Gereformeerde Gemeenten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gereformeerde Gemeenten
Ter Hoogekerk te Middelburg
Ter Hoogekerk te Middelburg
Indeling
Hoofdstroming Protestantisme
Richting Gereformeerd calvinisme
Voortgekomen uit Samenvoeging van Geref. Kerken o/h Kruis en Ledeboerianen in 1907
Afsplitsingen 1953: Ger. Gem. in Ned.
Aard
Locatie 152 gemeenten in Nederland, 28 gemeenten in Noord-Amerika, 1 gemeente in Zuid-Afrika en 1 gemeente in Nieuw-Zeeland (01-01-2017)
Aantal leden 107.650 leden in Nederland (1 januari 2017) 11.097 leden in N-Amerika (1 januari 2016) en 180 in Nieuw-Zeeland (1 januari 2016)
Karakter bevindelijk gereformeerd
Portaal  Portaalicoon   Christendom
Protestantisme

Titelpagina Statenvertaling

in Nederland

..Stromingen

Lutheranisme
Lutheranisme
Vrijzinnig-Protestantisme
Vrijzinnig protestantisme
Midden-orthodoxie
Protestantse Kerk in Nederland
Modern-Gereformeerd
Voortgezette Gereformeerde Kerken in Nederland
Orthodox Protestantisme
Calvinisme
Gereformeerd protestantisme
Orthodox-protestantisme
Orthodox Gereformeerd
Orthodox-gereformeerden
Bevindelijk Gereformeerden
Bevindelijk gereformeerden
Evangelisch
Evangelisch Christendom

Gereformeerde Gemeente te Barendrecht
Gereformeerde Gemeente te Tholen
Kerkzaal Jachin en Boazkerk te Genemuiden.

De Gereformeerde Gemeenten (GG), vormen een orthodox-protestants kerkgenootschap met 107.650 leden op 1 januari 2017.

Ontstaan[bewerken]

Het landelijk verband van de Gereformeerde Gemeenten is ontstaan in 1907 door een vereniging van de Kruisgemeenten (13 gemeenten), ontstaan uit de Afscheiding van 1834, met de Ledeboeriaanse gemeenten (23 gemeenten). Enkele groeperingen voortgekomen uit de Afscheiding van 1834 rondom o.a. ds. E. Franssen, ds. A. Verheij en ds. C. Van den Oever (v.n. kruisgemeenten) gingen in 1869 niet mee met de vereniging van de Kruisgemeenten met de Christelijke Afgescheiden Gemeenten tot de Christelijke Gereformeerde Kerk in 1869. Behalve deze Kruisgemeenten hadden zich ook de zogenaamde ‘Ledeboerianen’ afzijdig gehouden die hun naam dankten hun aan ds. L.G.C. Ledeboer.

Het lukte de 25-jarige ds. G.H. Kersten als predikant van Meliskerke deze groeperingen uit het isolement te halen en in 1907 samen te binden tot de Gereformeerde Gemeenten. Op 5 juni 1907 reikte men elkaar in Middelburg de hand en ontstond het nieuwe kerkverband. De naam van het officieel orgaan van de Gereformeerde Gemeenten is weekblad De Saambinder refereert naar deze gebeurtenis.

Geschiedenis[bewerken]

Ontstaan van de verschillende stromingen in Nederland
Ontstaansgeschiedenis van kerken in Nederland
1rightarrow blue.svg Zie ook Protestantisme in Nederland

De rol van ds. G.H. Kersten bij de vorming van het kerkverband[bewerken]

Ds. Kersten vervulde tot na de Tweede Wereldoorlog een centrale rol in het kerkverband. Veel gemeenten waren het naleven van een kerkorde niet meer gewend en daarom schreef hij in 1908 een brochure De Tucht in de Kerke Christi. Hierin stelde hij verschillende misvattingen over de kerkelijke tucht aan de orde. Verder besteedde hij aandacht aan de dogmatische profilering van het kerkverband. Zijn boek over de Heidelbergse Catechismus heeft een sterk dogmatisch karakter. Kersten gaf ook een toelichting op de Gereformeerde Dogmatiek uit waarvoor hij dankbaar gebruik maakte van de werken van vooraanstaande gereformeerde dogmatici als Herman Bavinck en Prof. Dr. A.G. Honig sr (werd in 1902 als opvolger van Bavinck benoemd tot hoogleraar te Kampen) en oudvaders als Joh. a Marck.

