Immigratie in Nederland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Immigratiebeleid (Nederland))
Ga naar: navigatie, zoeken
Landverlaters, door Eugène Laermans, 1896

Dit artikel handelt over de geschiedenis van de immigratie in Nederland.

Tot de 20e eeuw[bewerken]

Nederland, althans de noordelijke gewesten die zich sinds 1572, het begin van de opstand tegen de landsheer, de koning van Spanje, onder die naam verenigden, ontwikkelende zich als een soevereine staat. Deze Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd vanaf het einde van de 16e eeuw|zestiende eeuw een handelsnatie, die veel vreemdelingen aantrok. Omdat dit nieuwe Nederland bekendstond als betrekkelijk tolerant en al vroeg een zekere mate van vrijheid van godsdienst kende, kwamen er uit de Nederlandse gewesten die onder Spaans-Habsburgs bestuur bleven en ook rechtstreeks uit Spanje en Portugal veel godsdienstvluchtelingen naar de vrijgevochten noordelijke gewesten. Enkele zuidelijke en dan met name Waalse gewesten hadden zich in 1579 met Filips II van Spanje verzoend krachtens de Unie van Atrecht. Calvinistische gemeenten zoals die van Doornik (Tournai) vertrokken naar de noordelijke Nederlanden en stichtten daar de zogenaamde Waalse kerken. De verovering van andere Vlaamse gewesten met als afsluiting de Val van Antwerpen in 1585 en de gewelddadige invoering van de Contrareformatie bracht een intern Nederlandse migratie op gang vanuit de Zuidelijke Nederlanden naar de noordelijke Nederlanden. Behalve godsdienstige speelden economische redenen een grote rol en dat betrof de leden van de gegoede klasse, want armen konden zich de kosten van een uitwijking niet veroorloven. Deze emigratiegolf vond zijn hoogtepunt na de val in 1584 van de toen calvinistische stad Gent en in 1585 van het in meerderheid door calvinisten en lutheranen bewoonde Antwerpen. De afsluiting van de Schelde door de (Noordelijke) Republiek betekenden Antwerpens neergang en die van de zuidelijke Nederlanden. De noordelijke Nederlanden en in de eerste plaats Amsterdam konden op deze neergang hun Gouden Eeuw opbouwen. Vanaf 1580 tot circa 1630 kwamen 150.000 vluchtelingen, onder wie Vlamingen, Brabanders, maar ook Franstalige inwoners uit de Waalse gewesten, naar het Noorden, vaak via een omweg die verliep door Engeland Londen) en verschillende Duitse landen, net name steden zoals Emden in Oost-Friesland, Wezel in Kleverland, Frankfort in Hessen, waar zich tussen 1540 en 1589 grote Nederlandse religieuze gemeenten hadden ontwikkeld. Toch wist met name het calvinisme zich ook sterk te organiseren in zuidwestelijk Vlaanderen (het huidige Frans-Vlaanderen) en in steden als Gent en Antwerpen Na 1585 halveerde de Antwerpse bevolking in korte tijd. Het omgekeerde gebeurde in de Republiek. Het aantal inwoners van Amsterdam steeg door de komst van de vluchtelingen van 30.000 in 1578 tot 108.000 in 1622. De welgestelde immigranten brachten hun kennis en vaardigheden mee. Ook andere Hollandse en Zeeuwse steden vermeerderden hun bevolking met de helft of meer door deze immigratie. Met name Leiden waar wevers uit de Westhoek (later Frans-Vlaanderen) zich vestigden, en Middelburg dat veel Gentenaren opnam. De handwerkslieden, waarvan velen uit de textielnijverheid en de diamantnijverheid, brachten hun technieken mee en verplaatsten daardoor het zwaartepunt van deze nijverheden naar het Noorden. De reacties van de plaatselijke bevolking op de komst van deze immigranten verschilden van plaats tot plaats. Omdat velen gevlucht waren om godsdienstige redenen, werden zij door de protestantse minderheid goed onthaald want zij versterkten de positie van de officiële calvinistische kerk aanzienlijk en vormden de basis van wat later als het typisch 'Hollandse' karakter aangeduid zou worden. Toch waren er ook wrijvingen tussen de verschillende migrantengroepen: Calvinisten, Lutheranen, Wederdopers. Door hun grote aantal en hun orthodoxe calvinisme was er bij vrijzinnige Hollandse regenten aanvankelijk huiver om Zuidnederlanders naast zich in het openbaar bestuur een plaats toe te staan. In het blijspel De Spaanse Brabander uit 1617 van Gerbrand Adriaensz. Bredero wordt dat plastisch en humoristisch weergegeven (met 'Spaans' wordt bedoeld afkomstig uit de Nederlandse provincies die onder Spaans gezag waren gebleven).

Ook uit andere delen van Europa kwamen stromen immigranten op gang, onder anderen de Portugese en Spaanse Joden (Sefardim) in de zestiende eeuw, op de vlucht voor de 'Spaanse inquisitie. Asjkenazim, dat wil zeggen Jiddisch- of Duitstalige Joden, officieel Hoogduitse Joden genoemd, arriveerden vanaf het begin van de zeventiende eeuw, gevolgd door hugenoten uit Frankrijk, aan het einde van die eeuw. Zij kozen Nederland omdat ze in hun land van herkomst vervolgd of gediscrimineerd en ten slotte uitgewezen werden vanwege hun religie. De hugenoten werden als calvinistische geloofsgenoten opgenomen in de staatskerk en ontvingen zelfs een zekere bevoorrechting. Onder hun bevonden zich vooral intellectuelen en ondernemers. Ze bouwden in Amsterdam een internationale reputatie op als drukkers en uitgevers van Franstalig werk dat in Frankrijk verboden was. Voor de Asjkenazim was armoede naast discriminatie een drijfveer om Oost- en Midden-Europa te verlaten. Nog twee eeuwen zouden zij een zeer arme bevolkingsgroep van kleine handelaren vormen die met moeite en met de hulp van weinige welgestelde Joden een bestaansgrond kon behouden. Een rijke Sefardische bovenlaag kon ruimhartiger bescherming bieden aan de minvermogenden binnen de eigen gemeente. Overigens ging de tolerantie van de overheden ten aanzien van Joden niet verder dan dat hun verblijfsrecht werd toegekend zolang zij geen beroep deden op openbare middelen en de armlastigen in hun gemeenschap zelf onderhielden. Pas in de tijd van de Franse Revolutie werden Joden gelijkberechtigd als staatsburger. Een minder opvallende maar talrijke groep immigranten kwam uit het noordwesten van het huidige Duitsland en uit Scandinavië. Het betrof kleine handelaren en loonwerkers die tijdens en na de verwoestende Dertigjarige Oorlog hun land ontvluchtten. Een aantal werkten zich op, maar velen kwamen in het stedelijke proletariaat terecht en zochten vaak hun heil door aan te monsteren op de handels- en oorlogsvloot en dienst te nemen in militaire garnizoenen. Een aanzienlijk aantal lutherse gemeenten is in deze tijd ten behoeve van hun opgericht. Daarnaast waren de immigranten uit Westfalen en het Rijnland vaak katholiek en zij kregen onderdak in de schuilgemeenten van dat geloof. Kleine maar opvallende immigrantengroepen waren vervolgde protestantse dissidenten en zij kwamen niet alleen uit katholieke staten: eerst de Pilgrim Fathers uit Engeland die in 1620 vanuit Delfshaven vertrokken naar Amerika, waar zij de Plymouth Colony stichtten in wat nu de staat Massachusetts is. Daarop volgden Moravische Broeders, ook wel Herrnhutters genoemd, die om 1620 uit Bohemen en Moravië verdreven waren, zich in Saksen hadden gevestigd en uiteindelijk in Zeist terecht kwamen waar zij de Evangelische Broedergemeente stichtten, en Lutheranen die een eeuw later uit het Oostenrijkse Salzkammergut moesten vertrekken en onder andere in Groede een plaats toegewezen kregen. De Broedergemeente werd in de 19de eeuw actief in de zending en de organisatie van de Protestantse kerk in Suriname.

