Franse Revolutie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Franse revolutie)
Ga naar: navigatie, zoeken
Allegorie op de Franse Revolutie door Jeanne-Louise (Nanine) Vallain (1767 - 1815)
Geschiedenis van Frankrijk

Prehistorie
Kelten (vanaf 7e eeuw v.Chr.)


Romeinse tijd
Romeinen (51 v. Chr.-486)
Franken (vanaf 287)


Middeleeuwen
Frankische Rijk: (481-887/8)

Merovingen (481-751)
Karolingen (751-987)

West-Francië (843-987)
Royal Standard of the King of France.svg Koninkrijk Frankrijk: (987-1791)

France Ancient.svg Capetingen (987-1328)
France moderne.svg Valois (1328-1589)

Vroegmoderne Tijd

Ancien Régime
Grand Royal Coat of Arms of France.svg Bourbon (1589-1792)
Franse Revolutie (1789)

Flag of France (1790-1794).svg Koninkrijk Frankrijk (1791-1792) Flag of France.svg Eerste Republiek (1792-1804)
Flag of France.svg Eerste Keizerrijk (1804-1815)
Naval Ensign of the Kingdom of France.svg Restauratie (1815-1830)


Moderne Tijd
Flag of France.svg Julimonarchie (1830-1848)
Flag of France.svg Tweede Republiek (1848-1852)
Flag of France.svg Tweede Keizerrijk (1852-1870)
Flag of France.svg Derde Republiek (1870-1940/'46)
Flag of France.svg Vichy-regime (1940-1944)
Flag of France.svg Vierde Republiek (1946-1958)
Flag of France.svg Vijfde Republiek (1958-heden)


Portaal  Portaalicoon  Frankrijk
Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis

De Franse Revolutie was een invloedrijke politieke omwenteling aan het eind van de 18e eeuw waarbij de Franse monarchie werd afgeschaft en de Eerste Franse Republiek werd opgericht. De absolute monarchie die Frankrijk drie eeuwen had geregeerd werd ten val gebracht en in drie jaar werd de monarchie helemaal afgeschaft. De macht en de privileges van adel en geestelijkheid werden massaal teruggedrongen onder druk van radicale politieke groeperingen, de mensenmassa in de steden en boeren op het platteland. De oude ideeën van absolutisme, aristocratie, en de macht van de kerk werden vervangen door de principes van Liberté, égalité, fraternité, oftewel Vrijheid, gelijkheid en broederschap. De Bestorming van de Bastille wordt beschouwd als het begin van de revolutie. De Franse Revolutie heeft verstrekkende en blijvende veranderingen teweeggebracht in Frankrijk en in heel Europa.

De constitutionele en ideologische hervormingen gingen gepaard met burgeroorlog en terreur. Om de politieke problemen te boven te komen en de onbestuurbaarheid van revolutionair Frankrijk te verdoezelen, stuurde de girondijnse politieke fractie aan op oorlog, met als excuus de dreigende taal van verschillende Europese mogendheden, die vreesden dat de revolutionaire ideeën zouden overslaan naar hun landen (dit waren de Coalitieoorlogen). Door de Slag bij Waterloo konden die het koningshuis herstellen (de Restauratie). Om die reden wordt de Slag bij Waterloo soms als het einde van de Franse Revolutie gezien, in dat geval wordt de napoleontische tijd ook tot de Franse Revolutie gerekend.

Oorzaken van de Franse Revolutie[bewerken]

Het Ancien Régime[1] had zichzelf gedurende de 18e eeuw steeds verder uitgehold en implodeerde uiteindelijk tijdens verwoede pogingen hervormingen door te voeren, die telkens op hevige tegenstand van de geprivilegieerden stuitten.

De voornaamste grieven van de verschillende standen waren:

  1. Op sociaal gebied hadden de klassentegenstellingen zich zonder ophouden verscherpt. De burgerij verwierp de vele privileges van de adel en de hogere geestelijkheid; de boeren verzetten zich tegen de feodale rechten, tegen de tienden en andere heffingen ten voordele van de grootgrondbezitters. De eisen van de burgerij kwamen tot uiting in de Cahiers de doléances die de steden in 1789 meegaven aan hun vertegenwoordigers in de Staten-Generaal.
  2. Ondanks de economische groei van de 18e eeuw bleven bevoorradingscrises en de voortdurende stijging van de voedselprijzen het dagelijks leven van de gewone mensen domineren. Noch de plattelanders (die 85% van de bevolking uitmaakten) noch de stedelijke ambachtslui en arbeiders zagen hun situatie verbeteren.
  3. Ondertussen had een nieuwe filosofische stroming sinds het midden van de 18e eeuw Frankrijk veroverd. De Verlichting stelde de rationaliteit van de gedachte tegenover de autoriteit van de traditie. Uit de "ideeënstroom" die met deze beweging gepaard ging werd een gepopulariseerde 'revolutionaire' ideologie geboren. De overtuiging dat iets moest veranderen, drong tot steeds bredere kringen door.
  4. De koning handelde - volgens de adel - niet legitiem: door zijn pogingen om de adellijke voorrechten te verminderen, de rechtspraak en het bestuur te vereenvoudigen, wegen aan te leggen, en de belastingen gelijkmatig te spreiden, had Lodewijk XV zich de vijandschap van de adel en de adellijke Parlementen op de hals gehaald. Vanaf 1750 brak een gevecht los tussen de koning en de adellijke Parlementen - de feitelijke aanloop tot de Revolutie, vrijwel 40 jaar vóór de officiële datum. Chateaubriand noteerde Les patriciens commen­cèrent la Révolution, les plébéiens l'achevèrent - de edelen begonnen de Revolutie, het gepeupel maakte ze af. Het conflict, met wisselende successen aan beide kanten, resulteerde na 48 jaar, onder Lodewijk XVI in een totale blokkering van het staatsapparaat, de onmogelijkheid om adequaat belastingen te heffen, en een bankroet. De historicus Michel Antoine legt de kiem van dit geleidelijk aanzwellend conflict, dat hij kwalificeert als een juridische staatsgreep, bij de beslissing van de Regent in 1715 om de door Lodewijk XIV gemuilkorfde Parlementen het remonstrantierecht terug te geven.
  5. De ultieme aanleiding was het financiële bankroet van de Staat vanaf 1787. De staatsschuld van Frankrijk was minder belangrijk dan bv. die van Engeland, maar de koning had niet het gezag adequate belastingen te heffen of nieuwe schulden aan te gaan zonder toestemming van het Parlement. De opeenvolgende koninklijke ministers bedachten steeds krampachtiger oplossingen, maar konden de Parlementen niet omzeilen. Bekwame staatslieden als Jacques Necker en Calonne waren machteloos. Een fiscale hervorming die de tot dan vrijgestelde standen - adel en geestelijkheid - zou doen bijdragen in de kosten van de Staat werd vaker voorgesteld, maar was onrealiseerbaar - wetshervormingen moesten passeren via de adellijke Parlementen, die de Staat effectief verlamden. Verslagen door de adel riep de Koning in 1789 de Staten-Generaal bijeen, waarvan het volk en de Directeur-Generaal van de Schatkist Jacques Necker, inmiddels Minister van Staat, een oplossing verwachtten. Een zware misrekening, want de Derde Stand van de Staten-Generaal riep zich meteen uit tot Assemblée Nationale en nam het heft in handen door het handig opzwepen van het grauw. De adel had de Revolutie gestart, maar was nu de controle kwijt aan de Derde Stand.

Moderne auteurs, zoals Simon Schama, William Doyle en Michel Antoine plaatsen vraagtekens bij de uitleg van klassenstrijd, armoede, ellende, tirannie en koninklijke incompetentie. De balans van de regering van Lodewijk XV was volgens Michel Antoine vrij positief, en Lodewijk XVI erfde een relatief overzichtelijke situatie. De staatsschuld was niet écht een probleem - soortgelijke problemen waren al eerder opgelost door de Regent, of door minister Terray. Waarom is de revolutie dan niet uitgebroken in andere landen met soortgelijke sociale problemen - Pruisen, Engeland, de tientallen Duitse vorstendommetjes, Spanje met zijn extreme armoede? Schama legt een belangrijke oorzaak van deze collectieve zelfvernietiging bij individuen, politici, redenaars, die het grauw opzweepten, en ook het gekuip van de hoge adel (het ambitieuze Huis van Orleans nam actief deel aan de agitatie (Philippe-Égalité); een andere stoker was de prins van Conti). Michel Antoine legt uit hoe het opruien door de parlementaire kringen, gevolgd door de hoge adel, tot een algemeen misprijzen voor de koning leidde en dat de oorzaak van de Revolutie reeds vroeg in de 18de eeuw ligt.

