecht-Centrum (1960) [zendingssecretaris]; emeritus (1971)
  • Lieven Stoffel den Boer (1898-1979), predikant, curator Theologische School, veelzijdig auteur kerkelijke bladen, preken en brochures
  • Jan Hovius (1900-1979), predikant en hoogleraar (specialiteit: Kerkgeschiedenis en Kerkrecht)
  • Willem Ramaker (1903-1943), predikant Harlingen (1931), Kampen (1934) Publiceerde regelmatig in div. kerkelijke bladen, traktaten en brochures. [Door de nazi's omgebracht tijdens W.O. II.]
  • Nicolaas Brandsma (1904-1998) Predikant Bunschoten (1930), Wildervank (1936), Harderwijk (1940), Rijnsburg (1945), Sneek (1954), Nieuw-Amsterdam (1959), Sliedrecht (Eben-Haëzerkerk, 1963), Ermelo (1967), emeritaat (1971). Meer dan 65 jaar predikant geweest binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken.
  • Maarten Baan (Sliedrecht, 8 augustus 1905 - Driebergen, 7 juni 1973), predikant Rijnsburg (1935) Bussum (1937) Dordrecht (1946) Zeist (1962) medegrondlegger Gereformeerde Bijbelstichting veelzijdig auteur kerkelijke bladen, preken en brochures.
  • Wigger Heerma, (Dokkum, 20 januari 1908- Soest, 20 april 1985) Predikant Aalsmeer (1931); Zeist (1938), Rotterdam-Centrum (1944), Groningen (1950), Veenendaal (1956), Nunspeet (1961), Enschede-Oost (1965), Utrecht-Noord (1968), emeritaat (1973) en hulpprediker Soest. In 1953, op de synode van Utrecht, die drie hoogleraren zou benoemen, kwam zijn naam voor bij de befaamde „drie drietallen" en wel voor het vak dogmatiek. Vlak na de oorlog verscheen zijn brochure: De Verbondsleer der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland.
  • Marinus Willem Nieuwenhuijze (Vlissingen, 1909 - Mijdrecht 2002) Predikant Franeker (1933), 's-Gravenhage-Centrum (1939), Amsterdam-West (1954), Delft (1964), Mijdrecht (1974). Meer dan 65 jaar predikant geweest binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken.
  • Jacob Cornelis Maris (1910-2000) Predikant Sneek (1937), Oud-Beijerland (1941), Haarlem-Noord (1946), Haarlem-Noord art. 6 K.O. (secretariaat van de International Council of Christian Churches) (1954)
  • Berend Jakob Oosterhoff (1915-1996), predikant Drachten (1941), Utrecht (1945), hoogleraar (1954) (specialiteit: Oude Testament)
  • Frans Bakker (Wolphaartsdijk, 19 maart 1919 - Driebergen, 2 januari 1965), predikant Huizen (1956), Driebergen (1959) Bekend geworden in brede reformatorische kring mede door zijn boekje 'Gebedsgestalten'.
  • Jan Hendrik Velema ('s-Gravendeel 18 augustus 1917 - Nunspeet 14 augustus 2007), Predikant Steenwijk (1940), Bunschoten (1946), Zwolle (1951), Apeldoorn-Centrum (1955) Nunspeet (1975) emeritus (1986) Bekend geworden als radiopresentator en omroepvoorzitter (Evangelische Omroep), medeoprichter van politieke Partij (Reformatorische Politieke Federatie)
  • Jan van Genderen (1923-2004), predikant en hoogleraar (systematische theologie)
  • Wim Velema (Drachten, 15 november 1929 - Apeldoorn 18 april 2019), predikant Eindhoven (1953), Leiden (1961), hoogleraar (1966), emeritus 1-2-1996. (Specialiteit: Nieuwe Testament, ambtelijke vakken, ethiek)
  • Johannes Pieter Versteeg (1938-1987), Predikant Wormerveer, Doctoraal examen Vrije Universiteit Amsterdam, hoogleraar Theologische School Christelijke Gereformeerde Kerken (Specialiteit: Nieuw Testamentische vakken en missiologie)
  • Rik Valkenburg(1923-1994), Schrijver & publicist

