Verlichting (stroming)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Preferences-system.svg Mee bezig
Aan dit artikel of deze sectie wordt de komende uren of dagen nog druk gewerkt.
Klik op geschiedenis voor de laatste ontwikkelingen.
Megalomaan ontwerp voor een bibliotheek door Étienne-Louis Boullée (1785)

De Verlichting of de Eeuw van de Rede (volgens sommigen al vanaf omstreeks 1650, volgens anderen vanaf 1688 tot aan de Franse Revolutie [1]) was een culturele stroming of beweging van intellectuelen in het 18e-eeuwse Europa, met als doel het filosoferen en het gebruik van de rede te bevorderen. Het stond voor bevordering van de wetenschap en intellectuele uitwisseling; het was tegen bijgeloof, intolerantie en misbruik in de kerk en staat. In Frankrijk waar volgens velen de Verlichting haar oorsprong heeft was het de reactie op het kwalijke, dogmatische absolutisme van Lodewijk XIV en een poging de religieuze en politieke problemen te lijf te gaan.

De Verlichting wordt gezien als een van de pijlers van de Westerse beschaving. Ze wijzigde het denken over de politiek, de wetenschap, de economie, de cultuur, de opvoeding en de religie in de Westerse wereld.[2] De Verlichting gaf aanleiding tot tot modernisering van de samenleving door middel van individualisering, emancipatie, feminisme, secularisering en globalisering. Het gelijkheidsbeginsel, de mensenrechten en de burgerrechten vinden er hun wortels, net zoals het vrijdenken', het liberalisme, het socialisme, het anarchisme. De Verlichting stond ook voor het ontwikkelen en analyseren van eigen en andermans emoties [3] culminerend in het sentimentalisme en Sturm und Drang.

De Verlichting kent een kritische en een constructieve zijde. De kritische zijde neemt het (geïnstitutionaliseerd) geloof en onredelijkheid op de korrel. De constructieve kant zoekt kennis (wetenschap) en nieuwe samenlevingsvormen met als idealen rechtvaardigheid en democratie.

Niet alle 17e-eeuwers en de 18e-eeuwers beschouwden hun tijd als verlicht, een tijd waarin men het duistere verleden achter zich had gelaten.[4] Het was meer een doel of een streven.

Inhoud

[bewerken] De filosofen

René Descartes legde met de uitspraak Cogito ergo sum het fundament voor de Verlichting, Volgens hem is de waarheid te vinden is met gebruik van de rede en het verstand, maar hij verwierp het geloof niet. Baruch Spinoza, die voortbouwde op het denkwerk van Descartes en als een van de eersten geen andere verklaring accepteerde dan die gebaseerd op de rede, kreeg navolgers in Duitsland zoals Gottfried Wilhelm Leibniz en Ehrenfried Walther von Tschirnhaus. De boeken van Spinoza werden al snel vertaald in het Frans, maar zijn filosofie bleef een heikel punt; ze zou leiden tot atheïsme en fatalisme en is fel bestreden in bijna alle landen van Europa. In Engeland timmerden John Locke en Isaac Newton aan de weg met nieuwe inzichten.

In Frankrijk ontwikkelde zich een radicale richting, die zich baseerde op Newton en Locke en dat in Duitsland leidde tot een gematigde richting, die zich baseerde op de voorzichtige Leibniz en zijn navolger Christian Wolff. Daar ontstond ook het Piëtisme en beide bewegingen beïnvloeden elkaar. Mogelijk zijn gevoel en verstand geen tegenstellingen, maar vullen elkaar aan.[bron?] Rond 1740 spitste de discussie tussen de strijdende partijen zich evenwel toe op het belang van en de uitwerking van de ideeën van Spinoza. Het was beter een ander geloof aan te hangen dan helemaal geen geloof te hebben.

De filosoof geeft uitleg bij een model van het zonnestelsel

In de eerste helft van de 18e eeuw hielden de filosofen van de Verlichting zich bezig met het populariseren van de wetenschap, het zoeken was naar kennis, waarheid, geluk en volmaaktheid.[5] In de tweede helft werden dan ook de grondslagen gelegd voor economie, sociologie, pedagogie, antropologie en land- en volkenkunde.