Directe aanleidingen tot de Revolutie[bewerken]

De begroting was niet in evenwicht
De staat had 502 miljoen livres aan inkomsten en 630 miljoen livres aan uitgaven. Dit leidde tot grote schulden. Door de rentepercentages werden deze schulden bovendien steeds groter. De nood aan geld leverde de koning uit aan de willekeur van de Parlementen, die de belastingen moesten goedkeuren, maar die tegenstander waren van moderniseringen en hervormingen. Zolang de koning geld nodig had, bleef alles bij het oude. Buitenlandse dreiging - de voortdurende geldverslindende oorlogen met Engeland - maakten de politieke blokkade vrijwel permanent.
Hongersnoden
Frankrijk leed structureel onder hongersnoden. Tot dan toe hadden de Franse koningen zo goed en zo kwaad als het kon geprobeerd de prijzen te stabiliseren en de distributie te reguleren - er was een graanpolitie: speculatie werd effectief verhinderd. Onder invloed van Verlichtingsdenkers die de vrije-marktwerking aanprezen schafte minister Turgot de regulering af. Rijke speculanten konden nu de markt beïnvloeden en schaarste veroorzaken, zonder dat er misoogsten waren. Een concreet voorbeeld is de hongersnood in 1788, waarbij de graanprijzen enorm stegen. Over de ruggen van de hongerende bevolking werden fortuinen verdiend, onder meer ook door de bankier Necker, minister van financiën na Turgot. Volgens sommige historici zijn de hongersnoden ook deels toe te schrijven aan de uitbarsting van de IJslandse Laki-vulkaan van 1783.[2] Pas in 1789 daalden de graanprijzen weer en ging de levensstandaard omhoog. Dit was ook het jaar van de opstand.
Absolutisme
Zowel de adel als de filosofen waren het niet eens met het absolutisme (om tegengestelde redenen), dat gebaseerd was op het "Droit Divin" (goddelijk recht). De koning werd gezalfd door God, en was uitsluitend aan God verantwoording schuldig. Ze vonden dat het volk ook mocht meedenken over de beslissingen. Men vond bijvoorbeeld dat de koning alleen een uitvoerende macht mocht hebben en dat Parlementen als volksvertegenwoordiging de wetgevende en rechtsprekende macht moesten hebben. Dat het volk vertegenwoordigd wordt door een gekozen vertegenwoordiging was in die tijd evenwel geen eis: ook voor de Verlichte filosofen was het gewone volk zelf onmondig. Verschillende lichamen hielden zichzelf voor de volksvertegenwoordiging (onder meer de niet-gekozen Parlementen). Vaak wordt Charles de Montesquieu als belangrijkste filosoof in dit verband geciteerd. Zijn verwijzing naar Parlementen als garant van de vrijheid wordt modern en vaak fout geïnterpreteerd. De Parlementen waren in zijn tijd adellijke rechtbanken en hooggerechtshoven die een recht van remonstrantie tegen de koning bezaten. De rol van de filosofen werd door latere historici uitvergroot, maar wellicht belangrijker in de contestatie van het koninklijk absolutisme waren (pseudo-)historici, onder invloed van het Jansenisme, zoals présidents de Cotte en Durey de Meinières en diens medewerker de baljuw Louis Adrien Le Paige, een politiek theoreticus en rabiaat pamflettist die op historische gronden de koninklijke macht ondergeschikt beschouwde aan die van de Parlementen, en zo een regering van (adellijke) rechters tot stand wilde brengen.
Standen
Veel mensen vonden dat de standen moesten verdwijnen. Alle mensen moesten gelijk zijn. Een boer moest gelijk zijn aan een edelman, want een edelman heeft geen grotere maag dan een boer. De meester heeft geen grotere en sterkere armen dan zijn knecht. Dus waarom zou hij meer waard zijn dan de armen. Mensen vonden het oneerlijk dat alleen de Derde Stand belasting moest betalen. Ze vonden het ook oneerlijk dat de Derde Stand 10% van het loon aan de Kerk moest afstaan. Ze vonden het oneerlijk dat alleen zij moesten betalen en dat zij eigenlijk amper rechten hadden. Boeren moesten bijvoorbeeld gratis een deel van hun tijd op het land van de edelman werken. Omdat zij belasting betaalden en loonheffing aan de Kerk moesten geven, wilde de Derde Stand ook kunnen meepraten en meebesturen in de regering.
Pamflettenstrijd
Een jarenlange pamflettenstrijd brak los vanaf het midden van de 18de eeuw met beschuldigingen, beledigingen, laster en verdachtmakingen (onder meer dat de koning zich zou baden in kinderbloed) die gretig aftrek vonden bij het Verlichte publiek. De clandestiene auteurs waren te vinden in Parlementaire en Jansenistische kringen. De goedmenende Louis le Bien Aimé werd uiteindelijk gehaat en veracht, en als despoot en tiran afgeschilderd. Vanuit de parlementaire kringen kwam in 1757 ook een aanslag voort. Na de dood van Lodewijk XV ging het pamfletteren en beledigen gewoon verder tegen Lodewijk XVI en Marie-Antoinette. De titels despoot en tiran werden gemeengoed in de revolutionaire woordenschat.
Oorspronkelijk gebruikt door de lage adel en jansenistische kringen, werd de opruiende taal ook het idioom van de burgerij, die vanaf de samenroeping van de Staten-Generaal in 1789 het hoge woord voerde.
Het koninklijk gezin
In 1781 publiceerde Jacques Necker, Directeur-Generaal van de Schatkist, een Compte rendu au Roi, om zijn beheer te rechtvaardigen. De ontevredenheid onder de bevolking groeide met de wetenschap dat de koning en zijn vrouw zo veel uitgaven aan paleizen, pensioenen, eigen voorzieningen (bijvoorbeeld het boerderijtje van Marie-Antoinette) alsof er niets aan de hand was. Het bekende gezegde van de koningin "Le peuple n'a pas de pain? Qu'il mange de la brioche!" ("Heeft het volk geen brood? Dan eet men toch brioche!") is historisch zeer twijfelachtig, maar was campagnevoer voor de auteurs van pamfletten, net zoals de Diamanten-halssnoeraffaire..[3]

Verloop van de Revolutie[bewerken]

De Assemblée nationale[bewerken]

De schuldenlast van de Staat, en de onmogelijkheid om op legale wijze hervormingen door te voeren tegen de wil van de Parlementen en de geprivilegieerden, maken een bankroet onafwendbaar. De Koning roept een Assemblée des Notables bijeen, zonder oplossing, en organiseert tenslotte een Staten-Generaal. Er worden verkiezingen georganiseerd volgens een ingewikkeld, getrapt systeem, waarbij een zeer ruime vertegenwoordiging wordt gecreëerd (élke Fransman die op de belastinglijst staat neemt deel aan de verkiezingen voor de Derde Stand, ook diegenen die niet betalen; bij de geestelijkheid mag elke pastoor stemmen, hetgeen een grote groep niet-edelen in de vertegenwoordiging van de Eerste Stand brengt). Traditioneel moeten de drie Standen apart vergaderen en stemmen, wat nadelig is voor de Derde Stand, die evenveel leden heeft mogen afvaardigen als de twee andere standen samen, en die weet dat de clerus een belangrijke minderheid sympathisanten voor hun zaak bevat. De Derde Stand eist dat er hoofdelijk en gezamenlijk gestemd wordt en weigert apart te vergaderen. De afgevaardigden zijn bovendien naar Parijs gekomen, gewapend met Cahiers de Doléances, met alle eisen van het Volk, en beschouwen zich als gelegitimeerd om fundamentele hervormingen door te voeren, wat niet de bedoeling van de koning was, die een toespraak hield waarin hij waarschuwde voor te veel innovaties, en ook niet de bedoeling van Necker, die een redevoering van drie uur over financiën hield. De afgevaardigden van de Derde Stand waren evenwel niet gekomen om over geld te praten en laten zich niet terugdringen in die rol.
In juni 1789 roept de Derde Stand zich uit tot de Assemblée nationale constituante (nationale grondwetgevende vergadering - niet te verwarren met de huidige Franse assemblée nationale). Op dat moment laat koning Lodewijk XVI, in diepe rouw over de dood van zijn zoon, de vergaderzaal sluiten. Heethoofden beweren dat de Koning de Assemblée wil opheffen, en men besluit uit te wijken naar de Kaatsbaan. Het past in de politieke agenda van latere historici om de sluiting van de Assemblée aan de intrigerende koningin toe te schrijven.
Hier wordt de Eed op de Kaatsbaan gezworen, waarin verklaard wordt niet uit elkaar te zullen gaan tot het land een Grondwet zal hebben. Adel en geestelijkheid sluiten zich aan bij de Nationale Assemblée, op één persoon na. Ze wisten niet dat dit de start was van de Franse Revolutie en het einde van het Ancien Régime.