In feite was de Gouden Eeuw (zeventiende eeuw) een gunstige periode voor immigratie, maar daarna ging het Nederland niet voor de wind. Toch kwamen er ook in die periode (achttiende en negentiende eeuw) mensen naar Nederland, maar grote stromen deden zich niet meer voor. Er was vóór de inrichting van de gecentraliseerde eenheidstaat geen sprake van een uniform immigratiebeleid en daarom kan voor de 19de eeuw geen algemene kwalificatie worden gegeven aan een immigratiebeleid in termen van (in)tolerantie. De overheden in de verschillende provincies en steden stelden autonoom voorwaarden aan de vestiging van 'vreemdelingen' in het gebied onder hun gezag. Algemeen gold dat vreemdelingen in hun eigen onderhoud moesten voorzien en bij gebrek aan middelen daartoe onderhouden moesten worden door weldoende instellingen, meestal van kerkelijke signatuur. Zij mochten niet op ondersteuning door de publieke overheid terugvallen en werden in dat geval als bedelaars uitgewezen. Ook bij veroordeling wegens met name zwendel, beroving en diefstal volgde na het uitzitten van de straf een verbanning uit het rechtsgebied van het hof waar de straf was uitgesproken. De overheden veranderden de wetgeving al naar gelang de economische behoefte en de druk van belanghebbenden. Een voorbeeld van groot verschil in beleid was Utrecht, waar Joden zich niet mochten vestigen en elke dag voor het sluiten van de stadspoorten de stad verlaten moesten hebben. Zij hadden echter in het naburige Maarssen toestemming gekregen om er voor de nacht hun woonplaats in te richten.

1900 tot 1930: De Eerste Wereldoorlog[bewerken]

Op 4 augustus 1914 viel Duitsland het tot dan toe neutrale België binnen, daarmee was de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) een feit. In de daaropvolgende maanden werd het neutrale Nederland overspoeld door vluchtelingen uit België, naar schatting meer dan 1 miljoen. Britse en Duitse militairen die in de loop van de oorlog om welke reden dan ook op Nederlands grondgebied of in territoriale wateren verzeild raakten, werden ook geïnterneerd, om de Nederlandse neutraliteit te handhaven. Hun aantal viel in het niet bij dat van de Belgen. Het overgrote deel van de vluchtelingen keerde al voor het einde van 1914 terug naar huis, omdat het front zich grotendeels op Frans grondgebied gestabiliseerd had. Hiervan verbleven er 20.000 in Amsterdam. De in Amsterdam verblijvende ontheemde Belgen werden in eerste instantie opgevangen in grote, onverwarmde loodsen in de haven. Daar kampeerden ze tot ze een ander onderdak kregen toegewezen. Tientallen gebouwen in de stad werden ingericht tot tijdelijk opvanghuis. Ook sommige Amsterdamse burgers deden hun best om ontheemde Belgen in huis te nemen of om voor eten en kleding te zorgen. De Rooms-katholieke kerk schakelde Belgische priesters in voor zielzorg. De meeste vluchtelingen konden niet zelf in hun eigen onderhoud voorzien en werden ondergebracht in kampen in Gouda, Uden, Nunspeet, Ede en ook in het noorden van Nederland werden meerdere woonkampen ingericht zoals bijvoorbeeld te Peize en in Gaasterland. Zo'n 100.000 Belgen bleven in Nederland achter om het einde van de oorlog af te wachten en zij vertrokken pas in 1918. Toen kwamen andere - politieke - vluchtelingen naar Nederland: Vlamingen die met de Duitse bezetter hadden gecollaboreerd en nu in hun eigen land werden aangeklaagd wegens landverraad.

Al voor de Eerste Wereldoorlog vestigden zich kleine aantallen Poolse Duitsers en Italianen als mijnwerker in Limburg. Tijdens de oorlog nam het aantal Poolse Duitsers toe omdat zij de dienstplicht wilden ontgaan. Na de oorlog voegden zich weer anderen daarbij omdat zij in Duitsland voor de keus werden gesteld om Duits staatsburger te blijven dan wel Poolse staatsburger te worden (Polen was in 1919 als staat heropgericht). Kozen zij voor die laatste optie dan werden zij in Duitsland vreemdeling en zo'n status gaf een ongunstige rechtspositie die kon leiden tot uitwijzing. Ook het aantal Italianen nam in de jaren twintig van de 20ste eeuw toe. In de jaren dertig leefden 6.000 voormalig Duitse Polen en 500 Noord-Italianen in het mijngebied. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen anti-communistische Polen naar Nederland waarvan velen zich tussen hun landgenoten in Zuid-Limburg vestigden. In dezelfde tijd kwamen volgens een wervingscontract tussen de Nederlandse en de Italiaanse regeringen rechtstreeks uit Italië grotere aantallen Intalianen, nu Zuid-Italianen. Er bleven politieke en culturele verschillen bestaan tussen oud- en nieuwkomers. Vooral de eersten trouwden vaak met Nederlands-Limburgse vrouwen en verwijderden zich uit hun eigen verenigingsleven. Ook de meeste Polen zijn door hun huwelijk en hun kinderen in de lokale Limburgse gemeenschappen opgenomen.

Jaren 30: Joodse vluchtelingen[bewerken]

De eerste keer dat er toelatingseisen aan vreemdelingen werden gesteld was in 1935. In 1933 kwamen in Duitsland de nazi’s aan de macht. Toen de nazi’s in 1935 de Neurenberger rassenwetten invoerden (die Joden alle burgerrechten ontnam) kwam een stroom van Joodse vluchtelingen richting Nederland op gang. Om de toevloed in te dammen besloot de regering in 1935 eisen te stellen: alleen bemiddelde Joodse vluchtelingen werden toegelaten. Alle anderen moesten bewijzen dat ze in hun land van herkomst écht gevaar liepen. Dat bewijs was moeilijk te leveren, zodat maar weinig Joden Nederland binnenkwamen. De regering had twee redenen om de stroom vluchtelingen in te dammen. Ten eerste was het de crisistijd, het land verkeerde in slechte economische omstandigheden, de inflatie was torenhoog net als de werkloosheid. Ten tweede was men bang dat de toelating van veel Joden het latente antisemitisme in de kaart zou spelen. Overigens vluchtten in deze periode ook niet-Joodse communisten uit Duitsland naar Nederland.

In de aanloop naar de oorlog scherpte Nederland de toelatingseisen nog verder aan. Na de Kristallnacht in 1938 kwamen er alleen maar meer vluchtelingen. Als reactie daarop werd in mei 1938 de grens voor Joden helemaal dichtgegooid, Joden werden voortaan als ongewenste vreemdelingen beschouwd. De Joden die nog binnenkwamen, kwamen meestal in Kamp Westerbork terecht, een kamp dat speciaal voor deze vluchtelingen was gebouwd. Na 1940 namen de Duitse machthebbers dit kamp over. Vanaf 1942 werden de bewoners van Westerbork naar vernietigingskampen afgevoerd en vanaf het voorjaar van 1942 werden Joden in heel Nederland gedwongen naar Amsterdam te verhuizen. Daar werden zij gedwongen in drie speciale wijken geconcentreerd: rond het Waterlooplein, in de Transvaalbuurt en in de Rivierenbuurt. Joden moesten zich vervolgens melden voor vertrek naar 'werkkampen'. Van de 140.000 Joden die voor de oorlog in Nederland woonden, waren er na de oorlog nog zo’n 30.000 over. Bijna 100.000 waren vermoord tijdens de Holocaust na hun deportatie naar de vernietigingskampen. Weinigen hadden kunnen vluchten of hadden hun leven kunnen redden als onderduikers. Weinigen kwamen levend terug uit de kampen. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog zouden nog duizenden Joden uit Nederland vertrekken naar de Verenigde Staten of naar Israël. De weinig begripvolle ontvangst na het verdwijnen van de Duitse bezetter was debet aan hun gevoel niet meer thuis te zijn in Nederland.

