Geschiedenis en prehistorie van Palestina
Dit artikel beoogt een overzicht te geven van de geschiedenis en de prehistorie van Palestina.
Palestina kan worden gedefinieerd als het zuidelijk deel van de Levant. Dit is al vanaf de prehistorie een druk doorgangs- en verblijfsgebied geweest van stammen en volkeren van diverse origine. In deze regio zijn daardoor herhaaldelijk verschillende culturen met elkaar in botsing gekomen. Tezelfdertijd was het gebied in veel opzichten een smeltkroes, waar de verworvenheden van de omringende culturen op elkaar inwerkten.
Het gebied ligt op de overlappingszone van vier oude culturen: de Mesopotamische in het oosten, de Anatolische in het noorden, de Minoïsche in het westen en de Egyptische in het zuiden. Deze cultuurgebieden hebben grote invloed op de gebeurtenissen in Palestina uitgeoefend, wat leidde tot het opkomen en verdwijnen van verschillende rijken en stadstaten.
Grondgebied en bevolking [bewerken]
Begrenzing [bewerken]
Het gebied dat als Kanaän bekend werd, lag in het zuidelijk gedeelte van de Levant en bestreek wat heden ten dage Israël heet, met daarbij de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, Jordanië en een groot deel van Syrië en Libanon. Het heeft talloze namen gehad in zijn vele millennia lange geschiedenis, maar Kanaän is de oudst bekende. Etnisch en politiek werd het gebied al gauw een onsamenhangend geheel vanwege de doortocht en intocht van meerdere volken. Maar die deelden wel voldoende gelijkenis in hun taal en hun cultuur om allen bij elkaar als Kanaänieten te worden beschouwd, al dient gezegd dat de heterogeniteit toenam naarmate de geschiedenis in dit gebied voortgang vond, en dat conflicten er nooit echt van de lucht zijn geweest.
Culturele context [bewerken]
Vanouds was het gebied, dat met "Kanaän" wordt aangeduid, variërend in omvang, maar altijd gelegen op het kruispunt van een groot cultureel netwerk, waarvan de hoofdpolen zich bevonden in Mesopotamië, Anatolië, het Oude Egypte en Minoïsch Kreta. Naarmate deze gebieden zichzelf ontwikkelden fungeerde Kanaän steeds meer als doorgangsgebied, en onderging het de invloed van al deze evoluerende culturen. Bovendien waren er vanouds rondtrekkende nomaden, die zowel handelsproducten als cultuurgegevens meevoerden. Verder stroomde op zeker moment omstreeks 2500 tot 2300 voor Chr. een golf van Indo-Europese volken, via de Kaukasus naar het zuidwesten en overspoelde uiteindelijk ook Kanaän.
Periodisering [bewerken]
De geschiedenis en prehistorie van Palestina kunnen in de volgende perioden worden onderverdeeld:
| Hoofdperiode | Periode | Jaartallen | Opmerkingen |
|---|---|---|---|
| Paleolithicum 2,5 miljoen jaar – ~18.000 v.Chr. |
|||
| Opper Paleolithicum | 25.000 – 10.000 v.Chr. | ||
| Mesolithicum ~18.000 - ~8000 v.Chr. |
|||
| Neolithicum | ~8000 – ~4500 v.Chr. | ||
| Chalcolithicum | ~4500 - ~3500 v.Chr. | ||
| Bronstijd | Vroege Bronstijd | ~3500 - ~2000 v.Chr. | |
| Midden-Bronstijd | ~2000 - ~1550 v.Chr. | ||
| Late Bronstijd | ~1550 - ~1200 v.Chr. | ||
| IJzertijd | IJzertijd I | ~1200 - ~900 v.Chr. | |
| IJzertijd II | ~900 - 586 v.Chr. | ||
| Babylonische tijd | 586 - 539 v.Chr. | ||
| Perzische tijd | 539 - 332 v.Chr. | ||
| Hellenistische tijd | 332 - 63 v.Chr. | ||
| Romeinse tijd | 63 v.Chr. - 324 n.Chr. |
Paleolithicum [bewerken]
Ongeveer twee en een half miljoen jaar geleden begon op aarde een periode van ijstijden, afgewisseld door warmere perioden.
Homo erectus was de eerste hominide die Afrika verliet en zich op andere continenten begon te vestigen. Volgens vele onderzoekers beheerste Homo erectus het vuur.
Mesolithicum [bewerken]
Het Mesolithicum wordt geacht in Palestina rond 18.000 v.Chr. te beginnen.[1] Sommige archeologen gebruiken liever de term 'Epipaleolithicum'.[2] In Zuidwest-Azië vond in dit tijdvak een van de allerbelangrijkste ontwikkelingen in de geschiedenis van de mens plaats: de overgang naar een maatschappij van boeren en herders.
Het staat vast dat het klimaat in de regio aan het begin van deze periode aanzienlijk verschilde van het tegenwoordige. In ieder geval was het aanmerkelijk kouder. Er bestaan echter verschillende opvattingen waar het de jaarlijkse hoeveelheid neerslag betreft. Sommige geleerden menen dat er destijds meer regen viel. Recente metingen en analyse van zuurstofisotopen in grotten hebben deze opvatting echter in twijfel doen trekken. Sindsdien is een substantiële groep klimatologen van mening dat het klimaat destijds juist aanzienlijk droger was.
Rond 13.000 v.Chr. veranderde het klimaat: het werd warmer en de hoeveelheid neerslag nam toe. Wilde tarwe gedijde uitstekend in dit klimaat.
De zeespiegel lag beduidend lager dan tegenwoordig. De huidige Golf van Suez en de Golf van Akaba waren land, zodat de Sinaï destijds geen schiereiland was. Volgens Noll lagen er meren in de Negevwoestijn. De Dode Zee, het Meer van Tiberias en de vallei van de Jordaan zouden deel hebben uitgemaakt van een groot zoutwatermeer, het Lisanmeer. Gedurende het Mesolithicum werd het meer kleiner; de Jordaanvallei kwam boven water te liggen. Spoedig vestigden zich hier mensen.[1]
De groep mensen in het gebied rond het zich terugtrekkende Lisanmeer wordt de Natufische cultuur genoemd. Opmerkelijk is dat zij al vóór de ontwikkeling van de landbouw leefden in permanente nederzettingen, en geen nomadisch bestaan leidden. In zo'n nederzetting leefden naar schatting ongeveer 100 mensen, soms nog minder. De Natufiërs hielden honden als huisdier en leefden van de jacht op gazellen, hazen en vogels. Nadat het klimaat vochtiger was geworden en tarwe zonder menselijke bemoeienis spontaan op de heuvels begon te groeien, veranderde hun voedingspatroon. Door de rijpe zaden te oogsten konden de Natufische gemeenschappen grotendeels in hun voedsel voorzien.
Archeologisch feit is dat vanaf 9000 v.Chr. in Jericho al een eerste sedentaire laag is vastgesteld van een nederzetting waarvan het technisch niveau vergelijkbaar is met dat van Çatal Hüyük in Anatolië. Deze behoort tot de Natufische cultuur die zich uitstrekte over het Mediterrane deel van de Levant. De Natufiërs waren waarschijnlijk de voorouders van de bouwers van de eerste neolithische nederzettingen in dit gebied.
Al was de bodem er niet zo vruchtbaar, het regende veel in dit gebied met maritiem klimaat tot circa 5000 v.Chr.. Daarom kwam er toch landbouw op gang op de bergflanken. Naarmate het minder ging regenen verplaatste de landbouw zich naar de valleien. Muren rond de vroege nederzettingen zoals Jericho waren zo een bescherming tegen overstroming en tegen vijanden.
Neolithicum [bewerken]
Met het ontstaan van landbouw begint het Neolithicum. Deze 'uitvinding' was in veel opzichten een mijlpaal, zowel in de geschiedenis van de mens als in die van onze planeet.
Er kan overigens nauwelijks voldoende benadrukt worden dat het ontstaan van landbouw een geleidelijke ontwikkeling was, die vele generaties in beslag nam.
Rond 5600 v.Chr. doorbraken de wateren van de Egeïsche Zee de Bosporus; de Zwarte Zee ontstond.
Gedurende het Neolithicum week het klimaat in Palestina nog steeds af van het huidige. Er viel niet alleen meer regen, het regende ook in alle seizoenen. Tegenwoordig valt er in de zomer doorgaans heel weinig regen.
Neolithische revolutie [bewerken]
Emmertarwe, een tarwesoort, was het eerste gewas dat gedomesticeerd werd. In deze streken groeide het emerkoren van nature. De oudste bewijzen van landbouw zijn koolstofdateringen van emerkoren die gedateerd zijn op ~8500 v.Chr..
De nieuwe wijze van voedselvoorziening was een succes en leidde tot bevolkingsgroei. Nederzettingen verschenen parallel in het hele gebied waar destijds de landbouw werd ontwikkeld, ook in Anatolië en Mesopotamië en spoedig ook in de aangrenzende gebieden, vanwaar zaaigoed werd meegenomen door migranten. Zij zouden kolonies stichten op de eilanden (Cyprus, Santorini, Minoïsch Kreta) en ten slotte ook op het vasteland van Griekenland en de Balkan.
Ook de pottenbakkerskunst werd door de stamvrouwen beoefend en verbeterd. Bovendien ontwierpen zij een systeem om de potten te merken, zodat men wist welk zaaigoed waar en voor wie werd bewaard. De mannelijke leden van de samenleving gingen nog geruime tijd voort met jagen en met visvangst. Zij kwamen slechts sporadisch te hulp in het huishouden en in de bijbehorende land- en tuinbouwwerken. Pas toen de technieken nog verbeterd werden en de ploeg werd ontworpen, was het aan de mannen om de zwaardere klussen te helpen klaren.
Nederzettingen [bewerken]
Doordat er meer monden gevoed konden worden, namen de nederzettingen in omvang toe. Veel dorpen waren aanzienlijk groter dan de nederzettingen van de Natufische cultuur. Ten noordoosten van de Dode Zee is een neolithisch dorp opgegraven, Ain Ghazal, dat naar schatting zo'n 2000 inwoners telde.[3] Jericho was nauwelijks kleiner.
Van 8350 tot 7370 v.Chr. was Jericho al een nederzetting van 4 hectare, omringd door een stenen muur, met een stenen toren. Voor zover bekend is dit de eerste keer dat een dergelijk versterkt bolwerk werd gebouwd. De 'stadsmuur' omringde kleine, ronde huizen van kleisteen. De geringe omvang van de huizen is reden om te denken dat er in één huis slechts één gezin leefde: ouders met hun kinderen.
Er zijn in Jericho ook gedomesticeerde graansoorten en restanten van de jacht op wild gevonden. Men spreekt hier van het 'prekeramisch neolithisch A'.
In de lagen van 7220 tot 5850 v.Chr. vonden archeologen in Jericho een uitgebreide verzameling gedomesticeerde planten en tekenen van mogelijke domesticering van schapen. Er is ook sprake van een cultus waarbij menselijke doodshoofden werden bewaard, waarvan in sommige gevallen de gelaatstrekken en ogen gereconstrueerd zijn. Deze periode wordt Prekeramisch neolithisch B genoemd.
Archeologen hebben ontdekt dat grotere nederzettingen op zulke afstanden van elkaar werden gevestigd, dat men vanuit de ene de andere net niet kon zien. Dit impliceerde dat het zichtbare omringende gebied bij de vestiging hoorde. Dergelijk systeem werkte goed in heuvelachtig landschap, waar de vestiging in principe telkens centraal in een kom lag. In grotere vlakten zou terreinafbakening problematischer zijn.
Handel en contacten [bewerken]
In 7000 v.Chr. trokken handelaars rond via de vanouds bekende routes. Kanaän werd doorgangsgebied voor handel via nomaden. Het sloot aan op de oude karavaanroutes en de zijderoutes. Er waren op die manier indirecte contacten met Mesopotamië, Elam en de Indusvallei (via Dilmun)
Via verbeterde vissersboten werden blijvende contacten onderhouden tussen de eilanden, ook de Cycladen die de een na de ander werden bevolkt, en gelijktijdig ook het vasteland.