Bestorming van de Bastille[bewerken]

Jean-Pierre Houël: De bestorming van de Bastille
Nuvola single chevron right.svg Zie Bestorming van de Bastille voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Er ontstaat echter - vooral bij de gewone bevolking van Parijs - wantrouwen ten opzichte van de koning en de aristocratie. Sinds het ontslag van eerste minister de Brienne was het onrustig geweest in Parijs. Op 27 april 1789 waren er bloedige rellen uitgebroken door het gerucht dat de industrieel Réveillon de lonen wilde verlagen. De arme wijk van de Faubourg Saint-Antoine was sindsdien in permanente opschudding.
Op een moment dat de rijke burgerij de macht meent te krijgen, blijkt dat troepen rondom Parijs worden verzameld en dat bovendien de koning de populaire minister Necker, een bankier, heeft ontslagen en in diens plaats de hardliner de Breteuil heeft benoemd. Voor het wereldje van zich verrijkende bankiers en speculanten is dit een schok. Bereidt de koning een staatsgreep voor, met de benoeming van baron de Breteuil? De rijke bourgeoisie gaat het gepeupel als stormram gebruiken.[4] Bankiers Jean-Frédéric Perregaux en Étienne Delessert delen wapens uit. Volksmenners nemen hun kans waar: Camille Desmoulins neemt de leiding van de gebeurtenissen in handen. Parijs is een gemakkelijke prooi, want op 12 juli heeft de ontevreden militaire commandant, de Besenval, de ordehandhaving uit Parijs teruggetrokken. In de ochtend van 14 juli neemt een bende revolutionairen het Hôtel des Invalides in, om zich te bewapenen. Zij vinden er musketten en kanonnen, maar geen buskruit. Zij trekken naar het fort van de Bastille, waar een voorraad buskruit ligt. Op 14 juli 1789 wordt de Bastille bestormd, het kruit buitgemaakt, de gouverneur van de Bastille beestachtig vermoord, en de paar gevangenen (vier valsemunters, twee gekken en de graaf van Solages, mogelijk een seksuele delinquent, opgesloten op kosten van zijn familie) triomfantelijk bevrijd (de gekken worden later weer opgesloten in het asile de Charenton).
Latere geschiedschrijving verfraaide de werkelijkheid, en stelde de val van de Bastille voor als het einde van een koninklijk symbool van onderdrukking. In feite was het de start van de gewapende opstand en het bloedvergieten, en de regering van volksmenners.
De opstand breidt zich uit naar het platteland waar de bevolking de eigendommen van de aristocratie aanvalt. De bestorming van de Bastille werd het belangrijkste symbool van de revolutionaire gebeurtenissen. De bourgeoisie, bankiers en speculanten winnen de dag: op 16 juli benoemt de koning Necker opnieuw als minister. Om het gepeupel "na gebruik" weer in bedwang te krijgen, koopt de burgerij de wapens weer op - aan 40 sous per stuk - en bewapent hiermee een burgermilitie die ze Nationale Garde noemen. Hierdoor beschikt de burgerij over een eigen leger. Alleen "actieve burgers" (lees: rijk genoeg om belastingen te betalen) mogen lid zijn van de Garde.

Afschaffing van het feodale systeem[bewerken]

Vanaf juli 1789 wordt de grondwet in commissies voorbereid. De vergadering wordt verontrust door een reeks boerenrevoltes - die reeds van eind 1788 woedden - tegen de heerlijke rechten, bekend als "la Grande Peur". Om de boeren te kalmeren wordt besloten de heerlijke rechten (de rechten die de feodale heren bezaten) "af te schaffen". De heerlijke rechten waaronder de boeren gebukt gingen waren onder meer:

  • de cijns, een belasting in geld
  • corvée, een verplichting om 3 werkdagen per jaar aan de heerlijkheid te presteren (in de praktijk geweigerd door de boeren)
  • champart, een deel van de oogst
  • banaliteiten, waaronder betalend gebruik van de molen, de oven of andere faciliteiten
  • mainmorte, of dodehand, het recht van de heer op een erfdeel of, in zekere gevallen (reële horigheid) de opheffing van het pachtcontract bij overlijden
  • de kerkelijke tienden

Elk van deze rechten was relatief klein, maar alles samen wogen deze lasten substantieel op de boerenschouders. Op 4 augustus 1789 stemt de Assemblée voor de afschaffing van de privileges. Artikel 1 van haar verklaring luidde: "De Assemblée Nationale vernietigt totaal het feodale regime". Het was niet te verwachten dat de vergadering, die uit rijke burgers, kerk en adel bestond, echt iets aan de situatie van de boeren zou doen. De vergadering wilde bij haar (afgedwongen) hervorming vooral het eigendomsrecht respecteren. Tussen 5 en 11 augustus volgde een reeks nieuwe decreten die de essentiële heerlijke rechten als eigendomsrecht beschouwde en beschermde. Men kwam dus meteen terug op de genomen beslissing. Zo bestond de revolutionaire "afschaffing" van de heerlijke rechten vooral uit een recht van de boeren om de belastingen en verplichtingen af te kopen. Aan een tarief van 30 maal het jaarlijks cijnsbedrag kon de arme boer evenwel zijn cijns niet afkopen (de normale prijs was 1:20). Ook de banaliteiten moesten afgekocht worden. De mainmorte werd tot "successiebelasting" herdoopt. Cijns werd herdoopt tot pacht. De kerkelijke tienden werden afgeschaft - maar bleven van kracht tot men een ander middel ter financiering van de Kerk gevonden zou hebben. Het adellijk monopolie op de jacht werd afgeschaft - de landeigenaren mochten nu ook jagen! De banaliteiten (molen, oven...) die in een geschreven overeenkomst vastgelegd waren, of waar vanwege de feodale heer een tegenprestatie stond, bleven bewaard. Praktisch gezien verkregen de burgerlijke grootgrondbezitters de vroegere adellijke rechten - er werden alleen symbolische offers gebracht. Peter Kropotkin wijdt verschillende hoofdstukken (17-18 en 26-27) van zijn boek La Grande Révolution aan deze historische maskerade, en titelt zijn hoofdstuk 18 "De feodale rechten blijven".
Een artikel uit de decreten van 1790 stelt zelfs onomwonden "de feodale en cijnsrechten, rentes en rechten die afkoopbaar zijn, blijven, tot hun afkoop, onderworpen aan de regels die de diverse wetten en gewoonten van het koninkrijk hebben bepaald.". Op 27 februari 1790 verklaart de Assemblée over de "afgeschafte" mainmorte "indien de reële of gemengde mainmorte omgezet werd in pachtrecht en successierecht, blijft zij verschuldigd." De nieuwe burger-grootgrondbezitters laten geen enkele kans onbenut om de feodale uitbuiting van de boeren revolutionair legaal te sanctioneren. De wet van 15 maart 1790 stelt dat ook illegaal verkregen heerlijke rechten moeten betaald worden, tenzij dat de boer kan bewijzen ze niet verschuldigd te zijn. En dan nóg krijgt de burger-feodale heer de bovenhand: rechten die al sinds dertig jaar uitgeoefend werden, worden door de wet vanzelf erkend.

Uiteindelijk worden de kerkelijke tienden afgeschaft. Maar als de boeren op een financiële verlichting rekenden, werden ze ontgoocheld. De landeigenaren verhoogden meteen de pacht en staken de winst in eigen zak [5]. Nu de Kerk geen inkomsten meer had, stortte het systeem van bijstand, armenhulp en scholen, dat via de Kerk uit de tienden gefinancierd werd, in mekaar[6].

Deze ondoeltreffende maatregelen hadden geen effect op de onrust onder de boeren, die reeds vóór 1789 waren gestopt met herendiensten te leveren, en cijns te betalen. In februari 1790 rapporteerde de abbé Grégoire aan de Assemblée dat de boerenonlusten bleven duren, en zelfs in hevigheid toegenomen waren! De Assemblée voorzag de landeigenaren van de nodige legale wapens om de rechten af te dwingen, en de burgers organiseerden milities om de opstanden van wat zij "brigands" en "dieven" noemden, de kop in te drukken. In de Moniteur van 6 juni 1790 verschijnt "allen die het volk opstoken tot geweld tegen eigendommen [..] worden vijanden van de grondwet verklaard. De Krijgswet is tegen hen van kracht.". Op 18 juni decreteert de Assemblée dat de tienden dat jaar (dus ook de achterstallige) moeten betaald worden aan de rechthebbenden, en op de gewone manier. Diegenen die menen dat sommige feodale rechten niet verschuldigd zijn, doen er beter aan ze te betalen vooraleer een proces aan te spannen, want artikel 3 bepaalt dat processen de betaling van tienden etc. niet opschorten. Het decreet van februari 1790 maakt de Krijgswet mogelijk tegen boerenbetogingen.

Pas onder de Jacobijnse dictatuur, in juli 1793, krijgen de boeren hun rechten.

De verkoopbaarheid (venalité) van ambten, typisch voor het Ancien Régime, en een belangrijke bron van inkomsten voor de overheid (om een ambt erfelijk te houden, moest de ambthouder een belasting betalen, de "paulette"), werd eveneens afgeschaft, en de eigenaars van de ambten vergoed voor de geleden schade, vergoeding die later weer in de staatskas vloeide toen die belangrijke bedragen opnieuw geïnvesteerd werden in de aankoop van de verbeurde kerkelijke bezittingen.

