Emil Theodor Kocher
| 25 augustus 1841 – 27 juli 1917 | ||
| Geboorteland | Zwitserland | |
| Geboorteplaats | Bern | |
| Plaats van overlijden | Bern | |
| Nobelprijs voor de | Fysiologie of Geneeskunde | |
| In | 1909 | |
| Reden | Voor onderzoek naar de schildklier | |
| Voorganger(s) | Ilja Iljitsj Metsjnikov Paul Ehrlich |
|
| Opvolger(s) | Albrecht Kossel | |
Emil Theodor Kocher (Bern, 25 augustus 1841 – aldaar, 27 juli 1917) was een Zwitsers arts die in 1909 de Nobelprijs voor de Fysiologie of Geneeskunde kreeg voor "zijn werk in de fysiologie, pathologie en chirurgie van de schildklier".
Biografie [bewerken]
Hij studeerde in Zürich, Berlijn, Londen en Wenen, en promoveerde in 1865 in Bern. Vanaf 1872 volgde hij Georg Albert Lucke op als gewoon hoogleraar chirurgie en directeur van de chirurgische kliniek van de Universiteit van Bern. Hij publiceerde werken over verschillende onderwerpen buiten de schildklier zoals hemostase, antiseptische behandeling, heelkundige infectieziekten, over schotwonden en acute osteomyelitis, de theorie van beknelde hernia en buikchirurgie. Zijn nieuwe ideeën over de schildklier waren in eerste instantie controversieel maar zijn succesvolle behandeling van krop met een geleidelijk afnemende mortaliteit gaf hem erkenning. Het prijzengeld van de Nobelprijs hielp het Kocher Instituut in Bern op te richten.
Een aantal instrumenten en chirurgische technieken zijn naar hem genoemd, en ook het Kocher-Debre-Semelaigne syndroom.
- Zie ook: Kocher manoeuvre