Belangrijk voor ds. Kersten was ook de oprichting van een eigen theologische school. Scherp wees hij de mening af dat predikanten niet moesten studeren, maar het van onmiddellijke ingeving moesten verwachten. Het was zijn bedoeling de theologische school tot een hoog niveau uit te bouwen, "gezien het hoge niveau van onze Gereformeerde vaderen" en zocht daarvoor voortdurend bekwame mensen. Zo was hij verheugd met de overkomst van de Christelijke Gereformeerde predikant ds. J.D. Barth, die een betere opleiding genoten had, maar om gezondheidsredenen niet in staat was lang te doceren. Later kwam hij in contact met de gereformeerde predikant dr. C. Steenblok in wie Kersten een mogelijke opvolger zag. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog is de stad Rotterdam een zwaartepunt van de Gereformeerde Gemeenten. Hier wordt dan ook de theologische school gevestigd (1926), naast de Boezemsingelkerk.

Ds. G. H. Kersten

In 1906 knoopte hij contacten aan met de Armeense zendingspredikant David Jacob Benjamin omdat hij ervan overtuigd was dat de kerk ten alle tijd de opdracht heeft om zending te bedrijven.

De hervormingen die ds. Kersten graag wilde doorvoeren voor het kerkverband verliepen niet altijd zonder enige strubbeling. Reeds in 1907 hield ds. L. Boone zich afzijdig van de voortvarendheid van ds. Kersten. Hij wilde bij het oude te blijven, “in de lijn van de godzalige ds. Ledeberg, ds. Van Dijke etc.” Hierdoor ontstonden de Oud Gereformeerde Gemeenten. Niet allen binnen het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten konden zich ook bijvoorbeeld vinden in de stichting van een theologische school. Ook over het stichten van eigen scholen en het actief bedrijven van politiek was discussie. Toch gelukte het ds. Kersten ook om in 1918 een Staakundig Gereformeerde Partij op te richten. Hiervoor wist hij ook buiten het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten mensen te mobiliseren o.a. uit de Nederlands Hervormde Kerk (ds. P. Zandt), en Christelijke Gereformeerde Kerk (ds. J. v.d. Vegt, ds. G. Salomons, ds. J.D. Barth e.a.) In 1926 waren er bovendien reeds veertien eigen lagere scholen. In 1930 verlieten de gebroeders Overduin vanwege een theologisch geschil de Gereformeerde Gemeenten, maar zij bleken uiteindelijk moeilijk met ds. Kersten door één deur te kunnen. In deze periode (1931) worden ook de zogenaamde leerstellingen van '31 opgesteld.

Positie van de Gereformeerde Gemeenten t.o.v andere kerkverbanden voor W.O. II[bewerken]

In 1909 richtten de Gereformeerde Kerken in Nederland namelijk een verzoek aan de Gereformeerde Gemeenten om te komen tot kerkelijke vereniging. Door bezwaren tegen de leer van de ‘veronderstelde wedergeboorte’ o.a. wezen de Gereformeerde Gemeenten dit verzoek vrijwel direct af.

Met de Christelijke Gereformeerde Kerk zag een vereniging er aanvankelijk positief uit, maar na verloop van tijd ontstond eind jaren twintig tot ver in de jaren dertig een hevige pennenstrijd over het genadeverbond. De Christelijke Gereformeerden waren zich aanvankelijk geen kwaad bewust wat betreft hun opvatting over het onderscheid tussen verlossingsverbond en genadeverbond en velen doceerden ook uit het gereformeerd handboek van de Amerikaanse predikant Heyns. Eind jaren twintig verscheen het catechisatieboekje van de Christelijk gereformeerde predikant J. Jongeleen. Op beide schrijvers had Ds. Kersten scherpe kritiek. De discussie verliep aanvankelijk rustig maar werd verscherpt door de wisselwerking Van der Schuit-Kersten en door de bemoeienis van buiten af, met name door dr. J.G. Woelderink.