Het feit dat Jericho al vroeg ommuurd werd met zelfs een uitkijktoren wijst erop dat de nederzetting zich moest beschermen, iets wat bijvoorbeeld bij Çatal Hüyük niet nodig bleek. Dit kan erop wijzen dat de relatief smalle strook van Kanaän nog steeds doortochtgebied was van rondtrekkende horden die zich eventueel aan de opgeslagen rijkdommen zouden vergrijpen.
De 'Vruchtbare Halvemaan' [bewerken]
De door de Obeidcultuur gemaakte artefacten zijn langs de hele kust van Arabië gevonden, waaruit de groei van een handelssysteem bleek, dat zich uitstrekte vanaf de Middellandse Zee tot Oman.
In de Vruchtbare Sikkel (ook Vruchtbare Halvemaan) was er in deze tijd een algemene toename van het aantal nederzettingen. Deze waren sociaal geordend rond of nabij een gemeenschappelijke cultusplaats, waar ook de voorraden werden beheerd, zoals zaaizaad, olie, grondstoffen voor pottenbakken en textiel, enz. Aan het hoofd van deze ‘heiligdommen’ stond een clanmoeder, die een aantal helpsters en helpers ter beschikking heeft. Zij was degene die de hemel afspeurde naar tekenen die aangaven wanneer de tijd voor zaaien en planten gekomen was. En bij haar culmineerde alle kennis omtrent deze planten en het gebruik ervan. Zij was degene die werd geraadpleegd door jong en oud, en die het werk regelde en verdeelde, samen met de nodige middelen. Haar rol raakte stilaan geïdentificeerd als zichtbare aanwezigheid van de oermoeder, die vanouds alle leven geeft en neemt en de natuur regelt.
Voor de onzichtbare moedergodin werd een zichtbare verblijfplaats met zeker aanzien gemaakt, aanvankelijk in hout en met kleitegels. Deze heiligdommen waren de eerste tempels, waarvan de grotere later met houten zuilen werden omgeven om het zware houten dak te stutten, dat zodoende op de wanden rustte zonder deze uit elkaar te duwen. Deze daken waren geïnspireerd op een boot die werd omgekeerd. De heiligdommen werden versierd met kleipanelen die beschilderd werden met mythische taferelen. Ook de zuilen werden waarschijnlijk al van canneluren voorzien om beter een bezetting met kleireliëfs te kunnen dragen. Later zouden een aantal van deze houten tempels geleidelijk in steen worden omgebouwd. Naar oud gebruik werd er altijd een asherah bij het heiligdom geplant. Deze levensboom was het symbool van de vruchtbare godin zelf geworden. In de tempel werd tijdens bepaalde plechtigheden een tak met vruchten van de sycamorevijg bij wijze van communie doorgegeven [4].
In de omgeving van Jericho zijn graven uit de steentijd ontdekt waarin de lijken in foetushouding waren geborgen. Ze bleken in feite tweemaal te zijn bijgezet. Eerst waren ze ontvleesd (mogelijk door ze aan gieren bloot te stellen) en werden de knoken bijgezet. Na enige tijd werd het graf opnieuw geopend en de schedel weggehaald en kunstig bewerkt. In de oogkassen werden kaurusschelpen uit de Rode Zee geplaatst. De onderkaak werd niet meegenomen. Schedels waren vaak versierd met juwelen, wat kan wijzen op een vooroudercultus.
Roodfigurige aryballos-vormige lekythos uit Attika door Aison, ca. 410 v.Chr, Musée du Louvre.
Statuut van de priesteres [bewerken]
De priesteres van de tempel kreeg meer en meer het statuut van ‘meesteres’ en zij werd ook zo genoemd (‘Baälat in het Kanaänitisch). Zij koos zich een jonge krachtige kandidaat om voor nageslacht te zorgen en haar oudste dochter zou haar functie overnemen als ze er zelf te oud voor geworden was. Dan werd ook een nieuwe Baäl gekozen. De functie van de Baäl was ondergeschikt, hij kreeg meestal enkel verantwoordelijkheid als jachtopzichter of iets dergelijks. Het gebeurde ook regelmatig dat hij werd vervangen, indien niet aan de verwachtingen werd voldaan (zoals het zorgen voor nageslacht). Gedurende een zekere periode zou de Baäl zelfs jaarlijks zijn geofferd aan de Godin. Het volk wou kennelijk voorkomen dat hij zou complotteren, en men geloofde dat hij - zoals het zaad - moest sterven en in de grond gestopt worden om vernieuwd tevoorschijn te komen in de gedaante van een jongeman, de zoon-gemaal, die dan op zijn beurt als echtgenoot aan de Baälat werd geschonken.
Later in het Neolithicum is het offer van de goddelijke koning omgezet in het offeren van een kostbare stier. Het mocht tenslotte ook een gouden kalf zijn. Nog later, toen het feest zich over de massa uitbreidde, werd het een schaap of lam. Intussen was echter ook de symboliek rond de stier ontstaan, die we van Mesopotamië over Anatolië tot Egypte, en later ook in Minoïsch Kreta overal zien vertegenwoordigd. Voor de koninklijke gemaal zelf waren er intussen regeneratierituelen ingesteld, waarbij deze zijn viriliteit en potentie moest bewijzen in een aantal prestaties om zich tenslotte met de vertegenwoordigster van de Godin zelf te verenigen in een hieros gamos. Het ritueel breidde zich al gauw over de hele leefgemeenschap uit, waarbij tempelpriesteressen en dienaren wilden bijdragen tot de opperste ervaring van de zalige deugden van het goddelijke.
Culturele ontwikkeling [bewerken]
In en nabij de tempel werd de jongeren geleerd respect op te brengen voor de waarden van de samenleving, de Kanaänitsche mythen te leren kennen, en zich te bekwamen in allerhande noodzakelijke vaardigheden. Op een open plein, meestal aan de westkant van het tempelmagazijn was er ook ruimte voor bijeenkomsten die tot zonsondergang konden duren. Deze hadden tegelijk een utilitair of amusementskarakter maar waren ook religieus van aard. Bij bepaalde gelegenheden die overgangsmomenten in de landbouwcyclus of in de samenleving kenmerkten, werd er gefeest. Jongeren haalden er halsbrekende krachttoeren uit met de te offeren stier. Maar het was ook nog altijd de plaats om bijeen te komen voor het verzamelen en herverdelen van levensmiddelen zoals zaaigraan, onder toezicht van de tempel. Latere paleizen (zoals dat van Knossos, maar ook in Syrië) appelleren aan deze organisatievorm in hun architectuur en in sommige overgebleven fresco’s.
In de grote vrije natuur tussen de nederzettingen was ruimte voor jacht en veehouderij. Voornamelijk schapen en geiten werden als eerste gedomesticeerd. Ook de oeroude verbindingswegen bleven daar behouden voor grotere karavanen van trekkers die vee, grondstoffen en afgewerkte goederen uitwisselden tussen nabije en verdere nederzettingen. Dit net van begaanbare paden, sloot feilloos aan op wat de zijderoutes zouden worden en ook op de waterroutes, zowel over de rivieren als over zee.
Vanaf het vierde millennium leidde de ontwikkeling van de landbouwgemeenschappen overal tot aaneengroei in grotere nederzettingen. De grootste of meest bezochte werden geleidelijk omgevormd tot steden. Hun gemeenschappelijke infrastructuur was uitgebreider en geavanceerder. Ze kregen vaak grotere tempels, die eventueel door meerdere nederzettingen in de omgeving werden benut.
Rond deze tijd werd ook het zeil ingevoerd. Daarmee werden de rivieren belangrijke verkeersaders en was uitwisseling van cultuur en goederen over grotere afstanden mogelijk. Dit leidde tot relatieve harmonisering van de culturele verworvenheden in de wijdere omgeving van Egypte tot Anatolië, Mesopotamië en het er tussenin liggend Kanaänitisch gebied.
De Mesopotamische cultuur was nadrukkelijk aanwezig in Susa en in Syrië en Anatolië in deze zogenaamde Urukperiode. Via rolzegels werden de eerste pictogrammen als herkenningsteken afgedrukt op kleitabletten, die met een touwtje aan potten werden gehangen. Mede door de groeiende handel met het Middellandse Zeegebied, de Levant, Klein-Azië en het gebied langs de Perzische Golf, en de daardoor noodzakelijk geworden documentatie en administratie, ontstond aan het eind van het Neolithicum het schrift.
Chalcolithicum [bewerken]
Met de ontwikkeling van metaalbewerking begint het Chalcolithicum, ook Kopertijd genoemd. In Voor-Azië is dit de laatste fase van de prehistorie.
Koper is tamelijk zacht en komt niet in grote hoeveelheden in de grond voor. Er werden hoofdzakelijk sieraden en voorwerpen bestemd voor religieuze plechtigheden van gemaakt. De meeste gebruiksvoorwerpen waren nog steeds van hout of steen.
De vraag naar koper stimuleerde de handel, in het bijzonder de langeafstandshandel. De geëxploiteerde kopermijnen lagen op grote afstand van de meeste centra van menselijke beschaving. Koper was daardoor bij uitstek een luxeartikel en een teken van hoge status; alleen de elite slaagde erin het te bemachtigen. Krijgers beheersten de handel in koper. Aldus droeg de nieuwe techniek bij aan een proces van toenemende sociale stratificatie.
Ook in Palestina is de sociale differentiatie aangetoond. In deze periode ontstonden grotere dorpen die de kleinere omringende dorpen aan zich ondergeschikt maakten. De Engelse literatuur spreekt van chiefdoms.
Bronstijd [bewerken]
De Bronstijd dankt zijn naam aan de ontwikkeling van een nieuwe technologie: het maken en bewerken van brons. Brons wordt vervaardigd door een kleine hoeveelheid tin aan koper toe te voegen. Het voordeel van brons is dat het harder is.
Verreweg de belangrijkste 'uitvinding' van deze periode was de ontwikkeling van het schrift rond 3200 v.Chr.. Het oudste schrift verschijnt min of meer gelijktijdig in twee gebieden: in Mesopotamië en in Egypte. De ontwikkeling van het schrift was het logisch gevolg van een ontluikende bureaucratie in deze cultuurgebieden.
Vanuit Ugarit waren al vroeg handelscontacten gelegd met Cyprus, waar men koper vandaan haalde, en ook met de verder weg liggende Cycladen. Ook Kreta was inmiddels door mensen gekoloniseerd. Intussen zijn de contacten tussen Mesopotamië, Anatolië, Syrië en Egypte toegenomen.
Ook met Anatolië werden in de Bronstijd de contacten aangehaald. Men haalde in de bergen van de Taurus obsidiaan voor spiegels, en tin om met koper tot brons te mengen. Dit werd waarschijnlijk via Cyprus aangevoerd, dan wel via Ugarit.
Aan het einde van het vierde millennium blijkt Jericho, dat vanuit het stroomgebied van de Eufraat via de Jordaan goed bereikbaar is, een ommuurde stad, die voortaan onafgebroken bewoond wordt. Vanwege haar ligging werden er grote voorraden en kostbaarheden opgeslagen om verder verhandeld te worden.
Na een klimaatverandering begonnen Indo-Europese nomaden vanuit het noorden de Levant binnen te dringen.
Vroege Bronstijd (~3500 - ~2000 v.Chr.) [bewerken]
Terwijl op Kreta de Minoïsche beschaving bloeide en er vanuit dit eiland, als naaf in een wiel, voortdurend overzeese contacten waren met de wijde omgeving van de Middellandse zeekusten, waren ook in de Levant een aantal steden opgekomen. Vermoedelijk was er daarbij ook sprake van culturele uitwisseling.
Op Kreta werd een slangengodin vereerd. In het Kanaänitische Beet She'an bevond zich een tempel voor Ashtoreth, waar archeologen een slangenkoker en Astarteplaketten hebben opgegraven uit dezelfde tijd. Ook Byblos had een grote tempel die aan de godin was toegewijd. Uit deze periode dateren ook in Taänach gevonden slangenhoofden en een klein figuurtje dat een slang vasthoudt. Daar werd eveneens een bronzen figuur van Attoret gevonden met de inscriptie dat de godin er orakels gaf door met de vinger te wijzen. In Bet Shemesh vonden archeologen kruiken met slangen en een godinnenbeeld met een slang rond zich gedraaid. De Oerslang was zelf een voorstelling van de natuur van de moedergodin.