De Verklaring van de rechten van de mens en de burger[bewerken]

Op 26 augustus 1789 is er de Déclaration des Droits de l’Homme et des Citoyens als de emancipatie van de nieuwe wereldbeschouwing.[7] De 17 artikelen behandelen ieder aspect van de nieuwe staatsopvatting. Hoewel nu iedereen gelijk is, blijven de boeren en arbeiders legaal onderdrukt, en zonder recht op politieke vertegenwoordiging. Ook vrouwen krijgen geen rechten. De slavernij blijft ingesteld in de koloniën, onder meer dank zij vertegenwoordigers als Barnave, Malouet en Alexandre de Lameth, die in de wet van 8 maart 1790 de beslissingsmacht over koloniale zaken aan de koloniale assemblées doen toewijzen. Ook het ijveren voor bevrijding van slaven wordt bij deze wet een gevaarlijke en strafbare zaak - een aanval op het eigendomsrecht, en dus een aanval op de Rechten van de Mens. De journalist en redenaar Camille Desmoulins, revolutionair van het eerste uur, schrijft L'esclavage, la tyrannie, l'oppression sont consacrés en loi (Slavernij, tyrannie en verdrukking zijn vastgelegd in de wet). Het is opmerkelijk dat één Mensenrecht tweemaal genoemd wordt in de Verklaring, en de tweede keer onaantastbaar en heilig: het eigendomsrecht. Door de heiligheid van het eigendom rechtvaardigt de bezittende klasse de handhaving van de feodale rechten - zij het dan onder andere namen -, het geweld tegen boeren en arbeiders vanwege de Nationale Garde, en de slavernij.

Een decreet van 1790 schafte de Lettres de cachet af, een juridisch instrument uit het Ancien Régime waarmee een pleger van een misdrijf, of geldverkwister, herrieschopper, gek of dronkaard zonder tussenkomst van de rechtbank een tijd opgesloten kon worden, soms ook om de eer van een goede familie te vrijwaren door een proces te vermijden. Wie voorheen door zo'n Lettre de cachet was vastgezet in een Maison de Force werd nu, ook zonder vorm van proces, in een Maison d'amelioration opgesloten, met dezelfde strafmaat. Alles bleef bij het oude, en de "vooruitgang" bleef beperkt tot het geven van een andere naam. Aangezien de term Maison d'amelioration geen ingang vond in de volksmond, leek de nieuwe situatie erg op de oude.

Het decreet van 15 oktober 1790 schafte het Parlement van Parijs af, een rechtbank die in het Ancien Régime als Grondwettelijk Hof fungeerde, en de decreten van de "absolute" koning aan de fundamentele wetten en vrijheden toetste. Ongehinderd door juridische oppositie zou de Wetgevende macht in het Revolutionaire Frankrijk nog absoluter kunnen regeren dan de koning daarvoor. Pas in 1958 zal het Franse regime weer een juridisch tegengewicht dulden, de Grondwettelijke Raad.

De vorming van de fracties en clubs[bewerken]

In de Assemblée ontstaat een opsplitsing in fracties. Rechts wordt vertegenwoordigd door de aristocraten. Zij verdedigen de belangen van de geprivilegieerden. Links staan de democraten of jakobijnen met onder meer Robespierre; zij eisen algemeen stemrecht (voor mannen). Het centrum vormt de grootste groep, het zijn de monarchisten. Zij aanvaarden de afschaffing van de privileges maar zijn koningsgezind.
Vanaf 1790 vergadert in een leeg franciskanenklooster (Couvent des Cordeliers) de club der Cordeliers, een extremistische pressiegroep. In tegenstelling tot de elitaire Jacobijnen was hun lidmaatschap gratis. De Cordeliers hadden hun eigen demagogische scheldpers (l'Ami du Peuple en Le Père Duchesne) van Marat en Hébert om de Publieke Opinie te manipuleren. Vanuit deze club werden steeds extremere stappen geëist (zoals de afzetting van de koning, het verbieden van religie of Ontkerstening) en werd agitatie en voortdurende opstand voorbereid, zoals de betoging van het Champ de Mars in 1791 en de bestorming van de Tuilerieën in 1792. De Cordeliers werden gefinancierd door groepen die gebaat waren bij oorlog en chaos (speculanten, corrupte politici, buitenlandse bankiers), die uiteindelijk de Cordeliers opdeelden in Hébertisten (Exagérés, of "overdrijvers") en Dantonisten (Indulgents of "vergevingsgezinden").

Confiscatie van de kerkelijke eigendommen[bewerken]

Hoewel de Assemblée bijeengeroepen was om een oplossing te vinden voor de benarde financiële situatie van het land heeft ze tot nu geen stappen daartoe ondernomen. De bevolking had de belastingsinners verdreven, en de Assemblée had vele belastingen illegaal verklaard. Deze ingrepen waren niet van aard het overheidsdeficit te verkleinen. Een belastingvoet van 25 percent op alle inkomens wordt voorgesteld, tot grote consternatie van de afgevaardigden - zó hoog waren de belastingen onder het Ancien Régime nooit geweest, men had gehoopt op een vermindering, en sommige dromers (in de cahiers de doléances) op een afschaffing van inkomstenbelasting (de gehate taille). Een ontgoocheling.

Maar de gehoopte sommen komen niet in de kas, en de banken verlenen geen krediet meer. Er wordt voor een expediënt gekozen om gauw de kas te vullen: bij de wet van 2 november 1789 wordt beslag gelegd op de kerkelijke goederen. De geestelijken worden ambtenaren en moeten een eed van trouw afleggen. De kloostergeloften worden afgeschaft. De geestelijken worden ingedeeld bij de "constitutionnels" of bij de "réfractaires" naargelang ze al dan niet trouw zwoeren.
De geconfisqueerde goederen van de Kerk worden als Nationaal goed in een Caisse ondergebracht, in afwachting van hun geleidelijke verkoop. Zij dienen als onderpand voor de uitgifte van papiergeld, de Assignaten. Deze financiële kunstgreep loopt zo goed (en de belastingsinning zo slecht), dat men steeds meer assignaten gaat drukken, met hyperinflatie tot gevolg. Om de uitgifte van assignaten verder te zetten, neemt de Overheid vanaf 1792 de goederen van de geëmigreerde adel in beslag. Daarna worden ook de goederen van de "verdachten" en veroordeelden aan het nationaal goed toegevoegd. Wanneer ook dat niet volstaat, wordt er oorlog gevoerd, en worden de veroverde gebieden geplunderd (onder meer het huidige België) waar de domeinen van kerken, kloosters en emigranten in de veiling gaan. Vele historisch waardevolle gebouwen, kastelen, kerken en kloosters, werden gesloopt (Lijst van cultureel erfgoed dat teloor ging door de Franse Revolutie) door de nieuwe eigenaars (later de bande noire genoemd), die er vaak een industriële bestemming voor kozen of gewoon de gesloopte materialen verkochten.

Corruptie[bewerken]

De verkoop van het nationaal goed en de speculatie maakte de corrupte revolutionaire politici rijk. Santerre, Pache, Jean-Pierre de Batz, Stanislas-Marie Maillard, Jean-Baptiste Carrier, Joseph Le Bon, Joseph Fouché, Cambacérès, Jean-Lambert Tallien, Bertrand Barère de Vieuzac, om slechts enkelen te noemen, wendden hun invloed aan om de inbeslaggenomen goederen voor een prikje aan te kopen en voor een veelvoud weer op de markt te brengen. Dat één enkele revolutionair zich niet verrijkt, was een eretitel waard: zo werd Robespierre de onomkoopbare genoemd - het zou hem zuur opbreken, de meest corrupten zouden later Robespierre ten val brengen.

Onvoorstelbare fortuinen - de bezittingen van kerk, adel en veroordeelden - werden kunstmatig onder de waarde aan de corrupte speculanten verkocht - vaak revolutionaire politici die met stromannen werkten. De administrateurs van het Nationaal Goed werden door "syndicaten", verenigingen van speculanten,[8] ertoe gebracht (door betaling of andere middelen) om de te verkopen loten samen te voegen tot één groot lot, zodanig dat de prijs buiten bereik van individuele beleggers lag. Het syndicaat werd dus de enig mogelijke koper. Na de toewijzing hielden de leden een nieuwe, besloten veiling van de opnieuw in kleinere behapbare stukken verdeelde grote loten. De opbrengsten werden verdeeld onder de leden, en een deel werd aan de corrupte administrateurs gegeven.

Een andere bron van rijkdom kwam beschikbaar in 1792, bij het uitbreken van de oorlog. Er werd grof geld verdiend aan de leveranties van goederen aan het leger. Ook de bevoorrading kwam in handen van speculanten. Uiteindelijk verenigden de belanghebbenden zich in een politieke groepering rondom de journalist en uitgever Hébert - Hébertisten of ook Exagérés - met als doel de Revolutie verder te radicaliseren, oorlog te voeren en hun critici uit te schakelen. Vooraanstaande bankiers (de Laborde, de Koch) steunden de beweging en de Hébertistische pers, en betaalden agitatoren. Hoewel een aantal Hébertisten tijdens de Terreur aan de guillotine werden overgeleverd, slaagden de meesten erin te overleven. Sommigen werden pas onder Napoleon gevat. Velen werden ongemoeid gelaten - de Hébertist Joseph Fouché was bij zijn dood in 1820 de rijkste man van Frankrijk. Santerre stierf arm: de kleine brouwer en bestormer van de Bastille werd in enkele jaren tijd kasteelheer en grootgrondbezitter, maar werd door toedoen van de Onomkoopbare (Robespierre) vastgezet en moest na de Terreur enorme sommen verduisterd geld terugbetalen.