1rightarrow blue.svg Zie ook Nederland in de Tweede Wereldoorlog

Jaren veertig: Nederlands-Indië[bewerken]

Tussen 1945 en 1965 vertrokken ongeveer 300.000 Nederlanders, Indo’s en Molukkers uit het voormalig Nederlands-Indië in vijf 'golven' naar Nederland. Ten onrechte worden deze repatrianten en (gedwongen) migranten vaak 'Indonesiërs' genoemd. Dat waren zij juist niet of weigerden zij te worden. En dat was dan ook de reden waarom zij moesten vertrekken. De grootste 'golf' arriveerde in Nederland rond de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië in 1949. De migratie van deze groep personen werd aangeduid met 'repatriëring', letterlijk terugkeer naar het vaderland, al waren veel van deze mensen nooit eerder in Nederland geweest. De definitie allochtoon past dus niet zonder meer op hen. Nederland verkeerde vlak na de Tweede Wereldoorlog in een van woningnood en werkloosheid. Bijzondere aandacht voor de Indo's was er niet, en van hun werd een snelle aanpassing gevraagd. Maar de meesten slaagden, vooral in Den Haag, daarin omdat in die stad al een eeuw lang een milieu bestond van 'Indischgasten', zoals teruggekomenen en gepensionneerden uit Indië werden genoemd.

De Molukkers werden naar het hoofdeiland (Ambon) binnen de archipel waar zij vandaan kwamen, ook Ambonezen genoemd. Zij waren als voormalige inheemse militairen van lage rang in het koloniale leger voor aanpassing het minst uitgerust. Hoewel zij zeer overwegend christelijk waren, moesten ze duidelijk onderscheiden worden van de Indo's met hun Nederlandse of Indisch-Nederlandse cultuur. De Molukkers werden jarenlang o.a. in de voormalige Duitse kampen te Vught en Westerbork (Schattenberg) gehuisvest. Zij kregen amper (bij)scholing en konden moeilijk aan werk komen. Na opheffing van de kampen wilden zij bijeenblijven en daartoe kregen zij woonwijken toegewezen.

Jaren vijftig: emigratie[bewerken]

Ontheemden uit Midden-Europa vinden asiel in ons land Weeknummer 50-48 - Open Beelden op 28 november 1950

Na de Tweede Wereldoorlog lag Nederland in puin. Het land was verarmd, fabrieken en woningen waren verwoest, de woningnood en werkloosheid was hoog. Hoewel het armoe troef was, begon de bevolking juist te groeien door de naoorlogse geboortegolf. Gevreesd werd dat Nederland overbevolkt zou raken. De komst van de Indo's kwam op dat moment ongelukkig uit. De Nederlandse regering besloot emigratie te promoten. Begin 1950 sprak minister-president Willem Drees het volk toe in zijn nieuwjaarstoespraak:

"Een deel van ons volk moet het aandurven zoals in vroeger eeuwen zijn toekomst te zoeken in grotere gebieden dan in het eigen land."

De overheid startte een campagne met posters, voorlichtingsfilms en bijeenkomsten die mensen enthousiast moesten maken voor vertrek naar elders. In de jaren vijftig zouden 500.000 Nederlanders vertrekken, vooral naar Canada, de Verenigde Staten en Australië, Zuid-Afrika en Nieuw-Zeeland. Niet alleen de armoede verjoeg Nederlanders uit hun vaderland. Ook de dreiging dat de Koude oorlog, waarvan sinds 1947 sprake was, tot een nieuwe wereldoorlog zou leiden, stimuleerde het vertrek naar delen van de wereld die verder van de vermoedelijke frontlijn lagen.

Jaren zestig: Arbeidsmigratie[bewerken]

De wederopbouw verliep echter sneller dan verwacht, en ook de industrialisatie verliep voorspoedig. Hoewel er nog steeds mensen vertrokken naar elders, had Nederland aan het einde van de jaren vijftig arbeidskrachten nodig.[1] In het begin werden de arbeiders vooral geworven in het zuiden van Europa (Spanje en Italië). Halverwege de jaren zestig volgden wervingsacties in Turkije en Marokko. Nederland wierf vooral laaggeschoolden omdat die het meest nodig waren in de nieuwe industrie.[bron?]

Zuid-Europa, Turkije en Marokko[bewerken]

Dit was een uitzonderlijke periode, Nederland had in het verleden nooit immigratie gestimuleerd. Dit zou ook de enige periode blijven waarin bewust migranten werden aangetrokken. Het toelatingsbeleid was in die tijd vanzelfsprekend ruim. In eerste instantie ging de werving van buitenlandse werknemers grotendeels buiten de overheid om. Werkgevers legden zelf de benodigde contacten in Zuid-Europa en later Turkije en Marokko. Pas later nam de overheid het heft in handen en sloot zij wervingscontracten met deze landen. De krapte op de arbeidsmarkt en de werving van arbeidskracht werd daarmee een nationale kwestie. Parallel aan de officiële werving van arbeidsmigranten kwam een omvangrijke ‘spontane’ immigratiestroom op gang: buitenlanders kwamen naar Nederland en als zij hier werk vonden dan kregen zij makkelijk een verblijfs- en arbeidsvergunning. Deze 'spontanenregeling' is in 1967 opgeheven. De geworven en 'spontane' arbeiders kregen allemaal tijdelijke contracten, vanuit de gedachte dat ze na een paar jaar zouden terugkeren. Om die reden werden zij gastarbeiders genoemd. Hun arbeidscontract en daarmee verblijfsstatus hielden op te bestaan als er geen werk meer was. Omdat het lastig was voor werkgevers dat ze ingewerkte 'gastarbeiders' na hun contractperiode weer verloren, werden deze tijdelijke verblijfsvergunningen uiteindelijk permanent gemaakt.

Gezinshereniging[bewerken]

Vanaf 1960 mochten arbeidsmigranten - toen nog vooral Italianen en Spanjaarden - hun vrouwen en kinderen naar Nederland laten komen, als ze voldoende huisvesting hadden, een arbeidscontract hadden voor nog ten minste één jaar, en twee jaar (later één jaar) in Nederland woonden en werkten. Voor Spaanse echtgenotes gold vanaf 1963 dat ze meteen na afloop van de proeftijd van hun echtgenoot naar Nederland mochten komen, als ze geen kinderen hadden en zelf ook werk zochten. Voor Italianen gold het vrij verkeer van werknemers binnen de EEG (voorganger van de Europese Unie): hun gezinnen mochten vanaf 1968 meteen meereizen. Overigens keerden meer Spanjaarden en Italianen terug dan dat er hun gezin lieten overkomen. De reden is dat hun vaderlanden zich economisch begonnen te ontwikkelen en ruimer werkgelegenheid ontstond [2]

Integratie in de jaren zestig[bewerken]

Van enig integratiebeleid was in de jaren zestig geen sprake. Gastarbeiders konden en moesten zelfs hun eigen identiteit behouden (eigen taal, eigen religie, eigen gewoonten), dat was makkelijker als ze weer terug zouden gaan naar hun eigen land.