Gedurende de Vroege en Midden-Bronstijd gingen Syrië en Palestina ieder hun eigen weg. Palestina was gedurende een aantal generaties vrijwel onbewoond. Gedurende de Vroege Bronstijd verschenen er migranten uit het noorden. Het gebied bleef dunbevolkt en nam nauwelijks deel aan de internationale handel. Alleen met Egypte was er regelmatig contact.
Er zijn uit deze periode in Palestina nauwelijks schriftelijke bronnen overgeleverd. Palestina verkeerde nog in de prehistorie. Het gebied bestond uit ongeveer twintig kleine stadstaten. Slechts enkele steden hadden meer dan 2.000 inwoners. De belangrijkste Palestijnse steden waren Megiddo, Laish, het latere Dan, en Ai.
Handel en culturele uitwisseling [bewerken]
Als we Herodotos willen geloven zouden in Fenicië rond 2750 v.Chr de eerste steden zijn gesticht. Navolging van de bloeiende stadstaten in Mesopotamië kan deze ontwikkeling hebben beïnvloed. Sidon was vanaf 2700 v.Chr. de oudste Fenicische stad naast Baalbek en Tyrus. Dit waren alle havens van het mediterrane handelsrijk. Tyrus, dat uit dezelfde tijd stamt, was eveneens een latere havenstad van de Feniciërs. Er bevond zich een Ashtart-tempel in Sidon.
Aan de kust van Syrië waren rond 2500 een aantal van deze steden tot bloei gekomen; zij speelden een belangrijke rol in de internationale handel. Gedurende het Oude Rijk vond op grote schaal vreedzame uitwisseling van goederen en cultuur plaats met Egypte via de steden Askalon en Byblos.[5] In de Vroege Bronstijd was Byblos de belangrijkste havenstad van de Levant. Van daaruit werd vooral veel cederhout naar Egypte verscheept; aangezien er in Egypte zelf weinig bomen met goed timmerhout groeiden, was dit daar een gezocht artikel. Tijdens de tweede dynastie (~2853 - ~2707) waren de kuststeden min of meer Egyptische kolonies. Ook met Mesopotamië was er een levendige handel, vooral in metaal.
Volksbewegingen en vazalsteden [bewerken]
Vanaf 2500 treedt er een kentering op in de rustige vreedzame levenswijze in en rond Kanaän. Vanaf nu merkt men toenemende volksbewegingen op in en naar de regio, en pogingen vanuit Egypte om het gebied voor zichzelf veilig te stellen en de handelsrelaties veilig te stellen.
De stadskoningen (intussen ‘’Baäls’’ genaamd), werden vanaf de 4e Dynastie van Egypte (2639 - 2504 v Chr.). vazallen van farao’s als Snofroe. Deze laatste ondernam op zeker moment een strafexpeditie tegen Libische stammen, waarbij honderden Libiërs gevangen werden genomen, omdat een ‘’Baäl’’ blijkbaar niet aan zijn voorwaarden voldeed. Iets gelijkaardigs gebeurde daarna meerdere malen. Teti, Farao van de 6e Dynastie van Egypte (2347-2335 v.Chr.), (en veel later ook Merenptah en Othoes) stuurden expedities naar Kanaän. In Byblos zijn sporen van hem gevonden.
Volgens professor Seton Lloyd "schijnt er omstreeks 2300 voor Chr. een golf van Indo-Europese volken, die een dialect spraken dat als Luwisch bekendstaat, over Anatolië heen gespoeld te zijn"... ”Hun voorttrekken werd gekenmerkt door wijdverbreide destructie".[6] Tussen 2300 en 2100 ontstaat ook een migratiegolf van Semieten naar het noordelijke deel van Kanaän dat later Fenicië zou worden, waarbij twee volken mengden[7]. Het is in dezelfde periode, rond 2100 v.Chr. dat Myceense Indo-Europese stammen Griekenland binnenvielen. Deze Achaeërs drongen door tot de Peloponnesos en stichtten er de steden Mycene, Tiryns en Pylos, met kolossale burchten en muren.
Op de kuststrook van Kanaän vestigden zich een honderdtal jaren later de Filistijnen. Zij onderhielden nog sterke banden met het Minoïsch Kreta en Cyprus[8].
De moedergodincultus was bij hen algemeen verbreid zoals overal rond het Middellandse Zeegebied, ook de cultus van de slangengodin, die later zou worden voorbijgestoken door die van de oorlogsgod Dagon.
Midden-Bronstijd (~2000 - ~1550 v.Chr.) [bewerken]
Tijdens de Midden-Bronstijd kwamen een aantal stedelijke centra in Palestina plotseling tot bloei. Deze opbloei houdt vermoedelijk verband met invloeden uit Egypte tijdens het Middenrijk en de periode van de Hyksos. Ook de invloed van Fenicië was groot in deze periode.
Tijdens het Middenrijk voerde Egypte een op expansie gerichte politiek. De twaalfde dynastie probeerde Nubië te veroveren omdat het rijk was aan goud, koper en rundvee. Ook in Syrië werden veldtochten gehouden. Ook in deze periode was het bemachtigen van het cederhout uit Libanon hiervan de belangrijkste drijfveer. Andere gewilde producten uit Syrië waren wierook, olie en wijn. Met de stad Byblos en andere stadstaten werden diplomatieke contacten onderhouden.
Inscripties daterend uit de negentiende eeuw, geschreven in wat lijkt op Proto-Sinaïtisch schrift, zijn gevonden in Opper-Egypte. Het Proto-Sinaïtische schrift is in gebruik gebleven tot ~1100 v.Chr.
Vanaf 1800 v.Chr. is er sprake van Amorieten die nu deel uitmaken van de bevolking in Kanaän. Toen de Amorieten de regio waren binnengevallen veroorzaakte dat grote omwentelingen. Steden raakten verlaten en geheel vernield, en de rondzwervende indringers gingen zich op hun beurt vestigen. Zo waren er nieuwe ommuurde steden verrezen met stamhoofden die in forten leefden, terwijl de half-nomadische stamleden zich daar in hutten of tenten rondom schaarden, en als er gevaar dreigde het fort binnen vluchtten.
De invloed van de Filistijnen blijkt uit laat-17e eeuw v.Chr. daterende Astarteplaketten die gevonden werden in Tel Beit Mersim en van hen afkomstig zijn. Ook een godin met een slang, en een zuil met godin en slang in reliëf, die er werden gevonden, zijn van dezelfde tijd als het beeld van de slangengodin uit Knossos[9]. Zij wijzen eens temeer op de verwantschap met de Minoïsche cultuur.
Hyksos; verwoestingen [bewerken]
Rond 1750 v.Chr. brak in Egypte een periode van politieke desintegratie aan. Semitische migranten uit het oosten drongen de delta binnen om er zich in aanzienlijke aantallen te vestigen. De invallers introduceerden in Egypte het paard en de strijdwagen, nieuwe wapens en een nieuw soort boog. Mede door hun aantal waren zij een macht van betekenis; hun aanwezigheid bracht in Egypte op termijn buitenlandse heersers aan de macht.
Rond 1640 v.Chr. werd de dertiende dynastie omvergeworpen door een groep van deze Hyksos, de Griekse vorm van de Egyptische woorden heqaw khasut, 'heerser van vreemde landen'. De Hyksos maakten Avaris in de oostelijke delta tot hun hoofdstad. De vijftiende dynastie van deze Hyksos werd gesteund door prinsen en vazallen die in Neder-Egypte tot de zeventiende dynastie zouden heersen. Opper-Egypte ten zuiden van Memphis maakte geen deel uit van hun machtsgebied. Avaris speelde een belangrijke rol bij de handel met zuidelijk Palestina, dat vermoedelijk ook door de Hyksos werd geregeerd. Ook met Cyprus, Kreta en Griekenland werden door hen contacten onderhouden.
Veel later zou ook farao Ramses II zijn hoofdstad naar de oostelijke delta verleggen.
In Kanaän werd rond 1580 v.Chr. de stad Jericho belegerd en nu geheel verwoest. Ook andere steden werden verwoest. Enkele christenfundamentalisten meenden hier Jozua en het volk Israël aan het werk te zien, hoewel een dergelijke datering niet strookt met de Bijbelse chronologie. Een deel van de verwoestingen is ongetwijfeld het werk van Egyptische legers; Egypte begon aan het eind van de Midden-Bronstijd immers de verovering van Palestina en Syrië na te streven.[10]
De Engelse archeologe Kathleen Kenyon[11] heeft dankzij archeologische verbeterde stratigrafie methoden de ruïnes van de wallen van de stad Jericho in 1550 v.Chr. gesitueerd.
Late Bronstijd (~1550 - ~1200 v.Chr.) [bewerken]
Tussen ~1650 en ~1550 werden de meeste steden in Palestina verwoest. Dit had verschillende oorzaken. Gedurende de Late Bronstijd was de regio een speelbal in de strijd tussen de grootmachten. In het noorden had het koninkrijk der Hittieten zich tot een sterke militaire macht ontwikkeld. In noordelijk Mesopotamië lag het rijk Mitanni, een Indo-Europees vorstendom met een aristocratie die bedreven was in de oorlogvoering met de strijdwagen. De sterkste macht was Egypte, dat onder de achttiende en negentiende dynastie het hoogtepunt van zijn macht bereikte.
Er waren een aantal redenen waarom de grootmachten probeerden Syrië en Palestina te veroveren. Enerzijds waren dat de natuurlijke hulpbronnen van het gebied: het cederhout uit Syrië, de olie en wijn van Palestina en de kopermijnen in de Negevwoestijn. Anderzijds speelden strategische overwegingen een rol: het gebied lag tussen de grootmachten in.
Voor Palestina waren de effecten van de buitenlandse overheersing vooral negatief. Belasting en tribuut deden de welvaart afnemen. Daarnaast werden sommige bewoners tot slaaf gemaakt of gedeporteerd.
De grootmachten: Egypte, Mitanni en de Hittieten [bewerken]
In Egypte werden de Hyksos als vreemde invallers beschouwd. Er werd langdurig strijd geleverd tussen de heersers in Thebe en de Hyksos in de delta. Uiteindelijk slaagden de heersers van de achttiende dynastie erin om de Hyksos te verdrijven. De strijd werd in Palestina voortgezet.
De verdrijving van de Hyksos was een mijlpaal in de geschiedenis van Egypte. De gebeurtenis wordt beschouwd als het begin van het Nieuwe Rijk (~1550 - ~1070). In deze periode werd de titel 'farao' ingevoerd, hetgeen "het Grote Huis" betekent.
De achttiende dynastie was afkomstig uit Thebe in Opper-Egypte, maar verplaatste de hoofdstad naar Memphis in de delta.
Tijdens de achttiende dynastie [bewerken]
De volgende farao's uit de achttiende dynastie speelden een belangrijke rol in de geschiedenis van Palestina: Hatsjepsoet, Thoetmosis III, Amenophis II, Thoetmosis IV, Amenophis III, Achnaton, Toetanchamon, Eje en Horemheb.
Tijdens de laatste decennia van de zestiende eeuw streefden de farao's er in de eerste plaats naar Nubië te onderwerpen. Onder Hatsjepsoet was de verovering van het gebied door Egypte min of meer afgerond.
Onder Thoetmosis III en Amenophis II werd langdurig strijd geleverd met de Hurrieten in het noorden. De periode van Thoetmosis IV en Amenophis III, een groot deel van de veertiende eeuw, was voor Egypte een soort 'gouden eeuw'. Met Ramses I begint de negentiende dynastie.
De Hittieten stamden af van een Indo-Europees volk, dat zich in Anatolië had gevestigd. Na een periode van crisis was daar een nieuw en sterker Hittitisch rijk tot bloei gekomen. Gedurende de Late Bronstijd werd het een grootmacht. Halverwege de veertiende eeuw maakte het de facto een eind aan de macht van Mitanni. Vanaf dat moment waren de Hittieten en het Nieuwe Rijk van de farao's elkaars belangrijkste rivalen.