Na de plundering van de Tuilerieën in augustus 1792 kwam aan het licht dat sommige revolutionairen zich door de koning hadden laten betalen. Uit de ijzeren kast van de koning kwamen bezwarende documenten tevoorschijn. De bekendste omgekochte politicus was de ondertussen overleden Mirabeau. Ook volksmenner Santerre had koninklijk geld aanvaard om een gematigdere koers te varen. Politici haastten zich naar de Tuilerieëen om de gevonden documenten te "ordenen", een ordening die onder meer de papieren over de corruptie van Danton deed verdwijnen.

Ook voor kleinere garnalen bood de Revolutie kansen. De exagéré en gewezen monnik François Chabot verdiende als lid van het Comité de Sûreté générale goed geld door vervolging te verhinderen van verdachten in ruil voor steekpenningen. Ook betrokken bij de frauduleuze liquidatie van een overheidsinstelling, de Compagnie des Indes, voelde hij zich verplicht een huwelijk aan te gaan om via een fictieve "bruidsschat" 700.000 pond wit te wassen. Hij werd door toedoen van Robespierre onthoofd in 1794.

De bankier Jean-Frédéric Perregaux was een opmerkelijke spin in het corruptienet en een financier van de agitatie van de Exagérés. Oorspronkelijk liet hij zich in met graanspeculatie, en later met het financieren van de oorlogsinspanningen. Hij versluisde grote omkoopsommen uit Engeland naar vooraanstaande Exagérés, met het doel onrust te zaaien en de militaire operaties in de war te sturen. Hij speelde een rol bij het financieren van de agitatie die leidde tot de Commune insurrectionnelle en de aanval op de Tuilerieën. Door hem betaalde revolutionairen droegen bij tot de radicalisering van de Revolutie. De "onverklaarbare" militaire nederlagen onder meer in de Vendée en in het algemeen onder het ministerie van Pache zijn wellicht aan zijn steekpenningen te wijten: revolutionaire helden zoals generaal Westermann, en minister François Louis Deforgues van Buitenlandse Zaken, een stroman van Pache, ontvingen via hem geld uit Engeland.

Om hun agitatie uit te dragen, de Sansculotten op te hitsen en hun tegenstanders uit te schakelen hadden de Exagérés een demagogische pers op maat: Hébert gaf het scheldblad Le Père Duchesne uit, financieel gesteund door het Ministerie van Oorlog van Pache, dat 600.000 abonnementen afnam, en Marat's L'Ami du Peuple.

Wet Le Chapelier[bewerken]

Op 14 juni 1791 werd de Wet Le Chapelier afgekondigd. Historici stellen graag voor dat deze wet het afschaffen van de gilden beoogde, maar als negatief effect ook verenigingen van boeren en arbeiders (vakbonden) verbood. In hun ijver de Revolutie als een modernisering voor te stellen, gaan zij voorbij aan het feit dat Turgot reeds in 1776 de afschaffing van de gilden (les jurandes) voorgesteld had. De Wet Le Chapelier, die stelt het is niet toegestaan de burgers te scheiden van het Publiek Belang door in een geest van samenwerking een intermediair belang te creëren beoogde in het bijzonder de arbeidersverenigingen (compagnonnages) en stakingen te verbieden. Tot dan toe regelden de compagnonnages collectief het loon van de arbeiders, na de wet stond de arbeider alleen tegenover de patroon. De Wet werd tot in de XIXde eeuw gebruikt om syndicaten en stakingen te onderdrukken.

Vlucht van Lodewijk XVI[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Vlucht naar Varennes voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De koning en de koninklijke familie proberen op 20 juni 1791 in een koets naar de citadel van Montmédy te vluchten maar worden op 21 juni gevat in Varennes op korte afstand van hun bestemming. Het gezelschap wordt vernederd terug naar Parijs gebracht. De meerderheid van de Assemblée blijft de koning trouw. De Assemblée en de koning komen tot een vergelijk: in ruil voor een degelijke positie als hoofd van de Uitvoerende Macht en het schrappen van de artikels met betrekking tot de geestelijkheid, zweert Lodewijk trouw aan de grondwet.

De grondwet van 1791[bewerken]

Op 3 september 1791 wordt de grondwet definitief door stemming goedgekeurd. De koning krijgt de uitvoerende macht. Het koninklijk handelen wordt evenwel gedekt door de ministers. De wetgevende macht komt toe aan de Assemblée Nationale Législative. Deze assemblée vormt het machtscentrum van de nieuwe maatschappij. Deze maatschappij is er duidelijk een van rijke burgers. De evidentie waarmee dit uit de wetteksten is op te maken, de talloze compromissen en de bescherming van de koning, zijn oorzaak van een diepe kloof tussen de Assemblée en de publieke opinie.
Nu het werk van de Assemblée constituante klaar is, ontbindt men de vergadering en houdt verkiezingen. Alvorens uiteen te gaan, legt de Assemblée vast dat haar leden geen lid mochten zijn van de nieuwe Assemblée.
Er zijn nu twee nieuwe "Standen" (zonder ze te noemen, want iedereen is nu citoyen of burger): "actieve burgers" , mannen van boven 25 jaar die een minimum aan belastingen betalen, en "passieve burgers", vrouwen, jongeren, en de meeste arbeiders, boeren en armen. De "passieven" mogen niet stemmen of deelnemen aan de Nationale Garde. Het algemeen stemrecht, waarmee de koning de Staten-Generaal (de Assemblée) had samengeroepen, is dus afgeschaft - de Revolutie kan niet voorgesteld worden als een democratische vooruitgang. Tegenover 4 miljoen actieven staan 26 miljoen passieve burgers.
De verkiezingen - volgens een getrapt cijnskiesstelsel - alleen wie voldoende belastingen betaalt mag stemmen voor kiesmannen, die voldoen aan nóg hogere inkomenseisen, en die de uiteindelijke afgevaardigden aanwijzen - brengen een jonge, onervaren burgerelite aan de macht.

In de nieuwe Assemblée législative wordt de rechterzijde nu bevolkt door de feuillants die gehecht blijven aan de constitutionele monarchie, zoals die door de Assemblée constituante in de grondwet werd vastgelegd. Links bestaat uit de jakobijnen en de girondijnen die de grondwet verwerpen en streven naar een republiek. Daartussenin bevindt zich een grote groep weifelende afgevaardigden die deze of gene beslissing steunen afhankelijk van de politieke situatie of hun interpretatie ervan. De jakobijnen proberen de koning uit te schakelen door lastercampagnes en georganiseerd geweld. De girondijnen sturen aan op oorlog om de bestuurlijke en financiële chaos te doen vergeten en de koning, die vrede wenste, als verrader te kunnen elimineren.

Oorlog[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Eerste Coalitieoorlog voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Om de interne moeilijkheden en opstanden te boven te komen, beraamden de Girondijnse revolutionairen een oorlog. Ze hadden drie motieven.

  • Middelen door verovering en plundering. De Girondijnse minister Brissot verklaarde in december 1791 "Oorlog is noodzakelijk voor de toestand van onze financiën en de interne rust." Narbonne, minister van Oorlog zei "Het lot van onze crediteuren hangt af van de oorlog".
  • Een oorlog zou het gewapende volk en de boeren in oproer ver weg van Parijs houden. Minister Roland: "we moeten de duizenden mannen die we onder de wapens hebben zo ver laten marcheren als hun benen hun dragen kunnen, anders komen ze terug om onze keel open te snijden."
  • Terugkeer van het koninklijk gezag. Lodewijk XVI schreef In december 1791 aan baron de Breteuil "in haar ongeluk zal de Natie geen andere uitweg meer weten dan zich in mijn armen te storten."

Op 27 augustus 1791 kwamen de Oostenrijkse keizer Leopold II en de Pruisische koning Frederik Willem II bijeen en tekenden de Verklaring van Pillnitz. Hierbij riepen ze de andere Europese grote mogendheden op om in te grijpen als Lodewijk XVI in gevaar zou komen. Hun interventie reikte niet verder dan woorden, want Pruisen hield zijn troepen liever klaar in het oosten, om een zo groot mogelijk stuk van Polen te kunnen annexeren, met Rusland als concurrent (tweede Poolse Deling). Op 15 maart 1792 benoemde Lodewijk XVI een Girondijns, oorlogszuchtig, kabinet. De Assemblée législative van Frankrijk greep de verklaring van Pillnitz aan als een verkapte oorlogsverklaring, en als excuus om op 20 april 1792 de door de Girondijnen gewenste oorlog te verklaren aan Oostenrijk en de bondgenoten van dit land. Daarop antwoordde Pruisen door de oorlog te verklaren aan Frankrijk. Het nieuws over de ongelukkige afloop van de confrontaties doet het revolutionaire enthousiasme weer oplaaien.