Jaren zeventig: Oliecrisis, einde van de naoorlogse wederopbouwfase[bewerken]

In 1973 volgde de eerste oliecrisis. Nederland raakt in een economische dip, en de werkloosheid nam snel toe. In de jaren zestig was er bijna volledige werkgelegenheid, maar daarvan was in de jaren zeventig geen sprake meer. Deze crisis zou tot in de jaren tachtig aanhouden. Nu er aan extra arbeidskrachten geen behoefte meer was, werd de arbeidsmigratie in 1973 onder het kabinet Den Uyl stopgezet.

Turken en Marokkanen[bewerken]

Vooral de industrie had het zwaar te verduren. Bijna wekelijks werden nieuwe grootscheepse ontslagen aangekondigd. De laagopgeleiden waren de eerste slachtoffers van de ontslaggolf. Hierdoor moesten veel gastarbeiders een beroep doen op sociale voorzieningen. Zo kwam aan het licht dat ondanks de tijdelijke contracten een grote groep arbeidsmigranten – vooral Turken en Marokkanen – veel langer in Nederland verbleven dan gedacht was. Zij bleken zich niet of niet afdoende geregistreerd te hebben, en doordat ze werk hadden viel dat niet op. Maar nu ze een uitkering nodig hadden, was registratie noodzakelijk.

Illegalen[bewerken]

Het stopzetten van de 'spontanenregeling' creëerde een nieuwe vorm van gastarbeid in Nederland: de illegale arbeider. Deze illegalen kwamen buiten de officiële kanalen om naar Nederland. Iemand zonder een arbeidsvergunning – tegenwoordig tewerkstellingsvergunning geheten - laten werken was en is strafbaar, maar de straffen waren toen laag en de controle miniem. Om een streep te zetten onder het verleden besloot men tot een eenmalige regularisatie in 1975. Vijftienduizend illegalen kregen een verblijfsvergunning.

Restrictief toelatingsbeleid[bewerken]

Vanaf 1973 werd een echt toelatingsbeleid ofwel immigratiebeleid ingevoerd. De overheid wilde de migratie naar Nederland beperken en deed dit met een restrictief (afhoudend) beleid. Uitzonderlijk was dat niet; midden jaren zeventig hanteerden vrijwel alle landen van West-Europa een restrictief toelatingsbeleid. Dit restrictieve beleid richtte zich vooral op migranten uit niet-westerse landen.

Gezinshereniging en gezinsvorming[bewerken]

In tegenstelling tot het streven van de overheid groeide de populatie van de oorspronkelijke arbeidsmigranten sterk, als gevolg van de gezinshereniging. Veel voormalige gastarbeiders lieten hun gezin overkomen. Omdat de Nederlandse overheid en het Nederlands bedrijfsleven deze gastarbeiders zelf had uitgenodigd om in Nederland te komen werken, vond men het moreel onverantwoord om hen te verbieden hun gezinnen te laten komen. Voorwaarde voor de hereniging was dat de gastarbeider minstens één jaar in Nederland gewerkt had en verbleven was, een arbeidscontract had voor minstens nog een jaar en over huisvesting beschikte. Bovendien werd het gezinsmigratiebeleid aangepast aan de sinds de jaren zestig snel veranderende ideeën over vrouwenemancipatie, huwelijk en gezin. Voorheen mochten alleen Nederlandse mannen hun buitenlandse echtgenote en kinderen naar Nederland laten komen: vanaf 1975 mochten Nederlandse vrouwen dat ook, en vanaf 1979 mochten ze dat onder dezelfde voorwaarden als mannen. Vanaf 1973 kwamen op instigatie van staatssecretaris Glastra van Loon niet alleen getrouwde, maar ook ongetrouwde en niet alleen heteroseksuele maar ook homoseksuele koppels voor gezinsmigratie in aanmerking, indien de in Nederland wonende partner de Nederlandse nationaliteit bezat en zich garant stelde voor het levensonderhoud.[3]

Surinamers[bewerken]

In de jaren zeventig kreeg Nederland ook te maken met een omvangrijke stroom migranten uit Suriname. Tot halverwege de jaren zestig kwamen slechts mondjesmaat mensen uit Suriname; zij kwamen om te studeren en keerden na afronding van hun studie veelal terug naar hun geboorteland. Vanaf 1965 veranderde dat beeld. Er arriveerden meer laagopgeleiden die probeerden in Nederland een baan te vinden. Ook de uitbreiding van de verzorgingsstaat – Nederland kende in die tijd hoge uitkeringen die vrij makkelijk werden toegekend – lokte Surinaamse migranten naar Nederland. De overheid probeerde de stroom in te dammen, maar omdat het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (uit 1954) maar één staatsburgerschap voor het hele Koninkrijk kent, waren de Surinamers staatsburger en konden ze niet geweigerd worden.

Vanuit Creools-Surinaamse kringen, waarin het Surinaamse nationalisme het krachtigst ontwikkeld was, werd vanaf de jaren zestig voor onafhankelijkheid geijverd. Zodra die onafhankelijkheid een reële mogelijkheid werd, na het aantreden van het Surinaamse kabinet-Arron en het Nederlandse kabinet-Den Uyl in 1973, bleken velen, waaronder relatief veel Hindoestaanse Surinamers, een leven in het onafhankelijke Suriname niet te zien zitten. Vlak voor de onafhankelijkheid (eind 1974) kwam een grote migratiestroom richting Nederland op gang. Hiermee was geen rekening gehouden. De Nederlandse regering ging ervan uit dat de Surinamers blíj zouden zijn met hun onafhankelijkheid. Er was daarom aanvankelijk onvoldoende opvang/huisvesting. Dit leidde vanaf 1974 tot felle protesten van Surinaamse zijde. Een groot aantal Surinamers werd tijdelijk opgevangen, onder andere in kazernes.

Met de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 wilde de Nederlandse regering meteen een einde maken aan het staatsburgerschap van Surinamers, om extra migratie te voorkomen. De nieuwe Surinaamse regering ging hier niet mee akkoord. Uiteindelijk werd een overgangsregeling van vijf jaar overeengekomen. Van 1975 tot 1980 bleef vrij verkeer van personen tussen Nederland en Suriname bestaan. Deze overgangsregeling leidde juist tot waar Nederland zo bang voor was: een grote stroom migranten. Surinamers hadden de indruk dat Nederland zijn deuren voorgoed voor hen zou sluiten. Dit deed velen besluiten van de 'laatste mogelijkheid' gebruik te maken, eerst vlak voor de onafhankelijkheid in 1975 en daarna vlak voor het aflopen van de overgangsregeling in 1980. Van 1973 tot en met 1980 zijn er volgens het CBS een 120.000 mensen geboren in Suriname naar Nederland gemigreerd terwijl er 14.000 mensen uit Nederland naar Suriname vertrokken. In totaal zouden 249.000 Surinamers emigreren naar Nederland van 1973 t/m 2013 en vertrokken er weer 64.000 hetgeen een netto-immigratie overleverde van 185.000.[4][5] De Surinaamse gemeenschap in Nederland telde op 1 januari 2011 volgens het CBS 345.000 leden (eerste en tweede generatie allochtonen), waarvan 184.000 geboren in Suriname. Een relatief groot deel kwam terecht in de Bijlmermeer, een in de jaren zestig gebouwde 'model'wijk met veel hoogbouw, die landelijk een zekere beruchtheid zou krijgen vanwege haar desolate ruimtelijke ordening en sociale problemen.