Personen met een zekere bekendheid door publicaties of activiteiten binnen en buiten eigen kring [huidige kerkelijke context][bewerken | brontekst bewerken]

  • Jan van Amstel (Huizen, 9 april 1936). Predikant Middelburg (1965) Enschede-West (1971) Ede (1978). Ds. Van Amstel was binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken lid van meerdere generale synoden en deputaatschappen. Ook in het bredere verband van de gereformeerde gezindte was hij actief, binnen de Stichting Geestelijk Lied Gereformeerde Gezindte, de Stichting Herziene Statenvertaling, de Stichting Mediawijzer en bij de Reformatorische Omroep.[56]
  • Piet Roos (Utrecht, 29 oktober 1938) Predikant Nijkerk (1964), Middelharnis (1967), Harderwijk (1973), Utrecht Noord/West (1981-1995) , Damwoude (1995), emeritus (2006), Voorzitter Bewaar het Pand, meer dan vijftig jaar predikant in de Christelijke Gereformeerde Kerken
  • Arie Baars (Sliedrecht, 3 september 1947), Studeerde klassieke taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit te Leiden Predikant en emeritus-hoogleraar (ambtelijke vakken) Predikant Urk (Eben Haëzer (1974), Dundas [Canada, Free Reformed Church] (1981); Middelharnis (1988). Doctoraalexamen theologie aan de Theologische Universiteit te Apeldoorn met als hoofdvak dogmatiek. Datzelfde jaar benoemde de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken hem tot universitair hoofddocent in de diaconiologische vakken aan de Apeldoornse universiteit, als opvolger van prof. dr. W.H. Velema. Emeritus 1 februari 2014
  • Cornelis Pieter de Boer (Gouda, 20 juli 1975) Predikant Werkendam (2003), Urk-Maranatha (2010), Sliedrecht (Beth-El) (2016) Promoveerde aan de Theologische Universiteit Apeldoorn (TUA) op proefschrift ”Christos Sunthronos”, een onderzoek naar de verwijzingen naar Psalm 110 in het Nieuwe Testament[57]
  • Paulus den Butter (1938), predikant, oud-eindredacteur Bewaar het Pand, [voormalig] columnist Reformatorisch Dagblad, veelzijdig auteur op gebied van theologie en exegese
  • Teunis Brienen (Werkendam, 17 april 1930), Predikant Mussel (1955)/bevestigd door prof. dr. J. van Genderen, Apeldoorn-Zuid (1962)/bevestigd door ds. J.H. Velema, Groningen (1967), Kampen (1976), Gorinchem (1982), Amersfoort (1990), Amsterdam-Nieuw-West (1994), emeritus 1-4-1997
  • Jaap Brons (1934), predikant
  • Anton Egas (1957), predikant, lid hoofdbestuur Staatkundig Gereformeerde Partij, lid stuurgroep uitgave van de Bijbel met uitleg
  • Gerard den Hertog (1949), predikant en emeritus-hoogleraar (dogmatiek en ethiek)
  • Adri van Heteren (1951), predikant, oud-partijvoorzitter van de Staatkundig Gereformeerde Partij, lid hoofdbestuur Gereformeerde Bijbelstichting
  • Bert Loonstra (Naarden, 1 mei 1956) Predikant Oud-Beijerland (1982), Hoogeveen (1993), Emmeloord (2003), Gouda (2012) Loonstra publiceert regelmatig theologische studies die bepaalde theologische thema's van een progressieve onderbouwing wil voorzien.
  • Arnold Huijgen (Amersfoort, 16 november 1978), Predikant Genemuiden (2007), hoogleraar (systematische theologie) Theologische Universiteit Apeldoorn. Vanaf 2004 was hij als AIO aan de TUA verbonden, per 2008 als universitair docent.
  • Maarten Kater (1962), hoogleraar (ambtelijke vakken) Theologische Universiteit Apeldoorn
  • Rien Kempeneers (1964), Predikant, Redactielid Bewaar het Pand
  • Jacob Marinus Johannes Kieviet (1950), predikant en columnist Reformatorisch Dagblad
  • Andries Knevel (Bussum, 1952), radio- en televisiepresentator (Evangelische Omroep)
  • Stefan Paas (1969), hoogleraar (missiologie) Theologische Universiteit Kampen, Theoloog des vaderlands (2018)
  • Steven Paas (1942), theoloog, auteur op gebied van Europese en Afrikaanse kerkgeschiedenis, en het 'Israëlisme'.
  • Eric Peels (1956), hoogleraar (Oude Testament) Theologische Universiteit Apeldoorn
  • Herman Selderhuis (1961), Predikant Hengelo (1987), Zwolle (1992) hoogleraar kerkgeschiedenis en kerkrecht aan de Theologische Universiteit Apeldoorn (1997), Rector Theologische Universiteit, Directeur Refo500, Columnist Reformatorisch Dagblad
  • Willem van 't Spijker (1926), predikant en (emeritus) hoogleraar Theologische Universiteit Apeldoorn (specialiteit: Kerkgeschiedenis en Kerkrecht)
  • Maarten Cornelis Tanis (Rotterdam, 30 januari 1929).Predikant Urk (1953), Middelharnis (1958), Barendrecht (1960), Sliedrecht-Centrum (1969), emeritus (1999). Meer dan vijftig jaar predikant binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken.
  • Arie van der Veer (1942), predikant en [voormalig] omroepvoorzitter (Evangelische Omroep)
  • Arie Versluis (1979), predikant, theoloog, hoofdredacteur van De Wekker, als onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Biblical Exegesis and Systematic Theology (BEST).
  • Jacob Westerink, (1939), predikant, [voormalig] voorzitter stichting "Smytegelt-fonds" (reveil-serie)