Louis-Léopold Boilly: Schilderij van een sansculotte
George Cruikshank: Spotprent op de Franse revolutie

Het einde van de Revolutie dreigt[bewerken]

Tegen juni 1792 stevende de Revolutie op haar jammerlijk einde af. Voor het ontgoochelde stadsproletariaat en de boeren was er niets veranderd. De arbeiders leden nog steeds honger, en waren legaal nog erger onderdrukt dan onder het Ancien Régime (o.m. De Wet Le Chapelier), en voor de boeren was de met veel omhaal aangekondigde afschaffing van de feodaliteit een maat voor niets geweest - de rijke burgers-grootgrondbezitters hadden de plaats van de adel ingenomen. Door het cijnskiesstelsel was het volk niet in de regering vertegenwoordigd. De volksaanvoerder Marat schreef in l'Ami du Peuple "niet alleen zijn wij tot slaaf gemaakt, maar het is ook nog legaal gebeurd". De koning en de royalisten voelden hun macht groeien. Grote delen van Frankrijk waren in handen van de royalisten en in vele gebieden waren opstanden uitgebroken tegen de revolutionaire regering, zoals in Perpignan, Arles, Mende (Lozère) en de hele Vivarais. Na een aanval van het Parijse volk op het paleis ontsloeg het royalistische departementsbestuur de burgemeester van Parijs, Pétion. De opstandelingen werden voor de rechtbank gedaagd. De koning en de royalisten voelden steeds zekerder van hun stuk. Maar tegelijkertijd marcheren 500 gewapende sansculotten vanuit Marseille op Parijs (la Marseillaise) en ook vanuit Brest komen sansculotte groepen opmarcheren. Men weet dat het volk zich bewapent.

Wanneer de Duits-Oostenrijkse vijand Parijs nadert, slaat de schrik de revolutionaire machthebbers om het hart. De republikeinse Girondijnen pogen de koning aan hun kant te krijgen, teneinde wat hun heilig is - het eigendom, de macht en de corruptie die vele politici schatrijk maakte - te beschermen, maar de koning, zeker van de spoedige aankomst van de Duitse bevrijders, en zich gesteund voelend door troepen onder leiding van La Fayette en Luckner, wijst de toenadering af. De ontknoping lijkt in zicht, en lijkt de vorm aan te nemen van een bloedig herstel van de monarchie. De Jacobijnen wachten af en doen slechts ineffectieve voorstellen, zoals Robespierre, die nieuwe verkiezingen van een Constituerende vergadering voorstelt.

De Commune insurrectionnelle van Parijs[bewerken]

Op 9 augustus 1792 maakten de Parijse Sansculotten en de militie van Marseille gebruik van de dreigende nadering van het Oostenrijkse leger om de burgemeester, Pétion, en het gemeentebestuur van Parijs (de Commune légale) af te zetten en te vervangen door een "Commune insurrectionnelle", een eerste deel van een gewelddadige staatsgreep. Het gepeupel beschikt nu over leiders met een officiële functie, die hun wet kunnen stellen in de hoofdstad. De Commune Insurrectionnelle zal vanaf dat moment de politiek beheersen en de macht betwisten met de Assemblée, en nadien de Convention.

Einde van de monarchie[bewerken]

Op 10 augustus 1792 vond de Bestorming van de Tuilerieën plaats. De Gardes-Françaises keerden zich tegen de koning. Het gepeupel slachtte de Zwitserse lijfwachten af. De koning vluchtte en werd opgesloten in de Temple. De volksopstand, voorbereid en opgezweept door personen buiten de Assemblée en de gevestigde politiek (Santerre, Fournier, Lazowski, Carra, Simon, Westermann, en de bendes van Marseille en Brest) werd op het nippertje gerecupereerd door de Jacobijnen - Robespierre en Danton hadden toenadering gezocht tot Marat. De Assemblée, om haar deel van de volkswoede te ontlopen, verklaart de koning afgezet, stemt voor haar eigen ontbinding en de verkiezing van een Nationale Conventie.
In de paniekstemming volgend op het nieuws van de val van Verdun, en in de aanloop naar de verkiezingen vonden op verschillende plaatsen, in gevangenissen en tijdens transporten van verdachten de Septembermoorden plaats. Op zondag 2 september 's middags begonnen de gruwelijkheden bij het transport van 24 weerspannige priesters naar de gevangenis. Twee uur later werd in verschillende andere gevangenissen waar vermeende 'verraders' opgesloten zaten, huisgehouden. Om zes uur 's avonds waren 115 personen met sabels en pieken afgeslacht. De Parijse Commune van 1792 stelde een soort volksrechtbanken in; de ondervragingen door de voorzitter Maillard waren kort. De slachtoffers werden naar buiten gesleurd en geëxecuteerd. Voor meer details zie het artikel over de Septembermartelaren. De lynchpartij ging door tot vier uur 's ochtends. Een van de slachtoffers was Prinses de Lamballe, een goede vriendin van Marie Antoinette. Haar lichaam werd op brute wijze aan stukken gereten.

De aanstichters van deze moorden bereikten het gewenste effect: door terreur te wegen op de verkiezingen en zekere kandidaten uit te sluiten.
De Pruisisch-Oostenrijkse bevrijders van de koning zouden nooit aankomen: een onverwachte schermutseling van artillerie, de "slag" bij Valmy, op 20 september, wordt een keerpunt. Hoewel de Franse "overwinning" militair niets voorstelde, trok de Duits-Oostenrijkse coalitie zich terug - hun gebrek aan motivatie is toe te schrijven aan de dreiging dat Rusland ondertussen een deel van Polen zou kunnen bezetten, terwijl de Pruisische en Oostenrijkse troepen op het Franse front vechten.

De Girondijnse Conventie[bewerken]

Ongeveer 10 procent van de bevolking neemt deel aan de verkiezingen. De verkiezingen zien opnieuw het personeel van de éérste Assemblée (de Constituante) verschijnen, die zichzelf uitgesloten hadden van de Assemblée Législative - behave de gevluchten en de geïntimideerden. Zo neemt onder meer Robespierre zijn plaats opnieuw in. De in 1789 nog weinig betekenende jonge Robespierre had zich in korte tijd ontpopt tot een belangrijke radicale leider, samen met Danton en Jean-Paul Marat. De radicalen onder leiding van Robespierre krijgen de benaming montagnards, omdat ze de hoogste banken bezetten in de Conventie. Hun tegenstanders worden girondijnen of brissotins genoemd. Zij stonden onder leiding van de journalist en politicus Jacques Pierre Brissot. Tussen hen bevindt zich weer een grote groep 'onafhankelijke' afgevaardigden. Hun zetels bevonden zich letterlijk en figuurlijk meer op de vlakte. De Conventie wordt in haar begin gedomineerd door de Girondijnen. Men noemt deze eerste fase de Girondijnse Conventie.

Een van de eerste bestuursdaden van de Nationale Conventie is het afschaffen van het koningschap op 21 september 1792. Dit wordt het jaar I van de republiek. De Franse Republikeinse Kalender wordt ingevoerd en de maanden van het jaar krijgen een nieuwe benaming. Op 14 januari 1793 veroordelen 387 afgevaardigden (tegen 334) Lodewijk XVI, nu gewoon "burger (citoyen) Louis Capet", tot de doodstraf. Op 21 januari valt zijn hoofd onder de guillotine.

De Conventie stelt een nieuwe Grondwet samen die, wegens de oorlogsomstandigheden, niet toegepast wordt. Het regeren wordt steeds moeilijker. Militair gaat het heel slecht en de Republiek wordt verplicht 300.000 mannen onder de wapens te roepen, op 24 februari 1793 (de levée en masse). De daaropvolgende boerenopstanden worden gewelddadig onderdrukt. In maart 1793 staat de hele Vendée op tegen de Republiek, die reageert met een bloedige burgeroorlog tegen de Vendéens. Een enorme slachting vindt plaats. In Parijs verwijten de Montagnards de Girondijnen een gebrek aan kordaat optreden. Met betogingen, geleid door de sansculotten van de Commune intimideren Robespierre, Danton en Marat de Convention, die uiteindelijk toestemt in uitzonderingsmaatregelen: het Comité de Salut Public en het Revolutionair Tribunaal worden opgericht. Op 26 mei 1793 lanceert Robespierre een oproep tot een opstand en eist dat de patriottistische afgevaardigden de verraders - de Girondijnen - doen arresteren. Op 2 juni zet de oorlogsmachine van de sansculotten zich in beweging: een betoging van 80.000 man, voorzien van 150 kanonnen, bezet de omgeving van de Convention, en dwingt de arrestatie van de Girondijnen af. De afgevaardigden proberen nog in stoet naar buiten te komen, maar worden bedreigd met de kanonnen. Uiteindelijk moeten de afgevaardigden instemmen met de arrestatie van 29 girondijnse leiders.

Het Schrikbewind (de Conventie van de Montagnards)[bewerken]

Robespierre, Danton en Marat
Nuvola single chevron right.svg Zie Terreur (Franse Revolutie) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Conventie heeft in de praktijk de macht uit handen gegeven aan het Comité de salut public. De gematigden worden geweerd, velen beschuldigd van verraad en vervangen door radicale Montagnards. Hierna volgt de periode van het Schrikbewind (de Terreur). Tegenstanders van de revolutie en gematigden, zoals Brissot, Jacques-René Hébert, Georges Danton, Camille Desmoulins, worden veroordeeld tot de doodstraf door de guillotine. Maximilien de Robespierre en Saint-Just spelen in deze periode een grote rol. Onder hun leiding wordt de Terreur met groot succes een staatsdoctrine.