Deze strijd liep uit op steeds meer verwijdering tussen beide kerkverband. De Gereformeerde Gemeenten spraken daarna nog herhaaldelijk uit “dat een vereniging met de Christelijke Gereformeerde Kerk niet kon, omdat zij de ‘drie-verbondenleer’ aanhangt”.

In de jaren 30 en 40 vertoont het kerkverband een snelle groei. Rotterdam-Centrum was in 1930 met circa 3.100 leden en doopleden de grootste gemeente van het kerkverband, vooral door aanwas van arbeiders afkomstig van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden. Van Alphens' Nieuw Kerkelijk Handboek uit 1930 meldt dat er in 1929 67 gemeenten waren met 26.380 leden en doopleden. Twintig jaar later - in 1949 - was het aantal gemeenten volgens het Kerkelijk Jaarboek toegenomen tot 140 en het aan­tal leden en doopleden tot 61.883. Dat was meer dan een verdubbeling van het aantal gemeenten en het ledenaantal met een gemiddelde groei van 6,7% per jaar. De groei is voor een groot deel te verklaren door de aanwas van gemeenteleden uit voornamelijk de Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken en de Christelijke Gereformeerde Kerk, waar de bevindelijke prediking gedurende de twintigste eeuw steeds meer aan terrein verloor. Ook de duidelijke dogmatische profilering van de Gereformeerde Gemeenten speelde een rol.

De aanloop naar de Scheuring van 1953[bewerken]

De oorlogsjaren gaven een tegenstelling te zien tussen de houding van Kersten tegen de Duitse bezetter en de houding van de Veenendaalse ds. R. Kok. Ds. Kersten werd na de oorlog zijn zetel in de Tweede Kamer ontnomen en in de SGP manifesteerde zich een oppositiegroep tegen hem, die vond dat het hoofdbestuur dubieuze zaken uit de oorlogsjaren al te zeer met de mantel der liefde wilde bedekken. Daartoe behoorde onder meer de Zeister predikant M. Blok. Allerlei persoonlijke tegenstellingen en theologische traden naar boven.

Dr. C. Steenblok[bewerken]

Ds. Kersten, wiens gezondheid minder werd, was zeer ingenomen met de overkomst van dr. C. Steenblok, die jarenlang predikant was in de Gereformeerde Kerken. Anderen waren echter minder ingenomen met de aanstelling van dr. Steenblok als docent aan de Theologische School in Rotterdam. Steenblok kreeg al spoedig allerlei belangrijke posten toevertrouwd. Hij was naast docent aan de Theologische School, ook behulpzaam bij het redigeren van de dogmatiek en catechismusverklaring van ds. Kersten en ook spoedig hoofdredacteur van De Saambinder. Deze snelle opgang viel niet overal in goede aarde, temeer omdat Steenblok zich theologisch ging profileren op een manier die lang niet ieders instemming had. Ds. Kok had zich vanaf het begin tegen de overkomst van Steenblok verzet en hij was niet de enige. Echter door de doctorstitel (hij was in 1941 aan de VU gepromoveerd) bleek een vruchtbaar dialoog met de meeste predikanten van de Gereformeerde Gemeenten die qua vooropleiding in die jaren vaak niet meer dan lagere school genoten hadden en dr. Steenblok niet gemakkelijk.

Dr. C. Steenblok

Discussie over de algemene genade[bewerken]

In de jaren dertig had de generale synode een uitspraak gedaan over het genadeverbond. Daarin werd, in de lijn van de belijdenis van Westminster, ‘het wezen van het verbond’ beperkt tot de uitverkorenen. Kersten, Kok en Fraanje konden zich daar allen in vinden.