1rightarrow blue.svg Zie ook het artikel Geschiedenis van de Surinamers in Nederland

Integratie in de jaren zeventig[bewerken]

Net als in de jaren zestig was er nauwelijks sprake van integratiebeleid. Nederland was nogal overvallen door het feit dat veel gastarbeiders bleven en hun gezin uit het land van herkomst over lieten komen. Nog steeds koesterde men de hoop dat de gastarbeiders – volgens plan – terug zouden keren naar hun land van herkomst. De voormalige gastarbeiders dachten dat zelf ook, maar financiële belemmeringen waren vaak zo groot dat het merendeel zich gedwongen zag te blijven. Onderwijs in eigen taal en cultuur werd nog steeds gegeven, net als in de jaren zestig was dit gericht op terugkeer.

Ook de grote stroom Surinamers die naar Nederland kwam, overviel het land. Opvangcentra boden Surinamers zo nodig tijdelijk onderdak en directe hulp. Vanuit de opvangcentra werden zij door de overheid over heel Nederland verspreid: het zogenaamde spreidingsbeleid, gepropageerd tussen 1973 en 1975. Het spreidingsbeleid was deels om de integratie te bevorderen, maar kwam toch vooral voort uit praktische overwegingen: er was gewoon te weinig huisvesting, zeker op één plek. De aldus 'verspreide' migranten behoorden vooral tot de Hindoestaanse groep - de Creoolse bevolking werd veel vaker bij elkaar gehuisvest onder andere in de Bijlmer. De verspreide Hindoestaanse bevolking was grotendeels afkomstig van het Surinaamse platteland. Hun Nederlands was slecht en het opleidingsniveau van de gezinshoofden betrekkelijk laag. Zij raakten, mede door slechte begeleiding en een gebrek aan nazorg, geïsoleerd van andere Hindoestanen en ook moeilijk bereikbaar voor de Surinaamse welzijnsinstellingen. Een deel van hen trok naderhand naar de grote steden (vooral Den Haag) waar familieleden en vrienden woonden en waar zij weer deel uitmaakten van een groep.

Jaren tachtig: Multiculturele samenleving, asielzoekers en achterstand[bewerken]

Vanaf de jaren tachtig werd duidelijk dat de voormalige gastarbeiders niet meer terug zouden keren.

Schotelantennes aan een flatgebouw, één van de symbolen van de multiculturele samenleving

Gezinshereniging en gezinsvorming[bewerken]

In 1979 werd besloten dat gevestigde migranten en Nederlanders zo veel mogelijk gelijk moesten worden behandeld. Daarom hoefden migranten voortaan, net als Nederlanders, niet meer aan een inkomenseis te voldoen om hun gezin te laten overkomen, tenzij ze 'verwijtbaar werkloos' waren. Ook werd besloten dat buitenlandse kinderen die in Nederland waren opgegroeid alleen nog maar het land konden worden uitgezet als ze een bijzonder ernstig misdrijf hadden gepleegd. Er werd in deze jaren dus een relatief soepel gezinsmigratiebeleid gevoerd. In 1983 werd een poging gedaan het beleid aan te scherpen. Tweede generatie migranten die een partner uit hun land van herkomst naar Nederland wilden laten komen zouden voortaan het minimumloon moeten verdienen (1445 gulden per maand). Er kwam echter enorm protest tegen deze zogenaamde "1445-maatregel". Zowel politieke partijen als maatschappelijke organisaties vonden dat jonge migranten werden gediscrimineerd ten opzichte van Nederlandse jongeren én van eerste generatie migranten. Al na anderhalf jaar werd de "1445-maatregel" weer afgeschaft.[3]

Asielzoekers[bewerken]

In de jaren tachtig kreeg ook Nederland te maken met een grote toestroom van asielzoekende vluchtelingen uit vele delen van de wereld, waarvan een groot aantal echter economische motieven had. In 1980 meldden zich nog zo’n 1.000 asielzoekers per jaar aan de poort, in de jaren negentig waren 40.000 asielzoekers per jaar niet uitzonderlijk met een eerste grote golf als gevolg van de Joegoslavische Burgeroorlog. Toen de aantallen nog klein waren, werd per geval langdurig bekeken of iemand recht had op een vluchtelingenstatus. Vaak werden ook vluchtelingen uitgenodigd via de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen bij de Verenigde Naties (UNHCR). Met het stijgen van het aantal ‘spontane’ asielzoekers kon de overheid zich de luxe van een uitgebreid onderzoek per geval niet meer veroorloven. Het toelatingsbeleid werd steeds restrictiever. De Nederlandse overheid, die gebonden is aan het Verdrag van Genève, ging zo veel mogelijk op zoek naar de letter van het verdrag om asielzoekers te weren of in ieder geval de vluchtelingenstatus te onthouden. Door de verscherping van het beleid daalde het aantal toegekende statussen wel relatief, maar omdat zich steeds grotere aantallen mensen meldden, werden er in absolute zin toch steeds grotere aantallen toegelaten. Volgens de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) krijgt zo’n 20 procent van de aanvragers een permanente of tijdelijke status voor verblijf in Nederland. Dit percentage is door de IND wellicht iets geflatteerd – op basis van onderzoek concludeerden de wetenschappers Doornbos en Groenendijk (2001) dat het percentage toekenningen ruim boven de 40 procent ligt. Wat wel verandert is dat het aantal permanente statussen afneemt, steeds meer mensen krijgen een tijdelijke verblijfsvergunning. Tijdelijke opvang is meer de norm geworden, een trend die ook in andere Europese landen te zien is.

Tot 1987 was de opvang van asielzoekers grotendeels ad hoc geregeld. Mensen werden veelal opgevangen door gemeenten en hadden direct toegang tot alle faciliteiten van de verzorgingsstaat: woning, uitkering, onderwijs. Vanaf 1987 werd de opvang centraal geregeld met een zogenaamde ‘bed-, brood- en badregeling’. Toegang tot uitkeringen, onderwijs voor volwassenen, werk etc. werd afgeschaft.

Integratiebeleid in de jaren tachtig: achterstandsbeleid[bewerken]

Medio jaren tachtig kwam de discussie over het integratiebeleid op gang. Als de voormalige gastarbeiders en hun gezinnen wilden blijven, zouden ze zich ook een plek in de Nederlandse maatschappij moeten verwerven. Onderwijs in eigen taal was van de baan en behoud van eigen cultuur raakte omstreden maar bleef wel geaccepteerd. Het was inmiddels duidelijk geworden dat het niet goed ging met vooral de niet-westerse allochtonen in Nederland. Zij waren vaker laag opgeleid, vaker werkloos, leefden vaker van een uitkering en belandden vaker in de criminaliteit — hoewel dat laatste pas in de jaren negentig exact onderzocht werd. Het beleid werd gericht op het opheffen van de achterstand van allochtonen. Daarmee werd het integratiebeleid een achterstandsbeleid. Er kwam veel aandacht voor onderwijs en er werden speciale programma’s opgesteld om allochtonen te helpen op de arbeidsmarkt.

Jaren negentig: Antillianen, restrictief beleid, participatie[bewerken]

In de jaren negentig werd de toon rond immigratie en integratie steeds harder. De harde woorden van Hans Janmaat, in de jaren tachtig nog versleten voor een racist, zouden in de jaren negentig meer bijval vinden. In 1991 en 1992 was Frits Bolkestein de eerste (gerespecteerde) politicus die het allochtonenvraagstuk op de politieke agenda durfde te zetten, maar zijn kritiek op de 'multiculturele dogma's' ondervond veel weerstand en werd uiteindelijk terzijde geschoven. In januari 2000 bracht Paul Scheffer met zijn essay Het multiculturele drama de discussie echt op gang en de weerstand was opnieuw groot tegen deze 'problematisering' van wat velen nog steeds een gunstige ontwikkeling achtten. Maar anders als eerder kwam het vraagstuk nu toch op de agenda. De inbreng in de discussie van de nieuwe politicus Pim Fortuyn versnelde die discussie en deed haar vervolgens in bepaalde opzichte ontsporen omdat taboes op een kritische benadering van allochtone gemeenschappen en individuen voortaan geen moreel gezag meer hadden in het publieke debat.