Bekende leden met een bijzondere maatschappelijke functie[bewerken | brontekst bewerken]

  • Klaas Bokma, [voormalig] hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad. Kerkelijk behoorde Bokma oorspronkelijk tot de christelijke gereformeerde kerk van Wildervank. In 1963 sloot hij zich aan bij de gereformeerde gemeente te Groningen. Toen in 1971 het Reformatorisch Dagblad werd gestart, werd Bokma directeur. Ongeveer tien jaar was Bokma ouderling in de Gereformeerde Gemeente van Apeldoorn. In 2003 verhuisde hij naar Veenendaal. Ze sloten zich aan bij de christelijke gereformeerde Pniëlkerk. Dat was de voormalige gemeente van ds. R. Kok, die in 1950 in de Gereformeerde Gemeenten werd geschorst en in 1956 met een groot deel van zijn gemeente christelijk gereformeerd werd. Bokma verklaarde hierover het volgende: „Goedbeschouwd zijn mijn christelijke gereformeerde wortels altijd een rol blijven spelen. In de Gereformeerde Gemeenten ben ik altijd een kokkiaan gebleven.” De overgang van Bokma naar de Christelijke Gereformeerde Kerken stond ook in verband met zijn optreden voor de Evangelische Omroep op 23 juni 2001. Het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten gaf aan hier moeite mee te hebben.[58]
  • Dick van Meeuwen (1954), Partijvoorzitter van de Staatkundig Gereformeerde Partij. Lid van het College van bestuur van het Van Lodenstein College en het Hoornbeeck College (tot eind 2020 wegens pensionering) en heeft gedurende zijn gehele loopbaan in het onderwijs gewerkt. Naast dit werk heeft hij verschillende politieke, bestuurlijke en maatschappelijke functies (gehad). Van Meeuwen is lid van de Christelijk Gereformeerde Bethel-El kerk te Sliedrecht waar hij ook het ambt van ouderling bekleedt.
  • Leen van Dijke (1955), politicus, Reformatorische Politieke Federatie (RPF) en de ChristenUnie.
  • André Rouvoet (1962), politicus, minister voor Jeugd en Gezin in kabinet Balkenende IV (Reformatorische Politieke Federatie, en de ChristenUnie), voorzitter zorgverzekeraars Nederland (2012)
  • Kees Boertien (1927-2002), politicus, lid van de Tweede Kamer voor de ARP/CDA (1965-1971 en 1973-1975), lid Europees Parlement (1967-1971), minister van Ontwikkelingssamenwerking in kabinet Biesheuvel (1971-1973), Commissaris der Koningin in de provincie Zeeland (1975-1992). Kees Boertien was de 1e Christelijke Gereformeerde minister, Aart Jan de Geus de 2e en André Rouvoet de 3e