Dat was niet zo met Steenbloks opvattingen over de ‘algemene genade’ die hij strikt wilde scheiden van het verlossingswerk van Christus, dat naar zijn mening uitsluitend waarde had voor de uitverkorenen. Dit standpunt riep verzet op, want in het verleden had men daar in de Gereformeerde Gemeenten niet als zodanig over nagedacht. Niettemin werd door de generale synode van 1945 de opvatting van dr. Steenblok overgenomen.

Ds. Kok, die vanwege zijn houding in de oorlogsjaren tegenover Kersten was komen te staan, raakte daardoor meer en meer in een isolement en in zijn gemeente in Veenendaal rezen bezwaren tegen zijn prediking. Deze bezwaarden vormden uiteindelijk een afzonderlijke gemeente. Na de dood van ds. Kersten werd ds Kok in 1950 geschorst wegens “vereenzelviging van Gods beloften met het aanbod van genade”. Volgens sommigen was Steenblok de motor van de actie tegen Kok, die lange tijd had kunnen rekenen op de steun van Fraanje. De verhouding tussen Kok en Kersten was voor de oorlog ook redelijk. Beiden stonden aan de wieg van de Staatkundig Gereformeerde Partij. Nog op de synode van 1947 zaten Kersten, Steenblok, Kok en Verhagen samen in het moderamen.

Aanbod van genade[bewerken]

De schorsing van Kok betekende echter niet de definitieve overwinning van de lijn-Steenblok. Op de Generale Synode van 1953 werd er scherpe kritiek geuit op dr. C. Steenblok als docent van de theologische school. De kritiek betrof het geven van eenzijdig onderwijs in de geloofsleer aan de studenten, met name in betrekking tot de leer van het 'aanbod van genade'. Steenblok had zich kritisch uitgelaten over een boekje dat in twee delen Engeland verschenen was in 1645 en 1649, genaamd The Marrow of Modern Divinity van Edward Fisher. Schotse theologen als Thomas Boston en de broers Ralph en Ebenezer Erskine zouden zich volgens Steenblok hebben laten beïnvloeden door dit boekje terwijl het naar zijn mening een dwaling bevatte. Deze oudvaders werden bekend als "Marrow men" en namen in 1742 in hun belijdenis op dat "alhoewel de verzoening en voldoening van Christus uitsluitend is voor de uitverkorenen, Hij toch wel is gestorven ten aanzien van de bereikbaarheid van zalig worden voor alle mensen". Zij maakten onderscheid tussen de gevende liefde Gods in Christus, die algemeen tot alle mensen uitging, en een verkiezende liefde die alleen de uitverkorenen betrof. Zo kwamen deze oudvaders tot een ruim aanbod van genade tot alle hoorders, zonder onderscheid. Dr. Steenblok had moeite met een 'ruim aanbod van genade aan alle hoorders' omdat hij vreesde dat men te gemakkelijk over de ellendekennis zou heenstappen. Zijn prediking kenmerkte zich niet zozeer door een sterke nadruk op de verkiezing, maar meer een benadrukken dat de wet, en daarmee de kennis van de ellende aan de prediking van het Evangelie voorafgaat.

Uit protest verlieten enkele predikanten de synode, waaronder de predikanten Aangeenbrug, Van de Ketterij en Mallan. Dr. Steenblok volgde hen. Vervolgens onthief de synode dr. Steenblok van zijn functie als docent "wegens diens eenzijdigheid in het geven van onderwijs". Zo ontstonden de Gereformeerde Gemeenten in Nederland Heden ten dage tellen de Gereformeerde Gemeenten in Nederland bijna 24.000 leden en doopleden (01-01-2012). Binnen de Gereformeerde Gemeenten spreekt men ook wel over de uitgetredenen. Binnen de Gereformeerde Gemeenten in Nederland spreekt men wederkerig over de synodalen.

Vóór de scheuring in 1953 telden de Gereformeerde Gemeenten 26 predikanten op 147 gemeenten, daarna nog maar 20 op 133 gemeenten. Later is het predikantentekort minder geworden, maar geheel verdwenen is het nooit.