De vrijheden worden opgeschort, en duizenden suspects (verdachten) worden gevangengezet, vermoord, of na een summier proces, waar bewijzen van geen belang waren, naar de guillotine gebracht. De afgezette koningin Marie-Antoinette behoort ook tot de aangeklaagden, met een samenraapsel van aanklachten gaande van incest tot verraad. Zij wordt op 16 oktober 1793 onthoofd. Vele bekende figuren uit het Ancien Régime, en ook revolutionaire politici volgen elkaar op aan de guillotine. In maart en april 1794 maakt Robespierre korte metten met de facties: eerst de Cordeliers (Hébertisten of Enragrés), een nest van corruptie en agitatie, daarna de Indulgents (waaronder Danton en Fabre d'Églantine, beide ook corrupt) die worden terechtgesteld op 5 april.

Op 17 september 1793 wordt de wet tegen de verdachten aangenomen. Volgens Jean Tulard werden 500.000 verdachten opgesloten. Verdacht is:

« wie door zijn gedrag, zijn relaties, door gesproken woord of geschriften, partij heeft getrokken voor de tyrannie, voor het federalisme, of de vijanden van de vrijheid [..], aan wie een certificaat van goed burgerschap geweigerd werd, afgezette ambtenaren, wie ooit van adel was, hun echtgenoten, ouders, kinderen, broers en zusters, de geëmigreerden, wie niet constant zijn ijver voor de Revolutie getoond heeft, diegenen die geëmigreerd zijn, zelfs als ze teruggekeerd zijn.».

Onder het Schrikbewind wordt eindelijk een aantal beslissingen genomen ten voordele van het volk. De prijs van het brood en de belangrijkste levensmiddelen wordt weer gereguleerd, zoals onder het Ancien Régime. De rijken moeten intekenen op een gedwongen staatslening. De slavernij wordt afgeschaft op 23 augustus 1793, evenals het politieke onderscheid tussen actieve en passieve burgers. De krijgswet van 1789, die toeliet op betogende boeren te schieten, wordt afgeschaft. Er wordt van staatswege, op kosten van de geconfisqueerde goederen, voor de armen gezorgd. Robespierre pakt ook de corruptie politici en de speculanten hard aan. Onder de bedreiging van vervolging lossen de corrupte oorlogsleveranciers hun greep (die in goud wilden betaald worden), de valsemunterij neemt af en de koers van de assignaten herstelt zich. Naarmate het nationale scheermes onschuldigen en schuldigen wegmaait, maken de rijke burgers en de zich verrijkende toonaangevende politici (zoals Joseph Fouché) zich terecht zorgen.

Thermidor[bewerken]

De Franse bevolking revolteert tegen de excessen van het Terreurregime. Dit staat bekend als de Thermidor-reactie verwijzend naar de 9e Thermidor. Op 27 juli 1794 worden Robespierre en verschillende andere leidende figuren van het Comité de Salut Public gearresteerd en een dag later terechtgesteld. De rol van de Montagnards is uitgespeeld. Revolutionaire politici zoals Fouché hoeven niet meer voor hun leven te vrezen. Voor de gewone vervolgde verandert er niet veel. In het bijzonder blijft de vervolging van priesters doorgaan, die met duizenden naar de strafkolonie in Frans-Guyana gedeporteerd worden, en de Convention bevestigt de wetten die onder de Terreur aangenomen waren, onder meer de wet tegen de Verdachten.

De leidende posities worden nu ingenomen door de republikeinse, gegoede burgerij. Zij komen niet terug op de antifeodale maatregelen, zijn overtuigd antiroyalisten en voorstanders van het economisch liberalisme. De maximumprijzen voor levensmiddelen worden afgeschaft. Een nieuwe grondwet wordt aangenomen op 17 augustus 1795. Om aan de macht te blijven, ondanks verkiezingen, decreteert de Convention dat tweederde van de verkozenen uit haar rangen moeten komen. De burgerij in Frankrijk verwerft, dankzij de inflatie, voor spotprijzen de goederen van de clerus (zwart goed) en de uitgeweken adel en versterkt daardoor haar economische positie en wint aan maatschappelijk aanzien.

Het Directoire[bewerken]

De nieuwe grondwet installeert het Directoire en creëert het eerste tweekamerstelsel in Frankrijk. Dit parlement bestaat uit 500 afgevaardigden, de "Raad van Vijfhonderd" en 250 senatoren, de "Conseil des Anciens". Het nieuwe regime heeft af te rekenen met een democratische oppositie van zowel royalisten als overgebleven jakobijnen. Het leger wordt ingezet om rellen en contrarevolutionaire activiteiten te onderdrukken. De macht van de succesvolle generaal Napoleon Bonaparte groeit. Een communistische samenzwering onder Gracchus Babeuf, die de algemene dienstplicht en de gelijkstelling van arm en rijk eist en particulier eigendom van grond verwerpt, wordt onderdrukt. Babeuf wordt in 1797 terechtgesteld. Naarmate het democratische proces verder schrijdt (de verkiezingen, gebaseerd op het cijnskiesstelsel, vervangen jaarlijks éénderde van de verkozenen), komt er een royalistische meerderheid. Het Directoire pleegt dan een staatsgreep (4 september 1797) en laat de vooraanstaande royalisten deporteren. 65 Verkozenen worden gedeporteerd naar de strafkolonie.
Uiteindelijk komt Frankrijk terug bij de situatie van vóór de Revolutie, en gebeurt datgene wat Lodewijk XVI tien jaar voordien ten allen prijze had willen vermijden (en wat de Revolutie in beweging gebracht had): het bankroet van de Staat. Op 30 september 1797 besluit het Directoire de Staatsschuld terug te brengen tot één derde, dat ze eufemistisch het Geconsolideerde Derde Deel noemen (Tiers consolidé). Minister Dominique Ramel verklaart «de gevolgen van de vergissingen van het verleden veeg ik weg om aan de Staat de middelen te geven voor zijn toekomst.».

Op 18 Brumaire van het jaar VIII (9 november 1799) nam Napoleon de macht over met een staatsgreep. Hiermee kwam er een eind aan het Directoire en aan de Franse Revolutie.

De rol van vrouwen[bewerken]

Vóór de Franse Revolutie hadden vrouwen een beperkte rol in het politieke proces: niet minder dan zes koninginnen traden op als regentes voor een afwezige koning of een dauphin, en zelfs van in de Middeleeuwen kennen we vrouwen die de scepter zwaaien over belangrijke gebieden (zoals Mathilde van Artesië). Vrouwen hadden ook in zekere mate stemrecht: de bezitsters van een heerlijkheid hadden stemrecht voor de keuze van vertegenwoordigers in de Tweede Stand (adel), en de abdissen konden voor vertegenwoordigers in de Eerste Stand van de Staten-Generaal stemmen.
De Revolutie liet hiervan niets heel. Vrouwen hadden geen politieke rechten in het revolutionaire Frankrijk, ze konden niet stemmen of een politiek ambt bekleden. Ze werden beschouwd als "passieve" burgers aangewezen op mannen om te bepalen wat het beste was voor hen. Het waren de mannen die deze indeling hadden gedefinieerd en vrouwen werden gedwongen om mannelijke dominantie te aanvaarden in de politieke omgeving. De Encyclopédie, gepubliceerd door een groep filosofen gedurende de jaren 1751-1777, vatte deze overtuiging van Franse mannen over de vrouw samen. Een vrouw was een "mislukte man", de foetus was niet volledig ontwikkeld in de baarmoeder. Dit is waarom vrouwen minder serieus genomen werden dan mannen, aan wie "De natuur lijkt te hebben verleend ... het recht om te regeren." In het algemeen, "zijn mannen beter in staat dan vrouwen van bekwaam voor bijzondere gebieden". In plaats daarvan werden vrouwen geleerd om zich in te zetten voor hun man en "al zijn belangen ... [te tonen] aandacht en zorg ... [en] oprecht en discrete ijver op hen tevreden te stellen." Voor een vrouw bestond onderwijs vaak uit het leren om een goede echtgenote en moeder te zijn;.

Toen de revolutie startte, grepen sommige vrouwen met kracht in om zich te laten gelden in het breekbare politieke klimaat. In de tijd van de revolutie konden vrouwen niet worden geweerd in de politiek, ze zwoeren eden van trouw, "plechtige verklaringen van patriottische trouw, [en] bevestigingen van de politieke verantwoordelijkheden van burgerschap." Tijdens de revolutie vochten vrouwen zoals Pauline Leon en haar Société des Citoyennes Républicaines Révolutionnaires voor het recht om wapens te dragen, ze gebruikten ze ook en kwamen in opstand. Het leverde hun niets op.

Nog voor Leon pleitte al een aantal liberalen voor gelijke rechten voor vrouwen met inbegrip van het vrouwenkiesrecht. Nicolas de Condorcet was vooral bekend om zijn pleidooi, in zijn artikelen gepubliceerd in het Journal de la Société de 1789 en door het uitgeven van De l'admission des femmes au droit de cité in 1790.