De Hittieten breidden hun invloed steeds verder naar het zuiden uit. Tussen 1350 en 1330 lezen we in de Amarna-briefwisseling van Achnaton tijdens Egyptische dominantie van Kanaän over de uitbreiding van de Hittitische macht in Noord-Syrië. Een pandemie teisterde op dat moment de streek en leidde er tot lethargie. De farao besloot gewapenderhand Fenicië te heroveren, zodat het de volgende vijftig jaar in feite weer onder Egyptisch bestuur kwam te staan.
De dertiende eeuw [bewerken]
In de dertiende eeuw regeerde in Egypte de negentiende dynastie. Onder zijn heerschappij werd niet ver van Avaris een nieuwe stad gebouwd, Pi-Ramesses. Dit bleef gedurende het Nieuwe Rijk een belangrijk machtscentrum.
Belangrijke farao's uit de negentiende dynastie waren Seti I, Ramses II en Merneptah. Seti I en Ramses II voerden beiden oorlog met de Hittieten. Van 1294 tot 1279 v.Chr. was Seti I op het toppunt van zijn macht in de regio. Hij heeft Kadesh veroverd en het daarna bij informeel vredesverdrag aan Muwatalli van Hatti in beheer gelaten. Seti I en zijn opvolger Ramses II richtten overal in hun rijk enorme monumenten op.
In 1274 v.Chr. leverde Ramses II de slag bij Kadesh tegen de Hittieten, in zijn soort de grootste veldslag van het millennium, met 5000 strijdwagens en 9000 soldaten te voet. Egypte leed een zware nederlaag. Aan de dominante positie van Egypte in de Levant kwam goeddeels een eind.
In 1271 had Ramses II de toegang tot kuststeden als Sidon zekergesteld, maar in 1250 moest hij al weer zware veldtochten voeren tegen Libiërs en Neo-Hittieten. Daarbij heeft hij Kadesh aangevallen, maar niet meer kunnen heroveren.
Hij sloot een vredesverdrag met de Neo-Hettieten waarbij het noorden van de Levant aan hen werd afgestaan. Ramses II huwde een dochter van Hattusilis III. Na een opstand van de shasu hield Ramses II nog enkele veldtochten in het gebied ten zuiden daarvan, waar later het koninkrijk Israël zou ontstaan. Hij vestigde een Egyptisch garnizoen waar later het land van Moab zou komen, een bergachtig gebied ten oosten van de Dode Zee.
Rond de eeuwwisseling voerde Ramses III strijd met de zogenaamde Zeevolken.
De halve eeuw die volgde op het vredesverdrag tussen Egypte en de Hittieten was een periode van vrede en voorspoed voor de hele regio. Dankzij de politieke stabiliteit gingen de grenzen open; de internationale handel bereikte een hoogtepunt.
Egyptische teksten maken gewag van de aanwezigheid in de Nijldelta van "Volken uit het groen". Deze 'Peleset' werden er ooit door de farao verslagen, maar werden dan als huurlingen in dienst genomen en in Palestina geplaatst, de latere Filistijnen. Zij kenden zelfs de smeedkunst in ijzer, staat er, en bouwden steden groter dan de Kanaänitische met centrale gebouwen waarin een vierkante ruimte met haard in Myceense stijl voor kwam. In dezelfde tijd werd gewag gemaakt van de aanwezigheid van 'Sherden' in de Nijldelta, aldus werden Semitisch sprekende mensen in Egypte aangeduid.
Palestina was gedurende vrijwel de gehele Late Bronstijd een Egyptische provincie. De Egyptische overheersing duurde tot ~1135 v.Chr..
Fenicische stadstaten [bewerken]
De Feniciërs, die in het noorden van Kanaän leefden, werden in deze periode de belangrijkste en meest succesvolle zeevaarders en handelaars van de Middellandse Zee.
Dit is de periode van het ontstaan van de poleis Sidon, Tyrus, Byblos, Aradus, Beiroet, en ook Gaza, de stad van de Filistijnen, waarvan we de eerste vermelding aantreffen onder Thoetmosis II.
In het noorden van Syrië beleefde intussen de stad Ugarit tussen 1500 en 1300 v.Chr. haar bloeitijd onder Mitanni. Ugarit stond onder leiding van een adath. Deze havenstad was ook de eindbestemming voor de afzet van de intussen opgekomen Myceense economie; ook functioneerde zij als doorvoerhaven van en naar het gebied van de Eufraat en de Tigris. Het was de belangrijkste haven van de Levant.
In Baalbek, Sidon en Tyrus werd in deze periode een Semitische taal gesproken die verwant is aan het Hebreeuws en aan het Kanaänitisch. De religie had er nog altijd kenmerken van de oude Kanaänitische religies.
De relatieve onafhankelijkheid die de Feniciërs verwierven, werd met lede ogen bekeken door de Egyptische farao's, die hun greep op het gebied wilden verstevigen en voorkomen dat het in handen van vreemde volken of het opkomend Hittitische rijk zou vallen. Rond 1500 v.Chr. veroverde Thoetmosis III dan ook Fenicië.
Van 1411 tot 1358 v.Chr. vielen Amorieten en Hittieten voortdurend Fenicische steden aan, zoals gemeld wordt in de Amarna-brieven.
Onder Suppiluliuma I en Mursilis I strekte het Hittitische rijk zich uit tot bijna geheel Anatolië en delen van Syrië en Kanaan, waaronder Fenicië. Tussen 1350 en 1330 besloot de farao om gewapenderhand Fenicië te heroveren.
Handel en zeevaart [bewerken]
In de eeuwen die volgden na 1200 v.Chr. maakte Fenicië de belangrijkste zee- en handelsmacht uit van de regio. Mogelijk kwam het door deze handelslieden dat het Hebreeuwse woord “kena’ani” de bijbetekenis van “marchandeur” kreeg. De Feniciërs verhandelden cederhout voor het maken van schepen en andere zaken. De Griekse term “Tyrisch purper” verwijst naar de kleurstof waar zij vooral om bekendstonden en ook naar de haven van Tyrus. Mooi textiel behoorde ook tot de Fenicische weelde, en Fenicisch glas. Zij hadden blijkbaar als eersten de techniek ontdekt om het glas doorschijnend te maken. Alhoewel de Feniciërs geen landbouwers waren, werden er wel schapen gekweekt en werden die evenals hun wol verkocht. Grote cederstammen werden eveneens als vanouds naar Egypte vervoerd. Zoals de Amarna brieven suggereren betaalde Fenicië hiermee tribuut in de 14e eeuw v.Chr.
Kostbare producten [bewerken]
In de tijd van de Feniciërs werden in Ugarit ateliers ingericht voor eigen beheer van export zoals bijvoorbeeld Fenicisch purper. Ivoorsnijkunst was er ook van hoog niveau. Een godin die op een dergelijk opgegraven ivoorplaket staat afgebeeld was Ishtar of Potnia. De stijl van de kunstvoorwerpen verraadt de internationale invloeden vanuit alle windstreken. Op dat punt is de rol van de stad Ugarit vergelijkbaar met die van huidige drukke handelssteden als Hong Kong.
Invoer van artikelen van elders waren vooral tin en zilver uit Spanje, dat samen met Cyprisch koper tot brons werd verwerkt. Volgens Strabo was er ook al een lucratieve tinhandel met Bretagne. De Aziatische handelsroutes convergeerden ook op de Fenicische kusten. Hierdoor kon Fenicië de handel tussen Mesopotamië aan de ene kant en Egypte en Arabië aan de andere kant regelen.
Infiltratie, ongeregeldheden en machtsstrijd [bewerken]
Een Luvisch koninkrijkje ten noorden van Kanaän was in de 15e en 14e eeuw v.Chr. bij machte om redelijke weerstand te bieden aan het Hettitisch koninkrijk dat in het noordoosten was opgekomen en zelfs de leidende rol van Klein-Azië op zich te nemen. Het Hiëroglyfenhettitisch als beeldtaal werd samen met het Luvisch door de Luwiërs/Luvieten als religieuze taal gebruikt, ook in het Hettitische rijk. Luvisch sprekenden verspreiden zich meer en meer over dit rijk en droegen later bij tot de instorting ervan. Maar eerst droegen zij ertoe bij dat de invloed van dit rijk zich naar het zuiden uitbreidde over Kanaän tot voorbij de strategische haven van Ugarit, en dat een botsing met het Oude Egypte onvermijdelijk werd.
Myceense bloeiperiode [bewerken]
Niet alleen in de Kanaänitische regio nam de onrust in deze jaren toe, maar ook in het Middellandse Zeegebied vonden enkele ingrijpende veranderingen plaats. Vanaf 1450 v.Chr. werden bijvoorbeeld op Kreta de Minoïsche paleizen voor een tweede keer verwoest. Archeoloog Arthur John Evans weet dit onder meer aan de Myceners, die het eiland vanaf de vijftiende eeuw voor Christus zouden zijn binnengevallen.
Van ~1400 tot ~1200 v.Chr. beleefde Myceens Griekenland een bloeitijd; het oefende invloed uit in en rondom het gehele oostelijk bekken van de Middellandse Zee. Sommige onderzoekers spreken van een Myceense periode. De monarchie van de Achaeërs vervulde een spilfunctie in de internationale handel, die sterk opbloeide. Er was veel vraag naar producten afkomstig uit de Griekse wereld. Ook Cyprus speelde een belangrijke rol. Het prachtige Myceens aardewerk is bijna overal teruggevonden, waardoor het voor de archeoloog een belangrijk hulpmiddel is bij dateringen. Ook Egyptische en Syrische kooplieden speelden een actieve rol in de overzeese handel. Behalve aardewerk importeerde de Levant hars, vet en olie.
Shasu en ʿapīru [bewerken]
In Egyptische teksten uit de tijd van de achttiende dynastie duiken met enige regelmaat de termen shasu en ʿapīru op. Het waren termen om sociale groepen aan te duiden. Van etnische duiding was geen sprake. Met shasu werden nomaden bedoeld die rondzwierven in Palestina, het zuiden van Syrië en het Overjordaanse. Akkadische bronnen gebruiken het woord sutu voor dezelfde groep. De ʿapīru worden in de bronnen nooit als nomaden beschreven; het is evident een andere groep.
Veel ʿapīru spraken Hurritisch. Vermoedelijk waren zij een sociale kaste en geen etnische groep. Op grond van overeenkomst met het woord 'Hebreeën' is gesuggereerd dat deze ʿapīru het volk Israël waren.
Vanaf ~1400 v.Chr. ontmoeten we de eerste melding van shasu in Egyptische teksten van Amenhotep II. De naam duikt voor het eerst op in Transjordanië in een volkerenlijst: 'Yhw in het gebied van de Shasu'. Stammen werden wel meer geïdentificeerd aan de hand van de godheid die zij aanbaden.
In dit geval zou Yhw duiden op Yaw of Yahu, de naam waarvoor de vroegere El werd ingeruild. In de aanroeping Hallelu-Yah weerluidt de kreet Ere zij Yah.[12] Veel persoonsnamen van deze stam die eerder el bevatten (Elia, Natanaël), kregen nu ya als suffix.
Verslagen van Egyptische veldtochten melden in dezelfde periode tot 1300 v.Chr. politieke instabiliteit en endemisch banditisme in de Djadi-streek, het overstromingsgebied van de Jordaan.
Stammen in Palestina; migratie [bewerken]
Uit de tweede helft van de dertiende eeuw is ons een waardevolle bron overgeleverd, Papyrus Anastasi I, een brief van Hori, een schrijver in dienst van het Egyptische leger, waarin hij een reis door Fenicië en Palestina beschrijft. De brief bevat veel gegevens over de wegen, steden, bossen en bewoners van het gebied.
Hori maakt ook gewag van nomaden die de bossen onveilig maken in het gebied van de stam Aser (í-s-r), een Kanaänitische groep ten zuiden van Megiddo. Ook inscripties van Seti I en Ramses II vermelden deze groep. Pas met de opkomst van de Israëlitische monarchie werd Aser in naam een Israëlitische stam. Iets vergelijkbaars is gebeurd met de stammen Dan, Gad en Naftali.