Op een symposium ter gelegenheid van het 100-jarige bestaan van de Gereformeerde Gemeenten op zaterdag 6 oktober 2007 in Dordrecht hield ds. M. Golverdingen, predikant van de Gereformeerde Gemeenten een kerkhistorische lezing waarin hij de ontslagprocedure van dr. Steenblok onzorgvuldig en zelfs onwettig noemde. Wijlen ds. F. Mallan, toen nog de enige levende ooggetuige van deze geschiedenis, was blij met de uitkomst van het historisch onderzoek in opdracht van de commissie kerkelijke eenheid en verscheidenheid van de Gereformeerde Gemeenten naar de gebeurtenissen van 1953 'het eerherstel van dr. Steenblok'. maar zag dat er "tot op heden geen mogelijkheid is om nog weer tot hereniging te komen'.

1953 tot heden[bewerken]

Het uittreden van Steenblok en de zijnen leidde tot een relatieve openheid in de jaren zestig en zeventig. In de jaren zestig werd begonnen met zendingswerk in Irian Jaya, waaruit later de Gereja Jemaat Protestan di Indonesia is ontstaan. De eerste predikant die werd uitgezonden was Gerrit Kuijt. Later is men zendingswerk begonnen in Albanië, Ecuador, Nigeria en Zuid-Afrika.

Na Steenblok, die gepromoveerd was toen hij nog lid van de Gereformeerde Kerken in Nederland was, was Arie Vergunst de eerste predikant die een universitaire opleiding theologie voltooide. Vergunst was in de jaren zestig en zeventig diverse malen synodevoorzitter en doceerde aan de theologische school in Rotterdam.

In de jaren 60 en 70 werd het bevindelijk gereformeerde bevolkingsdeel beter zichtbaar in de samenleving, vanwege onder meer het afwijzen van televisie en het afwijzen van het dragen van broeken door vrouwen. Terwijl in de grote kerkgenootschappen tradities als het bedekken van het hoofd door vrouwen in de erediensten verdwenen, hielden ze in de bevindelijke gemeenten stand en vormden juist een kenmerk van deze groep. Opmerkelijk is dat juist de behoudende kerken als de Gereformeerde Gemeenten het best bestand bleken tegen secularisatie en een gestage groei vertoonden. Zo groeide dit kerkverband van 58.000 leden in 1953 naar 106.000 leden in 2012. Ondanks de groei kende het kerkverband een relatief grote uitstroom van leden, hetwelk gecompenseerd werd door het geboorteoverschot.

De Gereformeerde Gemeenten speelden als grootste kerkverband een centrale rol bij het oprichten van verschillende eigen organisaties als scholen en zorginstellingen. De groei van het bevindelijke gereformeerd bevolkingsdeel concentreert zich al decennia in de Bijbelgordel. Men trekt naar plaatsen waar veel eigen voorzieningen zijn. Gevolg hiervan is dat kerkelijke gemeenten in de grote steden en buiten de Bijbelgordel kleiner worden. Uit cijfers blijkt dat vooral de gemeenten op de westrand van de Veluwe hard groeien. In 1960 telde de classis Barneveld 5.615 leden en in 2011 16.543, een verdrievoudiging.[1] De Gereformeerde Gemeenten in Rotterdam namen in ledenaantal af van 7.494 in 1950 tot 1.587 in 2000, de gemeenten rond Rotterdam namen in diezelfde periode toe van 1.533 naar 7.272.[2] Het gevolg van een en ander was dat er enerzijds veel kerken werden gesloten als Haarlem, Akkrum, Rotterdam-West, ’s-Gravenhage-Zuid, Zoutelande, Zuid-Beijerland, Oudewater en Lemmer. Anderzijds werden in Bijbelgordel vele nieuwe, grote kerkgebouwen gebouwd.