Nederlands-Antillianen[bewerken]

Zomercarnaval in Rotterdam, voor en door Antillianen

Een nieuwe stroom migranten diende zich aan in de jaren negentig: de Antillianen. Tot het begin van de jaren negentig kwamen Antillianen vooral naar Nederland om te studeren. Het betrof intellectuele kinderen die prima Nederlands spraken maar geen geld hadden om in de Verenigde Staten te studeren. Zij deden net zoals de in Nederland wonende Nederlanders vaak een beroep op de studietoelages en beurzen die de Nederlandse staat verstrekt. Als koninkrijksonderdanen hadden de Antilliaanse studenten daar recht op. Vanaf midden jaren negentig kwamen er ook steeds meer kansarme Antilliaanse jongeren naar Nederland. In totaal wonen er 130.000 Antillianen in Nederland, dat is meer dan 1/3 van de totale bevolking van de Nederlandse Antillen. Het merendeel van de jongeren die in de jaren negentig naar Nederland trokken, was afkomstig van Curaçao. Vooral Antillianen tussen de 16 en 40 jaar gingen op zoek naar een beter bestaan in Nederland. De migratie kwam op gang omdat het slecht ging op de Nederlandse Antillen. De werkloosheid was er groot, de lonen en uitkeringen laag en de kosten voor levensonderhoud hoog.

Het overgrote deel van de immigranten uit de Nederlandse Antillen en Aruba, heeft normaal werk en inkomen. Een deel van de jonge Antilliaanse immigranten zorgen echter vooral in de steden voor overlast. Het is moeilijk deze laatste groep te traceren omdat ze zich zelden registreren na aankomst in Nederland. Velen worden opgevangen in de eigen gemeenschap (vaak familie). Ze schrijven zich niet in bij de gemeente omdat de familie daardoor problemen kan krijgen met een uitkering of andere vormen van subsidie. Migranten uit de Antillen hebben daardoor soms geen officieel adres in Nederland waardoor het ze ook niet lukt om werk of woonruimte te vinden. Bovendien kunnen ze in zo'n geval geen zelfstandige uitkering aanvragen. Vaak gaan deze Antillianen over tot diefstal, drugshandel of prostitutie. Van de in Amsterdam levende Antilliaanse bevolking kampt een op de vijf (is 20%) met problemen. Eveneens een op de vijf jongeren komt in aanraking met de politie. Om de problemen het hoofd te bieden worden in Nederland allerlei maatregelen bedacht: boetes voor mensen die zich niet inschrijven, sociale uitkeringen intrekken, visumplicht invoeren etc. Telkens stuiten de voorstellen op fel protest van de Antilliaanse gemeenschap in Nederland en het bestuur van de Nederlandse Antillen. Antillianen zijn immers sinds 1634 ook Nederlands staatsburger en het staat hen vrij te gaan en te staan waar ze willen.

Gezinsvorming en gezinshereniging[bewerken]

Immigratiemotieven allochtonen in 2003, bron: CBS

Vanaf de jaren negentig is gezinshereniging afgenomen, in de 21ste eeuw komen per jaar ongeveer 13.000 mensen naar Nederland in het kader van gezinshereniging.[6] Gezinsvorming gaat nog steeds door, een deel haalt (39%) van de niet-westerse allochtonen hun partner uit het voormalig land van herkomst.[7] In het begin van de de 21e eeuw kwamen per jaar ongeveer 15.000 mensen naar Nederland in het kader van gezinsvorming.[8] Mensen die naar Nederland komen voor gezinshereniging of gezinsvorming vormen zo'n 28% van alle immigranten.[9] In tegenstelling met de heersende opvatting gaat het in 35% van alle gevallen van gezinshereniging of gezinsvorming om een autochtone Nederlander met een buitenlandse partner.[10] Ook vallen slechts 10% van de huwelijksmigranten onder de noemer Turkse en Marokkaanse "importbruiden".[10] Ook bestaat er nog steeds de misvatting dat er slechts laag opgeleiden naar Nederland komen dit terwijl 75% meer dan basisonderwijs heeft genoten en 38% minimaal een MBO-opleiding heeft afgerond.[10]

In de jaren negentig zijn de vereisten rond gezinshereniging en gezinsvorming voor niet EU-burgers verder aangescherpt. In 1993 is een inkomenseis van 70% van het minimumloon ingevoerd voor Nederlanders en gevestigde vreemdelingen die buitenlandse gezinsleden naar Nederland wilden laten komen. Voor vreemdelingen met een vluchtelingenstatus gold die voorwaarde niet, maar asielzoekers die een zwakkere status (subsidiaire bescherming) hadden gekregen moesten wel aan de inkomenseis voldoen. In 1994 werd de Wet ter Voorkoming van Schijnhuwelijken aangenomen, waarin bepaald werd dat elk koppel dat wilde trouwen waarbij ten minste een van de twee partners niet Nederlands was, een verklaring van de IND moest overleggen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Als de IND verklaarde dat er sprake was van een schijnhuwelijk, kon de ambtenaar van de burgerlijke stand voortaan weigeren om het huwelijk te sluiten.[3]

Asielzoekers[bewerken]

Begin jaren negentig werd de Regeling opvang asielzoekers (ROA) ingevoerd, die door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) werd uitgevoerd. De regeling – die in 1994 alweer werd afgeschaft – voorzag in een sobere opvang voor asielzoekers. Na afschaffing in 1994 is de opvang overigens nog kariger geworden: alle asielzoekers verblijven nu in een opvangcentrum, een eigen huis voor kansrijke asielzoekers (onder de ROA nog mogelijk) is van de baan. In de jaren negentig wilde de overheid Nederland zo onaantrekkelijk mogelijk maken voor asielzoekers. Daarom werden asielzoekerscentra zo sober mogelijk gehouden. Vanuit dezelfde redenatie werd de toegang tot de bijstand vervangen door een zakgeldregeling van ca. 15 euro per week. De opvang werd in 1994 uitgebreid met Aanmeldcentra (AC’s) waar een zeer snelle selectie (binnen 48 uur) plaatsvindt om mogelijk gegronde verzoeken van de duidelijk niet-gegronde of niet-ontvankelijke verzoeken te scheiden. Mensen die een duidelijk niet-gegrond verzoek indienen, worden meteen vanuit een AC teruggestuurd. Omdat steeds minder mensen in aanmerking komen voor een permanente status, moeten er ook meer mensen uitgezet worden.