De Revolutie en de Kerk[bewerken]

In 1789, het jaar van het uitbreken van de Franse Revolutie, was het katholicisme de officiële godsdienst van de Franse staat. In 1787, vóór de Revolutie, had de koning al de godsdienstvrijheid afgekondigd, met het Edict van Versailles - protestanten en Joden kregen hierdoor burgerrechten en het recht hun godsdienst openbaar te belijden. De Franse katholieke Kerk erkende het gezag van de paus als hoofd van de Rooms-Katholieke Kerk, maar had bepaalde vrijheden onderhandeld - het Gallicanisme- die het gezag van de Franse monarch bevoorrechtten. Daardoor kreeg zij een duidelijk nationale identiteit, gekenmerkt door een aanzienlijke autonomie.
De Revolutie bracht de Kerk harde klappen toe: de kerkelijke bezittingen werden in november 1789 in beslag genomen. De inkomsten van de kerk, de kerkelijke tienden, werden afgeschaft door de wet van 11 augustus 1789, waardoor de kerk haar armenhulp en scholen moest sluiten. In 1790 besloot de Constituante dat de priesters een eed van trouw en gehoorzaamheid moesten zweren (constitutionele priesters) om erkend en bezoldigd te blijven. Contemplatieve kloosterorden werden afgeschaft. Bisschoppen werden afgezet en vervangen door constitutionele. Massale weigering en protest, hoofdzakelijk in rurale gebieden en het westen van het land, leidden tot een bittere scheuring en droegen bij tot de impopulariteit van de Revolutie. Op 29 november 1791 decreteert de Constituante alle niet-constitutionele priesters tot "verdachten". In mei 1792 worden alle niet-constitutionele, die door 20 burgers aangeklaagd worden, als vogelvrij beschouwd. De koning weigert deze wetten te ondertekenen. In juli 1792 vinden er moordpartijen op priesters plaats in een aantal grote steden, zoals Bordeaux en Limoges. In augustus wordt de te zweren eed aangescherpt: de priesters moeten nu zweren de principes van Liberté en Egalité met hun leven te verdedigen. Wie weigert, moet het land verlaten. In 1794 werden de kerken van Frankrijk gesloten, alle religieuze orden opgeheven en religieuze erediensten onderdrukt.
In het proces van Ontkerstening werden duizenden priesters vermoord en kerken vernield.

Franse Republikeinse Kalender

Het decreet van 29 september 1795 regelt de scheiding tussen Kerk en Staat. Het voorziet strenge voorschriften voor de uitoefening van de erediensten waarvan alle plechtigheid en uiterlijke tekenen worden afgeschaft. Het dragen van kerkelijke gewaden wordt verboden. Er komt een verbod op de kerkelijke processies en op klokkengelui. Op 17 juni 1796 wordt bij wet de 'burgerlijke stand' opgericht en de overdracht van de door de geestelijkheid bijgehouden registers aan de gemeentehuizen verordend. De liefdadigheidsinstellingen, die van de clerus afhingen, worden omgevormd tot publieke lichamen onder toezicht van de lokale overheid. De wet van 1 september 1796 verordent de sluiting van de kloosters en de naasting van hun goederen. De religieuze congregaties die aan onderwijs en ziekenverzorging doen worden een jaar later eveneens opgeheven.

Er wordt een burgerlijke liturgie in het leven geroepen, een Cultus van de Rede, die daarna, onder de Terreur, vervangen werd door de Cultus van het Opperwezen. Priesters moeten - onder dwang - een eed op de nieuwe orde afleggen, een eed van onderwerping aan de Republiek wordt ingevoerd evenals een eed van haat tegen het koningschap. Veel priesters weigeren de eed af te leggen en duiken onder. Anderen worden gearresteerd. Er wordt beslag gelegd op de kerken en pastorieën die niet bemand zijn met beëdigde priesters. De kerkelijke tienden waren door de wet van 11 augustus 1789 afgeschaft en de priesters werden tussen 1789 en 1795 van overheidswege bezoldigd; vanaf 21 februari 1795 worden de priesters volledig van hun inkomsten beroofd. Veel kunstwerken worden geroofd uit de kerken en kloosters.

Lekenfeestdagen worden ingesteld en een aantal kerken worden omgevormd tot "temples de la loi". De klassieke kalender wordt vervangen door een Republikeinse kalender.

Na zijn machtsgreep in 1799 zocht Napoleon Bonaparte verzoening met de Kerk: in 1801 ondertekenden Napoleon en Paus Pius VII het Concordaat van 1801. In de daarbij aansluitende encycliek Ecclesia Christi erkende Pius VII de Franse Republiek, die van haar kant het katholicisme uitriep tot "godsdienst van de meerderheid".

Herdenking in Frankrijk[bewerken]

De Champs-Elysées in Parijs op de nationale feestdag, Quatorze Juillet (14 juli)

Sinds 1880 is 14 juli, Quatorze Juillet, de nationale feestdag van Frankrijk. Op deze dag worden twee historische momenten herdacht, namelijk 14 juli 1789 en 14 juli 1790. Op 14 juli 1789 werd de Bastille-gevangenis door het volk bestormd en werden de opgesloten gevangenen (vier valsemunters, twee gekken en een verkrachter) bevrijd. Op 14 juli 1790 werd ter gelegenheid van de eerste verjaardag op het Champ-de-Mars te Parijs het Fête de la Fédération (feest van de verzoening en eenheid van Frankrijk) gevierd.

Gevolgen[bewerken]

Algemeen beschouwen historici de revolutie als een van de belangrijkste gebeurtenissen in de menselijke geschiedenis en als het einde van de vroegmoderne tijd, die begon rond 1500, wordt traditioneel toegeschreven aan het begin van de Franse Revolutie in 1789. Sterker nog, de revolutie wordt vaak gezien als het markeren van de "dageraad van de moderne tijd". In Frankrijk zelf verlamde de revolutie permanent de macht van de aristocratie en ontnam het de rijkdom van de Kerk. Beide instellingen overleefden echter wel ondanks de schade die zij leden. Na de val van het eerste keizerrijk in 1815 verloor het Franse publiek de rechten en privileges die zij sinds de revolutie hadden gekregen, maar ze herinnerde zich de participatieve politiek die in de periode gekarakteriseerd, met een historicus commentaar: "Duizenden mannen en zelfs veel vrouwen deden uit de eerste hand ervaringen op in de politieke arena: zij spraken, lazen en luisterden op nieuwe manieren, ze stemden, sloten zij zich aan bij nieuwe organisaties en zij trokken voor hun politieke doelen. De Revolutie werd een traditie, en republicanisme een duurzame optie" Sommige historici beweren dat het Franse volk een fundamentele transformatie onderging in eigen identiteit. Dit blijkt uit de eliminatie van privileges en de daarvoor in de plaats komende rechten. De revolutie vertegenwoordigde de belangrijkste en meest dramatische uitdaging van politieke absolutisme tot op dat moment in de geschiedenis en ondanks zijn mislukkingen verspreidde het de democratische idealen over heel Europa en uiteindelijk de wereld. Het had een grote invloed op de Russische Revolutie en de ideeën inspireerden Mao Zedong in zijn inspanningen om een communistische staat te bouwen in China.

Literatuur[bewerken]

  • Pauwels, Jacques R., Het Parijs van de sansculotten. Een reis door de Franse Revolutie, Uitg. EPO, Berchem (B), 2007, ISBN 978 90 6445 466 0
  • Schama, Simon, Burgers. Een kroniek van de Franse Revolutie. Uitg. Contact, Amsterdam, 1989, ISBN 90-254-6785-7
  • Ploetz, Karl, Aula wereldgeschiedenis in jaartallen, deel 3, Uitg. Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1980, ISBN 90-274-5431-0
  • Guérin, Daniel, De klassenstrijd in de Franse Revolutie. Bourgeois en bras nus 1793-1795, (oorspr. 1973) Ned. vert. Uitg. Het Wereldvenster, Weesp, 1984, ISBN 90 293 9684 9
  • Verbeek, Alphons D.J.M., De Franse Revolutie. Uitg. Het Spectrum, Utrecht / Antwerpen, (Prisma-Boeken 516), 1960.

Zie ook[bewerken]

Bronnen
  1. Het Ancien Régime kan als een Europees verschijnsel worden gezien, maar is in deze context enkel gebruikt voor Frankrijk.
  2. (nl) NRC Handelsblad (16 april 2010): "Eyjafjallajökull is echo van 1783 " De uitbarsting duurde 8 maanden, de as zorgde voor misoogsten, de temperatuur daalde 5° en velen duizenden mensen stierven door hongersnood, de as werd tot in Praag waargenomen.
  3. Houd in gedachte dat koningin Marie-Antoinette wel vaker de dupe was van roddels.
  4. Henri Guillemin, Conférence sur Robespierre, 12 februari 1970
  5. D. M. G. Sutherland, "Peasants, Lords, and Leviathan: Winners and Losers from the Abolition of French Feudalism, 1780-1820," Journal of Economic History (2002) 62#1 pp. 1-24 in JSTOR
  6. R.R. Palmer, "How Five Centuries of Educational Philanthropy Disappeared in the French Revolution," History of Education Quarterly (1986) 26#2 pp. 181-197 in JSTOR
  7. Verklaring van de rechten van de mens en van de burger, misschien eerder te vertalen als Verklaring van de rechten van de man en van de burger (de nieuwe wereldbeschouwing was eerder misogyn).
  8. Het procedé wordt beschreven in Correspondance du dépot des lois avec les fonctionnaires publics, p. 166