Recente ontwikkelingen[bewerken]

In beperkte mate kennen de Gereformeerde Gemeenten vleugelvorming. Het verschil zit in het meer of minder benadrukken van bepaalde leeruitspraken. De oud-rector magnificus van de Technische Universiteit Delft Johan Blaauwendraad en de journalist van het Reformatorisch Dagblad Klaas van der Zwaag leverden kritiek op de prediking die volgens hen te veel hindernissen opwerpt zodat de gemeenteleden zich het heil niet durven toe te eigenen. Hun kritiek werd door de kerkleiding afgewezen en beiden zagen zich gedwongen om het kerkgenootschap te verlaten. In het eerste decennium van de 21e eeuw ontstond enige onrust na onder meer Ook het afwijzen van de Herziene Statenvertaling kwam de kerkleiding op (beperkte) kritiek te staan. .

Karakter[bewerken]

De Gereformeerde Gemeenten zijn traditioneel ingesteld. Vele leden van de Gereformeerde Gemeenten stemmen SGP en zijn maatschappelijk actief op allerlei terrein. De Gereformeerde Gemeenten houden vast aan het absolute gezag van de Bijbel op alle terreinen van het leven. Ook heeft men de gereformeerde belijdenis. Deze is vastgelegd in de zogenoemde Drie Formulieren van Enigheid uit de zestiende en zeventiende eeuw: de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels.

De Gereformeerde Gemeenten oriënteren zich sterk op de theologie uit de tijd van de Nadere Reformatie. In leer en prediking worden de volgende zaken benadrukt:

  • het gezag van de Bijbel, als zijnde volledig Gods onfeilbaar Woord.
  • de totale verdorvenheid van de mens en de onmacht zich hieruit te bevrijden.
  • de noodzaak van wedergeboorte en bekering en persoonlijk geloof in Christus;
  • de weg waarin de Heilige Geest deze zaken werkt, en hoe de gelovige dit persoonlijk beleeft (dit wordt bevinding genoemd);
  • het leven in Christus: de christen ervaart zichzelf steeds meer als onwaardig, en ziet steeds meer heerlijkheid in God en Christus.

Inhoud leeruitspraken[bewerken]

De generale synode van 1931 heeft een nadere uitwerking gegeven over het verbond der genade en de plaats die de uitverkiezing hierbij inneemt. Hiertoe zijn een zestal officiële leeruitspraken gedaan:

  • 1. Dat er geen wezenlijk onderscheid te stellen is tussen het Verbond der Verlossing (van eeuwigheid) en het Verbond der genade;
  • 2. Dat de Heilige Schrift slechts twee verbonden kent en niet drie: namelijk het Verbond der Werken en het Verbond der Genade;
  • 3. Dat Christus is de tweede Adam van Wien de eerste Adam als hoofd van het Werkverbond een voorbeeld was (Rom. 5:14) en dat Romeinen 5:12-19 zeer duidelijk handelt van de twee Verbondshoofden;
  • 4. Dat wel het Genadeverbond van eeuwigheid met de uitverkorenen in Christus is opgericht, maar de openbaring van het Genadeverbond in de tijd eerst volgt op de verbreking van het Werkverbond. (door deze openbaring is te verstaan de oprichting van het Verbond met de uitverkorenen, die in de tijd in het Verbond worden ingelijfd);
  • 5. Dat wel het Genadeverbond een uitwendige openbaringsvorm heeft, die onder Oud en Nieuw Verbond wisselt, en velen omvat die verworpenen zijn, maar dat alleen de uitverkorenen in het Verbond der Genade wezenlijk begrepen zijn;
  • 6. Dat de verantwoordelijkheid van de mens wortelt in de schepping, krachtens welke schepping God van de gevallen mens Zijn beeld terugvordert. Die verantwoordelijkheid wordt te groter door de bemoeienissen die God met de mens maakt, als duidelijk blijkt o.a. uit Lukas 10:13-15.

In de eredienst worden uitsluitend de Statenvertaling van de Bijbel en de psalmen in de 'oude berijming' van 1773 gebruikt. Er zijn nog enkele gemeenten (in de provincie Zeeland) waar de Psalmen van Datheen gezongen worden. Overal worden de psalmen niet-ritmisch gezongen.