Vermoedelijk heeft er aan het eind van de Bronstijd migratie plaatsgevonden van de kustvlakte naar de centraal gelegen hooglanden, waar rond 1200 een aantal nieuwe nederzettingen werden gebouwd. De hooglanden waren dunbevolkt; er woonden voornamelijk schaapherders; ook veel shasu hadden er zich gevestigd. Dit betekent niet dat delen van Palestina ontvolkt raakten. Uit de Amarna-brieven komt het beeld naar voren van rivaliserende stadstaten en kleine koninkrijken. Enkele versterkte steden werden echter verlaten. Ook in deze periode woonde slechts een minderheid van de bevolking in steden. Langs de strategisch belangrijke kust bouwden de Egyptenaren een aantal forten en versterkingen.
Onder farao Merneptah (1212-1202), een zoon van Ramses II, wordt voor het eerst melding van 'Israël' gemaakt op de "Overwinningsstèle" ('Israëlstèle') van Merneptah: "Israël is verwoest, zijn zaad is niet (meer)". De stèle is opgericht om een overwinning op de Libiërs en het neerslaan van een opstand in Palestina te herdenken. Hierbij werd Askalon belegerd en ingenomen. Volgens Ahlström wordt de kustvlakte met zijn urbane centra in de inscriptie aangeduid met Kanaän (Kharu); met Israël zouden de beboste hooglanden worden bedoeld.
Dit is de enige Oudegyptische tekst waarin Israël vermeld wordt.[13]
IJzertijd [bewerken]
In de IJzertijd begon ijzer het brons te vervangen. Aanvankelijk werden vooral wapens van ijzer gemaakt; later werd ijzer ook in toenemende mate voor werktuigen gebruikt. Er zijn ook enkele beelden in ijzer gevonden uit deze periode.
De IJzertijd wordt in de regel in twee perioden onderverdeeld:
- IJzertijd I tot ~900 v.Chr.
- IJzertijd II na ~900 v.Chr.
Volgens sommige archeologen maakt de tiende eeuw reeds deel uit van IJzertijd II. IJzertijd I was een tijd van verandering en politieke versnippering. Gedurende IJzertijd II ontstonden er weer grotere staten. Wat technologie betreft kunnen ook de hieropvolgende perioden als 'ijzertijd' beschouwd worden. Pas met het aanbreken van de Moderne Tijd is er sprake van een werkelijk ingrijpende verandering van het economisch leven.
Vanaf 1200 v.Chr. hebben archeologen in enkele belangrijke steden brandlagen vastgesteld. Zo is Ugarit, tot dan de belangrijkste havenstad, door een brandcatastrofe vernietigd. In Ugaritische teksten is sprake van groepen schepen die de kust aanvielen. Ook andere grote steden werden verwoest.
Gedurende het grootste deel van de twaalfde eeuw bleef Palestina een Egyptische provincie.
De Feniciërs ontwikkelden in deze periode hun Fenicische alfabet.
IJzertijd I [bewerken]
Langs de kuststrook van de Levant vond vermoedelijk een migratiegolf plaats in de richting van het zuiden van Palestina. Daarbij kunnen de Kanaänieten in het noorden en westen tijdelijk zijn verhuisd.[14] Ook op Cyprus vestigden zich invallers. De migranten waren vermoedelijk afkomstig uit Turkije en het Egeïsch gebied. De migranten moeten in tamelijk grote groepen binnengevallen zijn. Schattingen zijn niet te geven. Ook in Egyptische bronnen worden vijanden vermeld die probeerden de Nijldelta binnen te dringen. Deze invallers worden door historici de 'Zeevolken' genoemd. Ook de Filistijnen (de Peleset in Egyptische bronnen) behoren hiertoe.
Het is mogelijk dat de verhalen over migratie en oorlog in "Exodus" en "Jozua" teruggaan op in het collectief bewustzijn voortlevende herinneringen aan de gebeurtenissen van deze tijd.
Egypte overheerste Palestina nog tot het eind van de twaalfde eeuw v.Chr. Onder de twintigste dynastie was het aanvankelijk nog een grootmacht. Spoedig trad echter verval in. Na ~1130 is Egyptische aanwezigheid in Kanaän niet meer aantoonbaar.
Rond 1200 kwam er ook een eind aan het rijk van de Hittieten, die tot dan toe Syrië hadden beheerst. Terwijl de Levant tijdens de Bronstijd lange tijd was overheerst door buitenlandse machten, kwam daar nu tamelijk plotseling een eind aan.
Er was dus sprake van een radicale en tamelijk plotselinge verandering van de politieke verhoudingen. Deze wordt verklaard door het min of meer gelijktijdig optreden van ecologische, economische en sociale veranderingen. Tussen 1200 en 900 heerste in Voor-Azië en Noord-Afrika een ander, droger klimaat. Een reeks hongersnoden in het Egeïsch gebied, in Anatolië en Palestina was hiervan het gevolg. Dit bracht de migratiestromen op gang. Voedselschaarste komt vaker in de regio voor; zelden is het gebied door een dergelijke langdurige droogte getroffen.
De slechte oogsten en het militair geweld hadden een ongunstig effect op de economie. De internationale handel in luxeartikelen nam sterk in omvang af. Koper en tin werden schaars, wat de vraag naar ijzer deed toenemen. Ook de regeringen, die het economisch leven beheersten, zagen hun inkomsten teruglopen, waardoor het centraal gezag verzwakt werd. Buitenlandse invallers namen hun kans waar.
Palestina bestond gedurende IJzertijd I uit kleine politieke eenheden, stadstaten, die met elkaar rivaliseerden.
Een historiografisch probleem: de Exodus en de 'verovering' van Kanaän [bewerken]
De Hebreeuwse Bijbel bevat een aantal verhalen die niet op de historische werkelijkheid blijken terug te gaan en vooral een ideologische achtergrond hebben.
Het verhaal van de uittocht uit Egypte en de verovering van het Beloofde Land speelt in het joodse gedachtegoed een centrale rol. Hiervan wordt verhaald in de Bijbelboeken "Exodus", "Numeri" en "Jozua". Mozes zou het volk Israël uit Egypte hebben bevrijd; onder leiding van Jozua zou veertig jaar later een groot deel van Kanaän zijn veroverd.
Volgens "Exodus" en "Numeri" telde het volk Israël dat Mozes volgde zo'n 600.000 strijdbare mannen. Vrouwen en kinderen meegerekend zou de totale bevolking op basis van dat cijfer meer dan twee miljoen zielen hebben geteld. De bevolking van Egypte wordt in deze periode geschat op ongeveer drie miljoen inwoners. Een dergelijke massale uittocht of migratiestroom wordt in geen enkele Oud-Egyptische bron vermeld; evenmin is er enige archeologische aanwijzing van een dergelijke massale migratie gevonden, terwijl men dat redelijkerwijs mag verwachten, indien het verhaal op waarheid berust.
Ook Strabo en Tacitus rapporteren over een uittocht, zij het elk op hun eigen manier, en veel kleinschaliger dan in de Bijbel wordt gesuggereerd, en zonder vermelding van een tijdstip.
Toen het nomadenvolk van de Israëlieten de woestijn van Sinaï doorkruiste, waren het volgens hun interne gegevensbron de Levieten die hen daarbij leidden en een dagreis voor hen uit bleven om over de volgende kampplaats te beslissen. Mozes (zelf een Levitisch opperpriester) trad aanvankelijk als enige rechter in alle geschillen op, maar tenslotte stelde hij toezichthouders aan. Er kwam een verdeling in eenheden van tientallen, vijftigtallen, honderdtallen en duizendtallen, zoals een leger, met elk hun toezichthoudende overste. De Levieten spraken recht en bepaalden de wet.
Zij hadden als enigen het recht om te beslissen over het gebruik van twee zilveren trompetten, die aanvankelijk gebruikt werden als communicatiemiddel voor de gemeenschap bij het opbreken van het kamp en ter verzameling. De hoofden van de andere stammen moesten dan voor de 'Tent der Samenkomst' verschijnen.
Zij organiseerden tenslotte een telling en nummering van de stammen, waarin iedere man van eenentwintig of ouder moest meegerekend worden. Bij het naderen van Kanaän werd door de Levieten een groep verspieders opgericht, waarin elke stam met een eigen man betrokken was, maar zelf bleven zij op de achtergrond. Op hun tocht kwamen de Hebreeuwen bij de stad Jahaz met koning Sihon in botsing. De Israëlieten versloegen en doodden hem en al zijn mannen, namen de stad in en lieten ook daar niemand ontkomen[15]. Hetzelfde gebeurde vervolgens met Og koning van Basan[16].
Jozua [bewerken]
Toen Aäron en ook Mozes in de woestijn waren omgekomen had Jozua het leiderschap van het volk van Israël overgenomen. Onder zijn commando gebeurde de invasie van Kanaän, beginnend bij Jericho dat geheel werd geplunderd en platgebrand[17]. De Levieten organiseerden eerst de stammen en begonnen met verspieders aan te stellen, een voor elke stam. Wofsi en Nachbi voor de stam van Nafthali, Sammua voor de stam Ruben, ook Kaleb uit de stam van Juda enz. Kaleb was getrouwd met de Egyptische koningsdochter Bithiah. Hij probeerde samen met Jozua, toen de tien andere verspieders het volk moedeloos probeerden te maken, het volk moed in te spreken. Dit kostte hem bijna het leven. Verder heeft hij geholpen ‘de oorspronkelijke inwoners van Kanaän te verdrijven’ aldus de Midrasj.
De opdracht werd duidelijk geformuleerd. Het was uitdrukkelijk de bedoeling Amorieten, Kanaänieten, Hettieten enz. vooruit te drijven vanuit het zuiden: “hun altaren zult gij omverhalen, hun gewijde stenen verbrijzelen en hun gewijde palen omhouwen, want gij zult niet buigen voor een andere god”[18]. Bij opstandigheid werden zware straffen toegepast waaronder steniging.[19]. Heber was een Keniet, die de oorlogsplannen van de Israëlieten aan de Kanaänieten verried, mogelijk om hen te misleiden. Jaël was zijn echtgenote. Zij doodde Sisera de legeraanvoerder van Jabin, de koning van Kanaän, toen die in haar tent ‘vluchtte’ en er daarna in slaap viel.[20].
Later bepaalde de wet dat de Israëlieten van hun erfelijk bezit steden moesten afstaan aan de Levieten, zodat die er (alleen) konden wonen, evenals weidegronden eromheen [21]. De wet voorzag verder dat andere Israëlieten een Leviet die binnen hun poorten woonde 'niet aan zijn lot overlieten'. Ook werd de vrijheid van de vrouw en haar recht op erfenis en zelfstandige bezittingen steeds meer door wetten van de Levieten aan banden gelegd. Bepaalde tempelrituelen werden als losbandigheid bestempeld en verboden op straf van steniging. De asherahs werden op last van de Levieten overal bij de tempels omgehakt.
De verovering van Kanaän door de Hebreeuwen in de 12e eeuw v.Chr. bleef ettelijke jaren duren, zeker tot ver in het noorden in zuidelijk Libanon de steden Gibeon, Hazor en Baäl Gad onder de Berg Hermon waren vernield.
De hierboven gegeven beschrijving van het verschijnen van het volk Israël in Palestina is een weergave van het zogenaamde Conquest Model. Tegenwoordig geldt deze visie, die vrijwel geheel aan de Bijbel ontleend is, als achterhaald. Er zijn nauwelijks nog historici die dit 'veroveringsmodel' verdedigen. Het is onmogelijk gebleken deze theorie in overeenstemming te brengen met de aan de archeologie ontleende gegevens.[22]
Het Koninkrijk Israël (‘Twaalfstammenrijk’) dat aldus ontstond in 1020 v.Chr. met als eerste koning Saul hield stand tot na de regering van koning Salomo in 928 v.Chr. Daarna werd het na inwendige twisten het ‘Tienstammenrijk’ Samaria, terwijl zich zuidelijker het koninkrijk Juda afsplitste als het ‘Tweestammenrijk’. Het noordelijk gedeelte van het vroegere Kanaän werd Fenicië.