Literatuur[bewerken | brontekst bewerken]

Historisch[bewerken | brontekst bewerken]

  • Bruin, P.J.M. de. Het voortbestaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk na 1892
  • Lingen, F.P.L.C. van Bij wie de schuld? Scheurmakerij of niet? 1895
  • Schuit, ds. J.J. van der Na vijf en twintig jaren, beginseltrouw contra beginselverzaking, (1919)
  • Heijden, docent A. van der., Lengkeek, F., Berkhoff, A.M., Molenaar, G. Toespraken op de eerste Schooldag der Christelijke Gereformeerde Kerk in Apeldoorn 6 mei 1920
  • Jongeleen, ds. J. De vereeniging der Chr. Geref. met de Doleerenden in 1892 inleidend woord van Prof. G. Wisse (1932)
  • Schuit, Prof. J.J. van der. Hendrik de Cock, de vader der Afscheiding, naast Luther en Calvijn (1933)
  • Does, dr. J.C. van der De Afscheiding in haar wording en beginperiode (1933)
  • Geels, Prof. J.W., P.J.M. de Bruin, G. Salomons, J.J. van der Schuit, J. Jongeleen, A.H. Hilbers, H. Janssen, L.H. van der Meiden, G. Wisse, Gedenkboek uitgegeven bij de herdenking der Afscheiding 1834 in opdracht van de Generale Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland (1934)
  • Ramaker, ds. W. Het beginsel der afscheiding en de Christelijke Gereformeerde Kerk (1934)
  • Meiden, ds. L.H. van der Een voorganger herdacht Leven en sterven van ds. J.W. van Ree Hillegersberg 24 februari 1890 - 4 april 1934 (1934).
  • Bruin, P.J. de. Levensbericht van Prof. P.J.M. de Bruin in leven hoogleraar aan de theologische school der Christelijke Gereformeerde Kerk Apeldoorn (1947)
  • Wisse, G. Memoires. Onvergetelijke bladzijden uit mijn levensboek (1953)
  • Kremer ds. W., ds. J.H. Velema, Toen en thans Geschiedenis Christelijke Gereformeerde Kerken in de periode 1892 - 1952 (Ds. H. Janssenfonds)
  • Hovius, J., W. Kremer 'k Zal gedenken Geschiedenis van de Theologische School (1894-1954)
  • Algra, H. Het wonder van de negentiende eeuw. Van Vrije Kerken en kleine luyden, (Franeker, 1965)
  • Ruiter, ds. W. De man in de schaduw. Ds. Van Lingen, strijder voor het christelijk middelbaar onderwijs en Kerkherstel (1965)
  • Bouwman, H., De crisis der jeugd. Enige bladzijden uit de geschiedenis van de kerken der Afscheiding. (z.j.) [heruitgave Kampen, 1976]
  • Praamsma, dr. L. De kerk van alle tijden. Verkenningen in het landschap van de kerkgeschiedenis deel III en IV (1980)
  • Drayer, M. e.a. En toch niet verteerd. Uit de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerken periode 1892-1982 (Kampen, 1982)
  • Cock, Hendrik de Verzamelde Geschriften 2 delen Voorwoord D. Deddens en W. van 't Spijker - Deze uitgave werd financieel gesteund door de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken in Nederland, De Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt), de Theologische Hogeschool van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, de Theologische School van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord Amerika - (1984)
  • Rasker, A.J., De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795. Geschiedenis, theologische ontwikkelingen en de verhouding tot haar zusterkerken in de negentiende en twintigste eeuw (Kampen, 1986)
  • Bakker, W. e.a. (red.) De Doleantie van 1886 en haar geschiedenis (Kampen, 1986)
  • Valkenburg, Rik, Wie was ds. R. Kok eigenlijk? (Veenendaal, 1989)