Kerkelijke instanties[bewerken]

De Gereformeerde Gemeenten tellen verschillende deputaatschappen, stichtingen en verenigingen. De Zending Gereformeerde Gemeenten (ZGG) is de zendingsorganisatie van de kerk, hoewel ook enkele gemeenteleden voor andere organisaties werkzaam zijn. Het zendingswerk van de Gereformeerde Gemeenten begon in de jaren 60, hoewel eerder daartoe opgeroepen was. In Irian Jaya werd aanvankelijk gewerkt onder het volk van de Yali, terwijl de arbeid later uitgebreid werd tot verschillende andere volken. Een deel van die arbeid is niet langer pionierszending, maar groeit in de richting van ondersteuning en toerusting van de inmiddels zelfstandig geworden jonge kerk. In Nigeria wordt in twee gebieden gewerkt. In Zuid-Afrika is sprake van ondersteunend werk. Nieuwe werkterreinen zijn Guinee, Ecuador en Albanië.

De Jeugdbond der Gereformeerde Gemeenten (JBGG) is de organisatie voor jeugdwerk. Gehandicaptenzorg is in handen van Siloah en Helpende Handen. Het Deputaatschap Bijzondere Noden (BN) regelt hulpverlening.

Kerkbouw[bewerken]

Wanneer in de 19e-eeuw de eerste Ledeboeriaanse- en kruisgemeenten ontstaan komt men bijeen in woonkamers, boerenschuren, pakhuizen en werkplaatsen, vaak met niet meer dan 20 personen. Slechts eenmaal is sprake van een riante plaats van samenkomst, het buitenverblijf van Sint-Jan ten Heere, waar de wortels liggen van de gemeente Middelburg-Centrum, geïnstitueerd in 1836.

In 1844 wordt aan de Raampoortlaan in Rotterdam een stenen kerkje in gebruik genomen. In 1850 wordt te Benthuizen een houten kerk gebouwd. Het gebouw was van hout want het was de bedoeling dat het een tijdelijk onderkomen zou zijn. Men hoopte nog altijd op terugkeer naar de Hervormde Kerk. Van de 19e-eeuwse kerkgebouwen is er niet een meer over. Kort na de eeuwwisseling wordt te Rotterdam de Boezemsingelkerk gebouwd, toentertijd bepaald geen doorsneekerk voor de Gereformeerde Gemeenten. De oorspronkelijke gevel had een klassiek gedetailleerd toegangsportaal met fraaie glas-in-loodramen. Slechts de door oefenaar N.H. Beversluis ontworpen Segeerstraatkerk te Middelburg kwam enigszins in de buurt, andere kerken van de voorgangers van de Gereformeerde Gemeenten misten deze allure. Ze werden ook wel getypeerd onder de naam schuurkerken. Heden ten dage zijn nog enkele voorbeelden te zien, onder andere in Wolphaartsdijk en Borssele. Laatstgenoemd kerkgebouw behoort inmiddels tot het beschermde dorpsgezicht.

In de jaren 30 verschenen statigere kerken zoals de Salemkerk in Lisse en het kerkgebouw te Krabbendijke. Deze kerken worden ook wel andreaskruiskerken genoemd. Na 1945 worden op grotere schaal kerken gebouwd, vanwege de groei van de Gereformeerde Gemeenten. De ontwerpen veranderen van zeer traditioneel naar vrij modern. Vooral bij grote stadsuitbreidingen worden moderne kerken gebouwd, zoals te Apeldoorn (1959), Rotterdam-Zuidwijk (1964) en Zeist (1972). Imposante kerkgebouwen uit deze periode zijn de Noorderkerk (1955) en de Zuiderkerk (1968) in Rijssen. De Noorderkerk was bij oplevering het grootste protestantse kerkgebouw dat na de oorlog als totale nieuwbouw in gebruik werd genomen en zou dat tot 2008 blijven. Veel kerkgebouwen worden in deze periode opgericht met tentdaken, zoals te Soest (1968), Rotterdam-IJsselmonde (1969), Tricht-Geldermalsen (1969), Opheusden (1971), Tholen (1971) en Meliskerke (1976).