Opkomst van stadstaten; verval van Egypte [bewerken]
De verzwakking van de grootmachten maakte de weg vrij voor de opkomst van onafhankelijke stadstaten en kleine rijken. We kunnen vier groepen onderscheiden. In het noorden van Syrië ontstond een aantal kleine koninkrijkjes, waarvan Karkemisj het belangrijkste was. In Fenicië herwonnen de oude stadstaten hun vrijheid. Byblos, Sidon en Tyrus waren van hen de belangrijkste. In het zuiden van Syrië en het noorden van Palestina ontstonden Aramese koninkrijken, waaronder Hamath en Damascus. Een vierde groep waren de Kanaänietische en Filistijnse stadstaten langs de kust, zoals Gezer, Gaza en Ekron.
In Egypte bekleedden van 1188 tot 1182 v.Chr. Aziaten hoge posities aan het Egyptisch hof. Maar na de dood van koningin Tawosret Meryamun (19e Dynastie van Egypte) verviel het land tot chaos. Aziaten beschadigden enkele Egyptische tempels en beelden, alvorens te worden uitgewezen door Sethnacht, de eerste farao van de twintigste dynastie, wiens leger hen daarbij over de grenzen joeg. Dit zou misschien de achtergrond kunnen vormen van de Exodus onder leiding van Osarseph (Mozes).[23] In het boek Abodha Zarah van de Talmud werd de relatie die Hebreeuwse gelovigen moesten hebben tegenover 'afgodendienaars' vastgelegd. Er werden ook aanwijzingen neergeschreven om 'de kracht van een afgodsbeeld te vernietigen': door de neus of de punt van het oor ervan af te slaan.
In 1187 v.Chr. kwam er een poging tot invasie van Egypte door de Zeevolken, waaronder P-r-s-t, de Filistijnen[24]. Bij tegenaanvallen van de farao werd het deel van Kanaän, dat later Israël en Juda werd, vernietigd. Nadien mochten deze volken (Filistijnen, Tjekker en mogelijk ook Denyen) zich aan de kustweg vestigen ("De weg van de Filistijnen"). Gaza, Ashdod, Ekron, Gath en Ashkelon waren de vijf Filistijnse steden. Ze tonen archeologisch verband met de Myceense cultuur. Zij namen de lokale Kanaänitische cultuur aan, maar Indo-Europese invloed blijkt uit een aantal Filistijnse woorden.[25]
Rond 1150 v.Chr. plunderden Doriërs het Griekse schiereiland en verwoestten er de Myceense centra. De val van de Myceners liet Fenicië toe nu vrij het handelsverkeer via de zee te beheren en uit te bouwen, waardoor het zijn autonomie in stand hield. Interne strubbelingen in Egypte onder Ramses VI zorgden voor de Egyptische terugtrekking uit Beth Shan, de Jordaanvallei, Megiddo en Gaza.
Maar in 1125 v.Chr. verwoestte Nebukadnezar I de stad Ashkelon om de Egyptische invloed te breken. Dat betekende ook het einde van de Filistijnse beschaving hier. De Filistijnen werden bovendien het mikpunt van de aanvallen door de Israëlieten. Abimelech was de Filistijnse naam voor koning, die heerste van 1099 tot 1022 v.Chr. In dit laatste jaar stelden de Filistijnen de wapenrusting van de verslagen Hebreeuwse koning Saul tentoon in de tempel van Astoreth in Beth Shan[26].
Saul had over het Koninkrijk Israël geheerst van 1022 tot 1000 v.Chr.
Bloei van Fenicië [bewerken]
Intussen was Sidon samen met Tyrus en Arvad een van de belangrijkste havensteden, die schatting aan Assyrië betaalden.
Stadstaten als economische vestiging [bewerken]
In de Vroege IJzertijd deed zich vrij plots een onbekend fenomeen voor, dat historisch in verband wordt gebracht met het opdagen van de Zeevolken vanuit het noorden, mogelijk zelf voortgedreven door mislukte oogsten en massale hongersnood in de nasleep van de vulkaanuitbarsting van Thera. De grootmachten Egypte en het Hettitische koninkrijk raakten verzwakt en ontregeld, en in het plotse machtsvacuüm vestigden de Fenicische stadstaten zich als belangrijke zeemachten.
Het gezag in deze steden steunde op drie machtsbasissen: de tempel met de priesteressen, een raad van ouderen, en een koning. Byblos werkte zich spoedig als centrum op van waaruit zij de Mediterrane en Erythreïsche (Rode Zee)routes domineerden. In deze stad werd ook de eerste inscriptie in het Fenicisch alfabet gevonden (op de sarcofaag van Ahiram (ca. 1200). Maar tegen 1000 v.Chr. had zij haar eerste plaats moeten ruilen met Tyrus en Sidon.
Opdeling van Kanaän [bewerken]
Tussen 1200 en 1100 v.Chr. werd het grootste gedeelte van zuidelijk Kanaän door de Israëlieten ingenomen, terwijl de noordelijke gebieden van Kanaän door Arameeërs werden overgenomen. Het deel dat nog duidelijk onder Kanaänitische vlag bleef, werd door de Oude Grieken aangeduid met de Griekse naam Fenicië, dat ‘purper’ betekent, in verband met de beroemde kleurstof die er werd gewonnen. Veel later (6e eeuw v.Chr.) zou Hecataeus aangeven dat de oude naam van Fenicië χνα was, een naam die Philo van Byblos vervolgens in de mythologie opnam als eponiem voor de Feniciërs: “Khna, dat later Phoinix werd genoemd”.
Fenicische kolonies [bewerken]
Volgens de oude Griekse bronnen werden al heel vroeg Fenicische kolonies ingeplant zoals die van Cádiz (1110 v.Chr.) en ook Lissabon, al zijn er geen archeologische aanwijzingen die zulke vroege datum staven. Mogelijk waren het toen nog maar rudimentaire haltes, die pas later tot steden uitgroeiden[27].
Tyrus aan de leiding [bewerken]
Het begin van een lange hegemonie van Tyrus werd gemarkeerd onder het bewind van Hiram (969-936 v.Chr.), die een rebellie in de Tunesische kolonie Utica neersloeg. Ittobaal regeerde van 887-856 over Fenicië tot in Beiroet en deels ook Cyprus. Carthago werd in 814 v.Chr. gesticht door Pygmalion (880-774). Door Feniciërs en buitenlanders werden degenen die tot de verenigde stadstaten van Fenicië hoorden “Sidonia” of “Tyria” genoemd. Feniciërs en andere Kanaänieten werden “Zidoniërs” of “Tyriërs” genoemd in de tijd dat de ene Fenicische verovering op de andere volgde.
Alfabet en schrift [bewerken]
Intussen ontwikkelden de Feniciërs om praktische redenen het Fenicisch alfabet, om daarmee hun handelssysteem administratief op de vlotste manier te kunnen beheren. Het schrift op zich was al enkele millennia eerder in Mesopotamië ontwikkeld en ook hier overgeleverd, maar de Fenicische wijze van noteren zou de basis worden voor het Griekse alfabet, evenals het Aramese/Hebreeuwse, Arabische en tal van andere alfabetten. De lettertekens vertoonden grote overeenkomst met die van het Proto-Sinaïtisch, dat al eerder genoemd werd.
Fenicische geschreven bronnen zijn grotendeels verdwenen, omdat zij op papier en perkament waren. Enkel een schrijver als Sanchuniathon wordt in latere werken geciteerd, alhoewel Sallustius en Augustinus van Hippo melden dat de Feniciërs een zeer uitgebreide literatuur bezaten. Wat we van hen weten komt vooral van hun buren, de Grieken en Hebreeën. “Landbouw” was een werk van de Fenicische schrijver Mago.
Er ging een grote invloed uit van de Feniciërs op andere groepen rond de Middellandse Zee, zoals de Grieken, die later hun commerciële rivalen werden. Volgens de Bijbel werkte koning Hiram I samen met Salomon bij een expeditie naar de Rode Zee en bij de bouw van de tempel. De tempel van Salomon zou geheel volgens het Fenicisch concept zijn gemaakt en aldus een goed voorbeeld zijn van hoe de oude tempels er uitzagen. Feniciërs uit het gebied dat later Syrië werd, werden ook Syro-Feniciërs genoemd.
Tiende eeuw [bewerken]
Archeologen zijn het niet met elkaar eens wanneer in Palestina IJzertijd II begint. Sommigen rekenen de tiende eeuw voor Christus nog tot IJzertijd I; anderen laten IJzertijd II al rond 1000 v.Chr. beginnen. Het verschil in periodisering hangt nauw samen met de opvatting die men heeft wat betreft de historiciteit van het koninkrijk van de koningen David en Salomo.
In het Bijbelboek "II Samuel" wordt beschreven hoe David door verovering een koninkrijk creëert in Palestina. Zijn zoon Salomo zou zelfs geregeerd hebben over een rijk dat zich uitstrekte van de Eufraat tot de grenzen van Egypte. Beide vorsten zouden veertig jaar hebben geregeerd.
Volgens de Bijbelse chronologie regeerde David van ~1060 tot ~1020. Deze datering wordt op basis van gegevens ontleend aan Mesopotamische geschriften algemeen afgewezen. In plaats daarvan wordt de regering van David gewoonlijk gedateerd van ~1000 tot ~960 en de regering van Salomo van ~960 tot ~920. Het herhaald gebruik van het symbolische getal veertig heeft veel historici aan de betrouwbaarheid van de traditie doen twijfelen.
Volgens de Bijbelse overlevering omvatte het rijk van David en Salomo zowel het latere koninkrijk Israël als het latere koninkrijk Juda. Pas na de dood van Salomo zou dit 'verenigd koninkrijk' uiteen zijn gevallen. In de rest van Voor-Azië is sprake van opkomende monarchieën ná de politieke versnippering van IJzertijd I. Indien de Bijbelse overlevering de ontwikkeling correct weergeeft, wijkt de ontwikkeling in Palestina dus af van de ontwikkeling in de regio als geheel.
Er is over de periode tussen de zestiende en de achtste eeuw v.Chr., ondanks vele opgravingen en onderzoekingen, maar heel weinig gevonden. Er zijn dan ook weinig historische of archeologische bewijzen voor het bestaan van een krachtige monarchie onder de koningen Saul, David en Salomo. Saul zou hebben geregeerd in de heuvels van Samaria en in gebieden aan de overzijde van de Jordaan. In de Bijbel wordt zijn oorlog met de Filistijnen in het kustgebied en de Vallei van Jizreël beschreven. Volgens I Samuel 31 vond hij hierbij de dood op het slagveld.
De relatie tussen Saul en David was gecompliceerd. Aanvankelijk was David een generaal die diende onder Saul. In "II Samuel" wordt beschreven hoe David eerst koning wordt van Juda, en vervolgens ook van Israël. Pas daarna zou David Jeruzalem hebben veroverd op de Jebusieten. Dit wordt vervolgens zijn hoofdstad.
Dat David wordt opgevolgd door zijn zoon Salomo komt als een verrassing. Een aantal oudere broers zou voortijdig zijn gestorven. In "I Koningen" wordt Salomo een belangrijke rol toegedicht in de internationale handel en hij zou in Jeruzalem een tempel gebouwd hebben.
Volgens de Bijbel volgde na Salomo's dood de splitsing in het noordelijke koninkrijk Israël en het zuidelijke koninkrijk Juda, waarschijnlijk wegens een interne machtsstrijd.
IJzertijd II [bewerken]
Gedurende IJzertijd I nam de bevolking van Palestina toe. Vermoedelijk leefden er aan het eind van de tiende eeuw meer dan 100.000 mensen in het gebied. Ook in IJzertijd II bleef de bevolking toenemen. Kort voor 700 bereikte de groei een hoogtepunt. Noll schat de bevolking aan het eind van de achtste eeuw op 400.000. Daarna begon de bevolking enigszins terug te lopen; de oorlogen met Assyrië eisten hun tol.