Integratiebeleid vanaf de jaren negentig[bewerken]

Allochtonen kampen net als in de jaren tachtig nog steeds met een achterstand, hoewel dit lang niet voor alle allochtonen geldt. Daarbij nam in de jaren negentig, mede door de hoogconjunctuur van die jaren, bij alle groepen de werkloosheid en de uitkeringsafhankelijkheid sterk af, steeg het gebruik en kennis van de Nederlandse taal en verbeterde het opleidingsniveau onder jongeren aanzienlijk. Surinamers doen het in de statistieken inmiddels op veel punten net zo goed of zelfs beter dan autochtone Nederlanders. Zo hebben meer Surinaamse vrouwen een baan dan autochtone Nederlandse vrouwen. Dit hangt wellicht ook samen met het hogere aantal alleenstaande moeders in de Surinaamse gemeenschap, maar het is desalniettemin een prestatie. Wel valt op dat Surinamers (nog steeds) vaker betrokken zijn bij criminele activiteiten. Alle allochtone vrouwen, met uitzondering van de Antillianen, lijken het beter te doen dan de mannen. Van de grote groepen immigranten doen de Chinezen het het beste, gevolgd door Surinamers en Turken. Hekkensluiters zijn de Marokkanen (vooral de mannen) en de Antillianen (mannen en vrouwen). De oudere generatie Antillianen scoort overigens nog steeds zeer hoog qua opleidingsniveau en werk, maar vooral de jongeren die in de jaren negentig naar Nederland zijn gekomen scoren slecht. Joden en Indo's komen in deze statistieken niet voor, ze gelden niet (meer) als allochtoon en worden voor opleiding, werk en inkomen meegeteld met de autochtonen.

Nederland is vanaf de jaren negentig kritischer naar de multiculturele samenleving gaan kijken. Het achterstandsbeleid is feitelijk afgeschaft. Er is meer aandacht voor de eigen verantwoordelijkheid van allochtonen. Nederland hangt sinds 1994 een neo-republikeinse opvatting van burgerschap aan, wat betekent dat van allochtonen minimaal participatie in de Nederlandse samenleving wordt verwacht. Uitvloeisel van dit beleid zijn onder andere de verplichte inburgeringscursussen.

Immigratie vanaf 2000[bewerken]

In november 2000 werd een nieuwe Nederlandse Vreemdelingenwet van kracht, die door PvdA-staatssecretaris van Justitie Job Cohen door de Tweede en Eerste Kamer was gesleept.[11] De wet beoogde en bewerkstelligde een daling van het aantal asielzoekers, duidelijker eisen aan toelating en kortere procedures. Direct vanaf 2001 begon een sterke daling van het aantal asielzoekers en het aantal toegelatenen.

Van 2003 tot en met 2006 was Rita Verdonk van de VVD minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. In haar demissionaire periode na de val van het Kabinet-Balkenende III werd de portefeuille Vreemdelingenzaken overgenomen door CDA-minister Ernst Hirsch Ballin tot 22 februari 2007.

Verdonk handhaafde Cohens Nederlandse Vreemdelingenwet en voerde een strikt terugkeerbeleid in voor afgewezen asielzoekers. In 2004 voerde Verdonk de eis in dat iedereen die legaal in Nederland verblijft en een partner uit het buitenland wil halen, minimaal 120% van het wettelijk minimuminkomen moet verdienen en garant moet staan voor zijn of haar toekomstige partner. Ook moeten migranten in het land van herkomst al een inburgeringsexamen afleggen. De Wet inburgering in het buitenland werd op 15 maart 2006 ingevoerd. Bovendien werd de leeftijdsgrens van beide partners verhoogd van 18 naar 21 jaar. Na invoering van de Nederlandse Vreemdelingenwet in november 2000 daalde in de jaren 2001 t/m 2005 het aantal migranten naar Nederland van 133.404 naar 92.297 CBS. Echter, in 2005 bleek de daling te zijn afgeremd en begon het aantal weer te stijgen tot 101.150 in 2006 en verder tot 116.819 in 2007. In de jaren 2004-2007 was er in Nederland een vertrekoverschot, de emigratie was hoger dan de immigratie.

In februari 2007 trad Nebahat Albayrak van de PvdA aan als staatssecretaris van Justitie, met de portefeuille Vreemdelingenbeleid. Het aantal migranten naar Nederland was al vanaf 2006 aan het stijgen en steeg verder tot 146.378 in 2009, waarvan zo'n veertigduizend niet-westerse allochtonen. Het aantal zogenoemde 'importbruiden' nam in die jaren weer met 30% toe. Minister voor Integratie Eberhard van der Laan (PvdA) sprak in 2009 zijn zorg uit over het hoge aantal migranten omdat Nederland dit grote aantal volgens hem onmogelijk kon inburgeren.[12] Volgens Van der Laan hadden maatregelen om partnermigratie uit Turkije en Marokko tegen te gaan maar een tijdelijk succes en verloren ze hun effect doordat er meer en meer partners uit herkomstlanden als Irak, Somalië en Afghanistan werden gehaald. Verder werden de Nederlandse immigratieregels omzeild door de nieuwe partner eerst naar een ander EU-land te laten komen. Op basis van de Europese regels mogen de migranten zich vervolgens in elk land van de Europese Unie vestigen zonder dat een restrictief immigratiebeleid daarop invloed heeft. Achteraf bleken deze effecten zich nauwelijks gerealiseerd te hebben: tussen 2005 en 2011 bleef de gezinshereniging ongeveer constant en halveerde de gezinsvorming.[13]

Gezinsvorming en -hereniging sinds 2000[bewerken]

In 2000 is de inkomenseis verhoogd naar 100% van het minimumloon. Vanaf november 2004 is het beleid voor gezinsvorming verder aangescherpt. Er geldt nu een minimumleeftijd voor gezinsvorming van 21 jaar – die leeftijdsgrens geldt voor beide partners. De gezinsvormer moet daarnaast over een inkomen beschikken van minimaal 100% van het minimumloon. Van 2004 tot 2010 gold zelfs een inkomenseis van 120% van het minimumloon, maar als gevolg van een uitspraak van het Hof van de Europese Unie in de zaak Chakroun is die eis weer verlaagd. Verder moet de partner in spe sinds 2006 een inburgeringsexamen doen in het land van herkomst. Dit examen moeten migranten zelf betalen. Burgers van een EU-lidstaat die gebruikmaken van het recht op vrij verkeer, hoeven geen inburgeringsexamen te doen. Dit geldt echter niet voor de Nederlander die in zijn eigen land woont en van dit recht nog geen gebruik heeft gemaakt. Nederlanders waarvan hun derdelandsgezinsleden niet aan Nederlandse vereiste kunnen voldoen zijn gedwongen om Nederland te verlaten voor gezinshereniging. Binnen de EU ontstaat dit recht onmiddellijk, en zijn de eisen minimaal. Na terugkeer naar Nederland spreekt men dan van "EU-route".

Asielzoekers sinds 2000[bewerken]

Sinds 2003 kennen we in Nederland uitzendcentra, één op Schiphol en één op Zestienhoven (Rotterdam). Dat het restrictieve beleid resultaat heeft, blijkt uit de cijfers. In 1994 meldden zich 52.580 vluchtelingen in Nederland (een hoogtepunt), in 2004 is dat gedaald naar 9.780. Nog steeds wordt de aanvraag tot verblijf vaak afgewezen, deze mensen worden via een uitzendcentrum uit Nederland ‘verwijderd’. Dat uitzetten gaat lang niet altijd goed, veel uitgeprocedeerde asielzoekers of mensen van wie de verblijfsvergunning is ingetrokken, verdwijnen in de illegaliteit. Het Rijk biedt hen geen enkele voorziening, waardoor mensen op straat komen te staan. Vaak vangen gemeenten deze personen op – hierover is sinds 2006 een felle discussie gaande tussen gemeenten (die het beleid van de IND onmenselijk vindt) en de IND (die vindt dat de gemeenten de uitvoering van de wet frustreren).

Europa[bewerken]

Inwoners van landen binnen de Europese Unie zijn vrij om zich te vestigen binnen een ander land van de Europese Unie. Sinds de toetreding tot de EU in 2004 van Grieks-Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië zien we in Nederland vooral veel Polen. Deze migranten vestigen zich momenteel (2006) meestal nog niet permanent maar komen hier vooral om tijdelijk werk te verrichten. Polen kiezen inmiddels steeds vaker voor permanent verblijf, per jaar rond de 7.000. Een restrictief toelatingsbeleid is niet mogelijk, omdat het hier Europese regels betreft die Nederland niet eenzijdig kan wijzigen.