In het laatste kwart van de 20e-eeuw worden enerzijds weer traditionelere kerken gebouwd, anderzijds worden enkele architecturaal opvallende kerken gebouwd, zoals de Sionkerk (1979) te Goes, Bodegraven (1996), Alblasserdam (1987) en Ooltgensplaat (1996). Enkele opvallende aangekochte bedehuizen zijn de Magnalia Deïkerk te Groningen, de Westerkerk te Utrecht en de Hoofdstraatkerk langs de A4 te Leiderdorp. De gemeente Westzaan verwierf noodgedwongen een doopsgezinde vermaning uit 1695 en bezit hiermee het oudste kerkgebouw van het kerkverband. In de 21e-eeuw worden nieuwe kerken gebouwd in plaatsen als Barneveld, Gouda, Middelharnis, Tholen, Dirksland, Ede en Scherpenzeel. In diverse gemeenten worden plannen gemaakt voor nieuwe kerken, zoals te Yerseke en te Berkenwoude.

Bekende leden[bewerken]

Ledenaantal[bewerken]

Naast de 152 gemeenten in Nederland (107.650 leden) en de 28 gemeenten in Noord-Amerika (11.097 leden) bevinden zich ook Gereformeerde Gemeenten in Zuid-Afrika (Randburg, 129 leden[3]) en Nieuw-Zeeland (Reformed Congregations of New Zealand, 178 leden[3]).

Verder bevinden zich zendingsgemeenten in Irian Jaya (Gereja Jemaat Protestan di Indonesia, 68 gemeenten met ruim 10.000 leden[4][5]), Nigeria (Nigeria Reformed Church, 14 gemeenten met circa 2500 leden[6]) en Bolivia (1 gemeente met 117 leden). Het totaal aantal leden van de Gereformeerde Gemeenten komt hiermee op circa 130.000. De ontwikkeling van het ledenaantal van de Nederlandse gemeenten is hieronder weergegeven:[7]

Grootste gemeenten in Nederland per 1 januari 2017[bewerken]

Nr. Gemeente Leden
1 Rijssen-Zuid 2717
2 Yerseke 2372
3 Rijssen-Noord 2346
4 Nunspeet 2342
5 Barneveld-Centrum 2334
6 Kootwijkerbroek 2330
7 Veenendaal 2239
8 Hendrik-Ido-Ambacht 2181
9 Genemuiden 2134
10 Krabbendijke 2085
11 Opheusden 2074
12 's Gravenpolder 2035
13 Scherpenzeel 2010
14 De Valk-Wekerom 1845
15 Werkendam 1776
16 Rijssen-West 1659
17 Kampen 1645
18 Tricht-Geldermalsen 1643
19 Barneveld-Zuid 1640
20 Gouda 1611
21 Krimpen aan den IJssel 1590
22 Goes 1525
23 Kapelle-Biezelinge 1522
24 Dordrecht 1509
25 Alblasserdam 1507

Literatuur[bewerken]

LITERATUUR UIT EIGEN KRING:

OVERIGE LITERATUUR:

  • J.P. Zwemer, De bevindelijke gereformeerden, Kampen, 2001 (serie: Wegwijs).
  • J.P. Zwemer, In conflict met de cultuur. De bevindelijk gereformeerden en de Nederlandse samenleving in het midden van de twintigste eeuw, Kampen, 1992.
  • A. van der Meiden, De zwarte-kousen kerken. Portret van een onbekende bevolkingsgroep, Utrecht, 1968. (Vijfde herziene uitgave 1993).
  • C.S.L. Janse, Bewaar het pand. De spanning tussen assimilatie en persistentie bij de emancipatie van de bevindelijk gereformeerden, Houten, 1985.

Externe links[bewerken]