Verreweg het grootste deel van de bevolking van Palestina had altijd op het laagland gewoond: de smalle kustvlakte en de vruchtbare vallei van Jizreël. In IJzertijd II begon ook de bevolking in de heuvels van Samaria toe te nemen. Voor het eerst werd een groot deel van de heuvels bewerkt. Wellicht woonden er in de achtste eeuw ongeveer 100.000 mensen in de heuvels ten noorden van Jeruzalem. Dit droeg in belangrijke mate bij aan de opkomst van een regionale staat.[28]
De Fenicische en Filistijnse stadstaten bleven ook in deze periode een factor van betekenis. In Syrië hadden zich ook een aantal stadstaten gevormd, waar de macht in handen was van een Aramese, dan wel Hittitische elite. Nieuwkomers waren de koninkrijken Israël, Juda, Ammon en Moab. Verreweg de machtigste staat in Voor-Azië was Assyrië, dat een op expansie gerichte politiek voerde. Het probeerde zowel Babylonië als Syrië te veroveren. Evenals in de Late Bronstijd was dit zowel om strategische redenen als om de lucratieve handelsroutes met het Middellandse Zeegebied te beheersen. Om zich tegen Assyrië teweer te stellen sloten de staten in Syrië en Palestina coalities. Het zou twee eeuwen duren voordat Assyrië erin slaagde de regio te onderwerpen.
Volgens de Bijbelse traditie: opsplitsing koninkrijk Israël [bewerken]
In "I Koningen" wordt beschreven hoe het rijk van David en Salomo na de dood van Salomo uiteenvalt. De officiële aanleiding voor het uiteenvallen van de eenheidsstaat zou een twist zijn geweest over de zware belastingen die koning Salomo hief om zijn vele bouwprojecten zoals de tempel, en zijn leger te bekostigen. De noorderlingen (eigenlijke Israëlieten) vroegen Salomo's opvolger Rehabeam belastingvermindering, maar dit verzoek werd afgewezen. Hierop scheidden de tien Israëlitische stammen uit het noorden zich af en stelden een eigen koning, genaamd Jerobeam aan, een vroegere populaire generaal van Salomo. Door de splitsing viel het eerste rijk uiteen in het Juda en Israël. Koningin Maächa en Rechabeam bleven als vazalvorsten van Juda aan de macht tot 915 v.Chr.
Deze voorstelling van zaken wordt niet langer algemeen aanvaard.
Tijdens de onrust en instabiliteit die volgde, begonnen ook weer de overvallen en invasies van de buurlanden, die al in de tijd van de Richteren gebruikelijk waren. Egypte ondervond van de instabiliteit economische en andere nadelen. In 918 v.Chr. was farao Sjosjenq I (waarschijnlijk is Sisak de Hebreeuwse naam) met een strafexpeditie door Palestina getrokken en had zowel in Juda als in Israël, waar hij Megiddo plunderde, verwoestingen aangericht. Sjosjenqs zegetocht staat op de tempel in Karnak afgebeeld.
Israël en Juda [bewerken]
In de heuvels van Samaria vormde zich een nieuwe politieke macht. Volgens Assyrische bronnen heerste hier in de negende eeuw het geslacht Bit Humri. De Bijbel noemt de koningen Omri, Achab, Achazja en Joram. Enkele generaties later ontstond een vergelijkbaar staatje rond Jeruzalem. De in Jeruzalem heersende dynastie wordt onder andere in een inscriptie Bet Dawîd, het Huis van David, genoemd.
Het koninkrijk Israël bleef bestaan tot 722 v.Chr., toen het door het Nieuw-Assyrische Rijk werd veroverd; het koninkrijk Juda hield langer stand. Het eindigde in 597 v.Chr. met de Babylonische ballingschap.
In de negende eeuw was het rijk van de Assyriërs tot een machtige staat uitgegroeid. Fenicië werd onder militaire druk gedwongen tot het betalen van tribuut.
Volgens de literaire traditie zou Dido, de koningin van Tyrus, een expeditie kolonisten naar Noord-Afrika hebben geleid en er Carthago gesticht hebben.
██ Koninkrijk van Juda
██ Koninkrijk van Israël
██ Filistijnse stadstaten
██ Fenicische stadstaten
██ Koninkrijk van Ammon
██ Koninkrijk van Edom
██ Konininkrijk Aram-Damascus
██ Arameeërs
██ Arabische stammen
██ Nabateeërs
██ Assyrische Rijk
██ Koninkrijk Moab
In 850 v.Chr. maakt koning Achab een asherah (heilige boom) op aanraden van zijn echtgenote Izebel, de dochter van de koningin van Sidon, die samen met de koning als hogepriesteres voor Astoreth en Baäl diende.[29]. De profeet en Leviet Jesaja trekt sterk van leer tegen de praktijken van de oude cultus. Er werd gedreigd dat “de Here Israël in het ongeluk zal storten, omdat zij zich asherim hebben gemaakt”. In 715 verbrijzelde koning Hizkia de gewijde stenen en hieuw de gewijde palen om. Hij was ook degene die de bronzen slang stuk sloeg, die in de tempel van Jeruzalem bewaard was sinds de tijd waarin de Hebreeën in Kanaän kwamen. Maar de zoon van Hizkia, Manasse richtte opnieuw asherim op, net als zijn zoon Amon die hem na vijfenvijftig jaar regeren opvolgde.
Omstreeks 842 v.Chr. regeerde koningin Athalia in Jeruzalem. Onder dit bewind bleef de ‘heidense religie’ bloeien. Zij was de dochter van Jezebel, en had, als kleindochter van de hogepriesteres en priester in Sidon, in de ogen van veel Kanaänieten, vooral de vrouwen, het legitieme recht om deze functie uit te oefenen. Ook koning Achaz (ca. 735-727) volgde de oude religieuze cultus ‘kwaad bedrijvend in de ogen des Heren’.
In 722 v.Chr. valt Israël in handen van de Assyriërs.
Omstreeks 630 v.Chr. haalt de Levitische priester Hilkia, die koning Josia diende het ‘gerei’ dat voor Asherah en Baäl was gemaakt uit de tempel in Jeruzalem[30]. Omstreeks 620 v.Chr. kwamen vrouwen in de tempel nog ritueel weeklagen om Tammuz, de zoon-minnaar van de Godin, zoals wordt vermeld in het boek Ezechiël. Professor Widengren bevestigt dat deze rituele rouw om Tammuz in Israël plaatsvond net zoals in Mesopotamië. Onder Josia begon Juda met het verzamelen en redigeren van de Bijbelse geschriften en werden de lokale rituelen fel bestreden. In Jeremia’s tijd, omstreeks 620 v.Chr., beklaagden opstandige vrouwen zich hierover en verkondigden openlijk dat zij van plan waren om de ‘Koningin van de Hemel’ te blijven vereren.
Hoewel het bevel tot de vernietiging van kunstvoorwerpen dat van de Levieten uitging er waarschijnlijk toe heeft geleid dat in zuidelijk Kanaän minder archeologische vondsten zijn gedaan dan in de rest van het Nabije Oosten, is er in de andere landen waarin Hebreeën woonden of waar ze mee in contact waren, zoals Egypte, Babylonië, Sinaï en het noorden van Kanaän, wel een reusachtig aantal bewijsstukken van wijd en zijd vereren van de vrouwelijke godheid opgegraven.
Religie [bewerken]
De relatie tussen de polytheïstische religies van de bewoners van Palestina en het latere monotheïsme van de Joden is gecompliceerd.
Er zijn verschillende soorten religies. De meest in het oog springende elementen zijn het geloof in het bestaan van goden en de ervaring van het 'sacrale', het mysterie van het leven. Geloof in het bestaan van goden is iets dat eigenlijk alle religies in Palestina kenmerkt. De ervaring van het sacrale is echter iets dat dikwijls ontbreekt.
Babylonische tijd [bewerken]
In 587 of 586 v.Chr. werd Jeruzalem belegerd, ingenomen en verwoest door Nebukadnezar II, de koning van Babylon. Daarmee kwam er een eind aan het koninkrijk Juda. In het Bijbelboek "Klaagliederen" worden de verwoestingen op indringende wijze beschreven. De val van Jeruzalem is een waterscheiding in de geschiedenis van het Joodse volk.
Ongeveer in dezelfde tijd werd een begin gemaakt met de belegering van de stad Tyrus, die toen nog op een eiland voor de kust lag. Volgens sommige bronnen zou het beleg dertien jaar hebben geduurd. Uiteindelijk werd er een compromis gesloten: voortaan zou Tyrus schatting betalen aan de koning van Babylon.
Babylonische ballingschap van Juda [bewerken]
Nebukadnezar viel Juda binnen en deporteerde een aantal inwoners: dit wordt de Babylonische ballingschap genoemd. Het gebeurde nadat Nebukadnezar Jeruzalem voor de tweede keer bezette. De eerste keer had hij orde op zaken gesteld en een einde gemaakt aan het koningschap van de al te jonge koning Jojachin. Die was toen uit zijn functie ontzet en vervangen door Sedekia (Willibrordvertaling: Sidkia). Maar ook Sedekia bleek niet in staat eenheid onder de Joden te bewaren en bij de tweede bezetting maakte Nebukadnezar een definitief einde aan het zelfstandig voortbestaan van Juda. De Babyloniërs verwoestten de tempel van Jeruzalem, en een deel van de bevolking, waaronder vooral de religieuze en politieke vooraanstaanden, werd meegevoerd en lange tijd in ballingschap gehouden. In 586 v.Chr. eindigde daarmee het koninkrijk Juda.
De joden in Babylon mochten daar wel hun geloof blijven belijden en genoten binnen hun isolement een betrekkelijke vrijheid. Sommigen, zoals Daniël, verwierven zelfs hoge posities binnen de regering. Zij maakten daar dan ook gebruik van om zich mentaal, religieus en politiek te organiseren en hun identiteit te bevestigen. Toen is waarschijnlijk het Hebreeuws alfabet ontstaan.
In Babylon kwam de joodse intelligentsia in aanraking met het Zoroastrisme; zij voelde zich erdoor gestaafd tot haar eigen opvatting van het monotheïsme. Gedurende deze tijd kwam het merendeel van de joodse heilige schriften tot stand, die alle gecentreerd waren rond het exclusieve geloof in de ene mannelijke God JHWH, in tegenstrijd tot de alom heersende religieuze praktijken in de wijde omgeving en in het thuisland, waarmee zij al eerder in botsing waren gekomen.
Dit alles gebeurde in een periode waarin meerdere volken op zoek waren naar bevestiging van hun identiteit. Ook in Babylon zelf werd een geheel nieuwe mythologie geschreven, met de uitgesproken vechtlustige en mannelijke stormgod Marduk aan het hoofd van het pantheon. Hij is trouwens geen onbekende in de Bijbel waarin hij Merodach wordt genoemd.
De politieke, sociale en religieuze omstandigheden in de periode van de Babylonische ballingschap hadden een enorme invloed op de verdere geschiedenis van de hellenistische en de joods-christelijke wereld.
Perzische tijd [bewerken]
Het Perzische Rijk was aanzienlijk groter dan de rijken die daarvoor over delen van Voor-Azië hadden geheerst. Het strekte zich uit van Thracië tot de Indus. Het was hoofdzakelijk koning Cyrus (Kuruš) (559-530 v.Chr.) die het rijk grondvestte. Zijn opvolger was Cambyses. In de vijfde eeuw regeerden de koningen Darius I, Xerxes, Artaxerxes I en Darius II. In de vierde eeuw regeerden Artaxerxes II, Artaxerxes III, Arses en Darius III.
Cyrus was een bekwaam veldheer, die zijn tegenstanders dikwijls verraste door zijn snelle troepenverplaatsingen. In 539 v.Chr. werd Babylon door de Perzen veroverd. Babylon, in die tijd de grootste stad ter wereld, werd verdedigd door de kroonprins Belsazar (of Balthazar). Met de ruggensteun van Babylonische partizanen kostte het Cyrus II weinig moeite om af te rekenen met het leger van Belsazar, waarna hij zijn intrede in de stad vierde, verwelkomd door vele inwoners die ontevreden waren over de religieuze politiek van de laatste Babylonische koningen. Sindsdien voerde Cyrus ook de titel 'koning van Babylonië'. Cyrus sneuvelde in het noordoosten van Iran, tijdens een veldtocht tegen nomaden uit Centraal-Azië.