Emigratie[bewerken]

Sinds 2001 is de emigratie van Nederlanders naar het buitenland fors toegenomen. In 2003 noteerde Nederland voor het eerst sinds de jaren zestig een emigratieoverschot, wat ook het geval was in de volgende jaren tot begin 2008. In 2008 was er weer een immigratieoverschot.

Als reden om te vertrekken noemen Nederlanders: de drukte, het weer, de beperkte ruimte, de onveiligheid. In het eerste kwartaal van 2006 vertrokken 29.000 mensen uit Nederland. Onder de 29.000 mensen die vertrokken waren 13.000 allochtonen. Volgens sommigen komt een deel van die allochtonen na enkele maanden weer terug, vanuit een buurland, om zich in Nederland opnieuw in te schrijven, maar dan als gemeenschapsonderdaan. Dit wordt de België-route of EU-Route genoemd. In 2008 stelde het CBS dat er geen enkel bewijs was dat dit verschijnsel zich in enige belangrijke mate zou voordoen.[14]

Commissie Blok[bewerken]

In 2003-2004 evalueert de Tijdelijke Commissie Onderzoek Integratiebeleid (ook wel Commissie-Blok) in opdracht van de Tweede Kamer, op initiatief van de SP, het Nederlandse integratiebeleid van de voorgaande dertig jaar. De opdracht is op zich vreemd, omdat er pas sinds eind jaren 80 sprake is van een 'echt' integratiebeleid. De conclusie van de Commissie Blok luidt dat het integratiebeleid niet op alle fronten is mislukt, maar wel beter kan. Blok richt zich daarbij vooral op onderwijs en arbeid.

Vrouwen in het immigratiebeleid[bewerken]

Het immigratiebeleid wordt in het algemeen sekseneutraal geformuleerd. Toch hebben politici, beleidsbepalers en opiniemakers bij het denken over immigratiebeleid onbewust veelal een mannelijke migrant voor ogen. Hierdoor blijven de verschillende posities van mannen en vrouwen buiten beeld, terwijl deze verschillen voor vrijwel elk facet van het migratiebeleid relevant zijn. Dat immigratiebeleid meer op mannen geënt is, belemmert op diverse manieren de emancipatie en integratie van vrouwelijke migranten.[15]

Allochtone gemeenschappen in Nederland (2008)[bewerken]

Niet-westerse allochtonen, incl. Indo's in Nederland

Op 27 februari 2008 telde Nederland 16.404.282 inwoners. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek[16] telt Nederland 3.216.255 personen met een niet-Nederlandse achtergrond. 1.450.101 hiervan zijn afkomstig uit westerse landen (Europa, Noord-Amerika, Oceanië, Japan of Indonesië), 1.766.154 zijn afkomstig uit niet-westerse landen.

Indische Nederlanders (waaronder de 'Indo Europeanen' ook wel bekend als de Indo's)
circa 450.000 (2006)[17] Indische Nederlanders, afkomstig uit voormalig Nederlands-Indië, vormen de grootste groep, het cijfer is een schatting want hun exacte aantal is niet bekend. Indische Nederlanders van de eerste en tweede generatie worden tot de westerse allochtonen gerekend[18], terwijl de derde en vierde generatie niet meer tot de allochtonen gerekend worden en niet meer voorkomen in de statistieken. De schattingen lopen overigens uiteen van 430.000 tot ruim 600.000. De variatiebreedte is het gevolg van het hanteren van verschillende definities. De zogenaamde totoks waren Nederlanders zonder Indische voorouders. Niettemin woonden velen van hun al generaties lang in Nederlands-Indië en dezen waren daarom als inheems te beschouwen. De Indo's in strikte zin hadden Nederlandse en inheemse voorouders in een verhouding naar verschillende gradaties. Wie zich primair Nederlander voelde, liet zich na het uitroepen van de onafhankelijkheid naar Nederland evacueren. De anderen kwamen pas toen de discriminatie door de nieuwe staatsoverheid ging toenemen en de laatsten volgden toen het Indonesisch staatburgerschap als voorwaarde werd gesteld voor een recht op verblijf. Onderzoeker dr. Peter Post van het NIOD schat dat er tussen de 1,5 to 2 miljoen mensen met Indisch bloed in Nederland wonen.[19]
Duitsers
386.000 westerse allochtonen in Nederland zijn Duitsers. Door de eeuwen heen was er echter een continue migratie van Duitse landarbeiders naar Nederland, waardoor het werkelijke aantal personen met een (ten minste gedeelde) Duitse afkomst veel groter is.
Turkse Nederlanders
372.852.[16] , waaronder zo'n 60.000 Koerden, en ruim 30.000 Aramese christenen veelal met een Turkse achternaam[20][21]
Surinamers
335.679.[16] Onder Surinamers vallen Hindoestanen, Creolen, Surinaamse Javanen, Surinaamse Chinezen, Marrons, Indianen en vele Surinamers van gemengde afkomst.
Marokkaanse Nederlanders
335.208.[16] Het merendeel van de in Nederland wonende Marokkanen zijn Berber.
Oost-Europeanen
circa 117.000 per september 2009, het betreft vooral Polen.[22]
Afrikanen
circa 183.000 (2007). De grootste groepen werden in 2006 gevormd door Somaliërs, Kaapverdianen, Egyptenaren en Ghanezen, elk met ca. 20.000.[23][24]
Antillianen en Arubanen
131.387.[16]
Latino’s
circa 111.000 (2007);[25] Latino's in Nederland zijn in te delen in twee taalgroepen: Spaans en Portugees. In Nederland is de Spaanse groep het grootst, de grootste groepen zijn afkomstig uit Colombia, Brazilië en de Dominicaanse Republiek.
Chinezen
63.400 geregistreerde Chinezen in 2006 incl. Chinezen afkomstig uit Hongkong. Ongeveer 44.000 Chinezen zijn direct afkomstig uit China. Waarschijnlijk is de Chinese gemeenschap groter dan de cijfers aangeven omdat Chinezen uit Suriname en Indonesië niet met die groepen worden meegeteld. Naar schatting wonen er tussen de 80.000 en 100.000 Chinezen in Nederland.[23][26]
Joden
tussen de 41.000 en 45.000, waarvan circa 10.000 afkomstig uit Israël (2006)[27] Het aantal in Nederland wonende Joden is niet exact bekend, Joden worden niet meer als zodanig geregistreerd (na WO II rust hier een taboe op. Uit een breed onderzoek van de organisatie Joods Maatschappelijk Werk uit 2000 blijkt dat er naar schatting tussen de 41 tot 45 duizend Joden in Nederland wonen. Daarbij is uitgegaan van het criterium dat iemand die één Joodse ouder heeft Joods genoemd kan worden. Met geloof heeft deze telling niets te maken. Volgens de Joodse wet is iemand overigens alleen joods als hij een Joodse moeder heeft. Het Joods Maatschappelijk Werk heeft ook 'vader-joden' meegeteld.
Irakezen
circa 44.000 (2006) [23]
Molukkers
circa 43.000 (2001), de laatst bekende cijfers zijn uit 2001 en afkomstig van het Verweij-Jonker instituut.[28]
Afghanen
37.246 (2006)[23][29]
Iraniërs
circa 29.000 (2006)[23]
Vietnamezen
circa 18.300 (2006)[23]
Pakistani
circa 18.200 (2006))[23]
Indiërs
circa 15.000 (2006)[23]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]