  • Spijker, Prof. dr. W. van 't. e.a. Een eeuw christelijk-gereformeerd periode 1892-1992 (Kampen, 1992)
  • Wolthuis, L.J. e.a. (red.) De Vereniging van 1892 en haar geschiedenis (Kampen, 1992)
  • Berg, Jaap de Het gaat ons slecht omdat het ons goed gaat, (in: Trouw, 5 september 1992)[59]
  • Ham, ds. H. Van der, Professor Wisse, aspecten van leven en werk (De Groot Goudriaan, 1993)
  • Ham, ds. H. Van der. Een wolk van getuigen, Portretten van Christelijke Gereformeerde predikanten A. van der Heijden (1865-1927); D.J. van Brummen, (1862-1946); J.A. Riekel (1869-1949); P. de Groot (1876-1959); K. Groen (1883-1943); D. Driessen (1879-1961); M.S. Roos (1897-1971); en W.F. Laman (1900-1964) (Goudriaan,1995)
  • Ham, ds. H. van der. Sions heil en troost, Overdenkingen van Christelijke Gereformeerde predikanten (F.P.L.C. van Lingen (1832-1913); J. Wisse Czn. (1843-1921); F . Lengkeek (1871-1912); H. Janssen (1872-1944) P.J.M. de Bruin (1868-1946); P. de Groot (1876-1959); R. Kok (1890-1982) (1997)
  • H. Natzijl, J. Mastenbroek, A. Bel, In Beeld gebracht. Twee eeuwen kerkelijk leven, (Houten, 1997)
  • Veenendaal, ds. J. Wat is christelijke gereformeerde prediking? De Kanselboodschap van 1953 voorzien van een toelichting (1997)
  • Koffeman, G., Visscher P. (Red.) De dagen van ouds Heruitgave verzameling preken van diverse Christelijke Gereformeerde predikanten (ds. M. den Boer (1870-1915), Ds. W.F. van der Kodde (1863-1943), Ds. M. Baan (1905-1973), Ds. A. Dubois (1898-1963), Ds. M. Koomans (1873-1924), Ds. L.H. van der Meiden (1882-1962), Ds. W. Ramaker (1903-1943), Ds. K. Zuidema (1875-1955), Ds. J. van der Vegt (1863-1915), Ds. G. Oosterhuis (1859-1945) (1997)
  • Brienen, dr. T. De Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, serie wegwijs en groeperingen (2002)
  • Selderhuis, J. Herman (Red). Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis Hoofdstuk 6 en 7 De 19de en 20ste eeuw (George Harinck en Lodewijk Winkeler) Uitgeverij Kok Kampen (2006)
  • Ham, ds. H. Van der. De minste der broederen, Portretten van Christelijke Gereformeerde predikanten Nicolaas de Jong, Maarten Baan, Pieter Sneep, Frans Bakker en lerend ouderling A. Van Rossum, Uitgeverij De Groot Goudriaan (2010)
  • Koffeman, G., Weerd, Ds. A. van de, Liefde voor het Woord, Leven en werk van Prof. L.H. van der Meiden (1882-1962) alsmede een selectie uit de van zijn hand verschenen meditaties in het jeugdblad Luctor et Emergo (2011) Met een inleiding verzorgd door Prof. A. Baars, Om Sions Wil (2011)
  • Ham, ds. H. van der. Ambtsbroeders, uit het leven van ds. F.P.L.C. van Lingen en J. Wisse (Zwijndrecht, 2016)
  • Os, A. van den. Is ds. Kersten een beetje boos op ons? Een onderzoek naar het conflict tussen ds. J.J. Jongeleen, Prof. J.J. van der Schuit met ds. G.H. Kersten periode 1928-1937 (bachelor scriptie)
  • Driel, dr. C.M. van. Consolidatie en crisis, De Christelijke Gereformeerde Kerk tussen 1918 en 1945 (Barneveld, 2018)
  • Folkers, D.H.J, ds. J. Westerink. Priesterlijke prediking (2 delen) Verzameld werk van ds. W. Kremer (1896-1985) (2019)
  • Driel, dr. C.M. van Een wereld op zichzelf, Prof. Gerard Wisse (1873-1957) (Heerenveen, 2020)

Leerstellig[bewerken | brontekst bewerken]

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]

Referenties[bewerken | brontekst bewerken]