Cambyses, de opvolger van Cyrus, veroverde Egypte. In de Griekse geschiedschrijving wordt Cambyses als een gewelddadige tiran afgeschilderd; andere bronnen tonen juist zijn verdraagzaamheid. In 522 kwam hij onder geheimzinnige omstandigheden om het leven.
Anders dan de Assyriërs en de Babyloniërs voordien was het nieuwe Perzische gezag opmerkelijk tolerant en stond het open voor personen uit de overwonnen volkeren om in het Perzisch bestuur opgenomen te worden. Het werd de gedeporteerde Joden toegestaan terug te keren naar Juda.
De tolerantie blijkt ook uit het feit dat mensenrechten al door Cyrus werden omschreven en de status van wet verkregen. Een en ander had mogelijk een religieuze achtergrond: Cyrus zou namelijk een aanhanger van het Zoroastrisme zijn geweest. Maar vermoedelijk werd zijn tolerantie mede bepaald door praktische omstandigheden. Cyrus schonk aan al zijn vijanden genade. Na zijn machtsovername stuurde hij onverwijld naar de verschillende gebieden de godenbeelden en andere religieuze voorwerpen terug, die door de Babylonische koningen vroeger waren geroofd en naar de hoofdstad gesleept. In dit verband kregen ook de Joden de uit de tempel geroofde voorwerpen terug. Velen die destijds verbannen waren, kregen toestemming om naar hun vaderland terug te keren, onder hen ook duizenden Israëlieten, waarmee een einde kwam aan de "Babylonische ballingschap".
Ook Fenicië behoorde sinds 539 tot het Perzische Rijk. In 343 v.Chr. nam de stad Sidon deel aan een Egyptische opstand. Als vergelding verwoestte Artaxerxes III deze stad. Daarna onderwierp hij Egypte en ook Cyprus. Anderzijds sloeg hij met bezorgdheid de snelle opkomst van het Macedonische koninkrijk gade. Amper tien jaar later begon Alexander de Grote zijn zegetochten. In 332 verwoestte hij Tyrus nadat de havenstad, als enige in Fenicië, tegen zijn leger weerstand had geboden. Alle mannelijke inwoners werden gekruisigd, en de vrouwen en kinderen als slaven verkocht. Dat betekende het definitieve einde van Fenicië. Van 323 tot 146 v.Chr. was Ashkelon opnieuw de belangrijke Palestijnse havenstad in de Hellenistische periode.
Hellenistische tijd [bewerken]
In de loop van de vierde eeuw begon het Perzische Rijk ontbindingsverschijnselen te vertonen. Dit maakte de weg vrij voor het spectaculaire succes van Alexander de Grote.
Philippos II, koning van Macedonië, had reeds plannen gemaakt om Perzië binnen te vallen. Doordat hij in 336 v.Chr. werd vermoord, was het zijn zoon Alexander die het waagstuk uitvoerde. De veroveringstocht van Alexander is een van de spectaculairste expedities uit de militaire geschiedenis. In ongeveer tien jaar veroverde Alexander het gehele Perzische Rijk tot aan de rivier de Indus.
Alexanders dood in 323 v.Chr. wordt beschouwd als het begin van de periode van het Hellenisme. De Griekse taal was gedurende deze periode de lingua franca van Zuidwest-Azië. Van Macedonië tot in Egypte en van Zuid-Italië tot in het noordwesten van India werd door de elite en door soldaten Grieks gesproken en werd de Griekse cultuur verspreid.
Na Alexanders dood volgden enkele decennia van grootschalige oorlogen, waarbij een aantal generaals van Alexander, de 'diadochen', probeerden een zo groot mogelijk deel van het rijk voor zichzelf te bemachtigen. In het begin van de derde eeuw bestond het voormalige Macedonische Rijk uit een aantal koninkrijken. De belangrijkste rijken in het hellenistisch cultuurgebied waren het rijk der Seleuciden in Syrië en dat der Ptolemaeën in Egypte.
Antiochus IV Epiphanes van de Seleuciden heerste toen over een groot gebied van het Midden-Oosten, met als kerngebied het huidige Syrië, waarvan ook Palestina, de Libanon en delen van het huidige Irak deel uitmaakten.
Hij voerde diverse oorlogen tegen de rivaliserende Ptolemaeën in Egypte, die hij bijna wist te verslaan. Ingrijpen van de Romeinen, die met hun vloot naar Alexandrië waren overgestoken, dwong Antiochus echter onverrichter zake terug te keren naar Syrië.
In 169 v.Chr. stichtte de oude stam der Nabateeërs nog een koninkrijk in het zuiden van wat intussen Jordaans grondgebied is. Hun hoofdstad was Petra, dat tevens een belangrijke stop op diverse karavaanroutes was. In deze periode worden nog een aantal nieuwe bouwwerken opgetrokken, in de kenmerkende Hellenistische stijl, die steeds een vermenging is van plaatselijke invloeden en de Klassiek Griekse. Petra is daar een voorbeeld van.
In 168 v.Chr. beval Antiochus IV om het altaar van Baäl Hasjamaïm (het Syrische equivalent van Zeus) op te zetten in de joodse tempel te Jeruzalem. De Joodse priester Mattathias en zijn zoon Judas Makkabeüs leidden toen de furieuze joden in een opstand tegen de Seleuciden. Antiochus, woedend over het verzet van de joden, voerde daarop persoonlijk zijn leger aan en liet duizenden joden ombrengen. Voor zijn wreedheid noemden ze hem al snel Antiochus Epimanes (grieks voor de gek). Antiochus overleed aan een ziekte op het hoogtepunt van de strijd. Ook Judas sneuvelde in de strijd. Zijn broer Simon wist, zo'n twee decennia na de dood van Antiochus IV, uiteindelijk onafhankelijkheid voor de Joodse staat te verkrijgen. Hij stichtte de Hasmonese dynastie, die tot 63 v.Chr. in Judea aan de macht zou blijven.
Na de dood van Antiochus IV werd het rijk van de Seleuciden lange tijd door interne twisten verscheurd wat een verklaring kan zijn voor de uiteindelijk geslaagde opstand van de Joden.
Romeinse tijd [bewerken]
In de tweede eeuw voor Christus kwamen in Palestina de Hasmoneeën aan de macht. In dezelfde periode begon het Romeinse Rijk ook het oostelijk deel van het Middellandse Zeegebied onder zijn heerschappij te brengen. Daarbij maakten zij handig gebruik van interne twisten.
Toen in de eerste eeuw diverse leden van de familie der Hasmoneeën verwikkeld waren in onderlinge strijd, opende dat de deur voor de Romeinen. In 63 v.Chr. belegerde Pompeius Jeruzalem. Nadat de stad was ingenomen werd het Joodse koninkrijk een Romeinse vazalstaat. Van 40 tot 37 maakten de Parthen er de dienst uit, waarna het weer door de Romeinen werd heroverd. Zij installeerden koning Herodes de Grote, de laatste der Hasmoneeën.
In 30 v.Chr. werd ook Egypte een Romeinse provincie.
Bibliografie [bewerken]
- Ahlström, G.W. (1993): The history of ancient Palestine from the Palaeolithic period to Alexander's conquest, with a contribution by G.O. Rollefson, ed. by D. Edelman, Sheffield Academic Press, Sheffield, ISBN 1-85075-367-9.
- Campbell, Joseph: (1962): The Masks of God: Oriental Mythology, Secker and Warburg
- de Vaux, Roland (1965): Ancient Israel,
- Dever, William G.: Did God Have A Wife? Archaeology And Folk Religion In Ancient Israel
- Dever, William G.: Who Were the Early Israelites and Where Did They Come From?
- Ergener, Reşit (1988): Anatolia land of Mother Goddess, Hitit publication Ankara, ISBN 975 7521 02 7
- Finkelstein, Israel en Silberman, Neil Asher (2006): De Bijbel als mythe - Het andere verhaal van de archeologie, 2e druk, vertaling Bram Moerland, 448 pagina's, Uitgeverij Synthese - Den Haag, ISBN 9062719511
- Godley, A. D. (1920), (rev 1926), (2004): The Histories of Herodotus - 4 volumes van Loeb Classical Library, Harvard University Press. ISBN 0-674-99130-3
- Gray, J. (1964): The Canaanites, London, Thames & Hudson
- Hutchinson, R.W. (1962): Prehistoric Crete, Penguin,
- Lewis, Bernard (2002): The Arabs in History, Oxford University Press, USA; 6New Ed edition
- Josephus, Flavius Antiquitates Judaicae, Geschiedenis van de Joden., trad. comm. F.J.A.M. Meijer - M.A. Wes, 3 vol., Baarn, 1997-1998. ISBN 9026314159, ISBN 9026314558, ISBN 9026314566
- Kenyon, Kathleen (1957) Digging Up Jericho, London. (also published in Dutch, Hebrew, Italian, Spanish and Swedish editions).
- Kenyon, Kathleen (1960) Excavations at Jericho - Volume I Tombs Excavated in 1952-4, London.
- Kenyon, Kathleen (1965) Archaeology in the Holy Land, second edition, London.
- Kenyon, Kathleen (1965) Excavations at Jericho - Volume II Tombs Excavated in 1955-8, London.
- Kenyon, Kathleen (1966) Amorites and Canaanites, [Schweich Lectures Series, 1963], London: Published for the British Academy by Oxford University Press.
- Kerrigan,Michaël; Alan Lothian, Piers Vitebsky (1998) Midden-Oosterse Mythen, De eerste Heldendichten, Time-Life books BV, Amsterdam, ISBN 9053902147
- Kramer, prof. Samuel Noah, Wilson prof. J.A., Wright, dr. G. Ernest, en Saggs H.W.F., 1974: Dagelijks leven in de Bijbeltijd, National Geographic Society, De Haan, ISBN 90-228-31310
- Lloyd, S. (1956): Early Anatolia, Penguin.
- Lloyd, S. (1967): Early Highland Peoples of Anatolia, Thames and Hudson.
- Magnussen, M. 1978: Graven in Bijbelse Bodem - Archeologie van de landen van de Bijbel, Westland, Schoten, ISBN 9024670209
- Moorey P.R.S., Boardman John, Gray Basil, prof. Oates David, 1975: Byblical Lands, Elsevier SA, Lausanne.
- Moran, William L. (1992) The Amarna Letters, Baltimore: Johns Hopkins University Press, ISBN 0-8018-4251-4
- Moscati, Sabatino (1999): The World of the Phoenicians, Phoenix Giant, London, ISBN 0-75380-746-7
- Naerebout, F.G. en Singor, H.W. (1995): De Oudheid. Grieken en Romeinen in de context van de wereldgeschiedenis, derde druk, Ambo, Amsterdam.
- Noll, K.L. (2001): Canaan and Israel in antiquity. An introduction, Sheffield Academic Press, Londen/New York.
- Patai, Raphael (1967): The Hebrew Goddess, Wayne State University Press, (1990): derde editie, ISBN 0-8143-2271-9
- Riemschneider, Margarete; Bossert, Helmuth Th. (Ed.) (1958): De wereld der Hethieten - Grote culturen der Oudheid, Uitg. Mij. Holland, Amsterdam
- Redford, D.B. (1992): Egypt, Canaan, and Israel in ancient times, Princeton University Press, Princeton (NJ).
- Schott E. (1972): Das Goldhaus unter König Snofru (Göttinger Miszellen 3), Göttingen
- Schoors, A. (1986): Berseba: de opgraving van een bijbelse stad, Uitg. J.H. Kok, Kampen, ISBN 902422778x
- Smith, Mark S. The Early History of God: Yahweh and the Other Deities in Ancient Israel (Biblical Resource Series)
- Soggin, J. Alberto "A History of Israel from the Earliest Times to the Revolt of Bar Kochba AD 135"
- Tubb, Jonathan N. Canaanites (Peoples of the Past, 2)
- Wood,Bryant G. "Dating Jericho’s Destruction: Bienkowski Is Wrong on All Counts" in Biblical Archaeology Review 16:05, Sep/Oct 1990
Zie ook [bewerken]
Externe links [bewerken]
Noten
|