De radicale periode was na 1750 voorbij, vervolgens werd er door de Verlichters een brug geslagen tussen wetenschap en geloof. "Een christelijke, tolerante of gematigde vorm van Verlichting overheerste."[6]

[bewerken] Geschiedenis

Fascinatie voor Chinese cultuur. Delftse tegel in het Rijksmuseum

De Verlichting ontstond in de hogere kringen in Engeland en Schotland, Frankrijk, Duitsland en Nederland en kende invloeden van de Renaissance, de Reformatie en de ontdekkingsreizen naar Azië en Amerika. De reisboeken en -verslagen die Europa eind 17e eeuw overspoelden, maakten komaf met de blanke en christelijke superioriteit. Men ontdekte dat andersgelovigen zoals Joden of Mohammedanen en Chinezen of Peruanen waardevolle culturen hebben, met een moraal die niet christelijk is. Dit soort beschrijvingen vormden al snel (impliciete) kritiek op de Europese maatschappij. In zijn fictieve reisverslag Perzische Brieven liet Montesquieu twee Perzen Europa kritisch bezoeken.

De filosofen van de vroege Verlichting twijfelden aan de superioriteit van het westerse denken, haar theologie en metafysica en probeerden de rol van de kerk, de inquisitie en de censuur bij het in stand houden van de absolutistische staat toe te lichten.

[bewerken] Uitwerking

[bewerken] De wetenschap en de encyclopédie

Titelpagina van het eerste deel van de Encyclopédie

Rond 1700 was de helft van alle boeken die werden gepubliceerd nog gewijd aan de theologie, dat steeds meer terrein verloor. Wetenschappers doorbraken met hun empirische kennis, opgedaan door middel van vrij onderzoek, experimenten en waarnemingen de eeuwenoude hegemonie van de theologie en vervingen de traditionele kennis en gewoonten. Het idee dat in de natuur wetmatigheden staken, die niet met de bijbel konden worden verklaard, veroorzaakte een wetenschappelijke revolutie. Isaac Newton toonde aan dat in het heelal te ontdekken wetten golden. Voor de filosofen golden die wetten op alle vlakken: van de natuurwetenschappen tot de sociale wetenschappen. Meer wetenschap betekende meer macht en mogelijkheden om de maatschappij te veranderen. Vooruitgang door wetenschappelijk inzicht in natuur en technologie is in de Verlichting een breed gedragen wens. De boekenproductie explodeerde na 1750. Er waren boeken op de markt, waarin de verworvenheden werden uitgelegd in een voor iedereen begrijpelijke taal, in het bijzonder voor vrouwen. Het Latijn verloor haar hegemonie, het gebruik van de landstaal nam toe onder de wetenschappers. Kenmerkend is de poging tot een kritisch en samenvattend overzicht van de stand van het weten via de beroemde Encyclopédie. De encyclopedie kwam tot stand tussen 1750 en 1776 onder leiding van de Franse Encyclopedisten; Denis Diderot en Jean Le Rond d'Alembert. Voltaire, Rousseau, Charles Montesquieu, Turgot en Cornelis de Pauw leverden artikelen. De Encyclopédie ondervond tegenstand en werd in 1759 verboden. De Encyclopédie bedreigde de aristocratie en de geestelijkheid, en daarmee de staat door de nadruk op religieuze tolerantie, de vrijheid van gedachten en de democratische geest. De encyclopedisten bestreden van de heksenwaan en toonden hoe mechanische wetmatigheden en natuurwetten de wereld sturen. Dat stond haaks op het Middeleeuwse magische denken.

[bewerken] Ideeën ethiek en moraal

Het experiment met de vogel in de luchtpomp door Joseph_Wright_of_Derby

Vóór de Verlichting gaat men er vanuit dat de mens tot het kwade neigt en afhankelijk is van god en de kroon. De verlichte denkers zien de mens als van nature goed, autonoom en onafhankelijk. Nuttigheid, de waardigheid van de mens en zijn streven naar geluk in dit aardse leven (en niet in het hiernamaals) vormden het uitgangspunt in de ethiek. De denkers streven naar een rationele en universele moraal, geldig voor het handelen van alle mensen op aarde en onafhankelijk van een godsdienst en opdat iedereen de vruchten van de Verlichting zou plukken, hechtten ze waarde aan populariserende en pedagogische activiteiten. De nieuwe kennis kon het onderwijs verspreiden, waardoor er sprake zou zijn van morele vooruitgang.

[bewerken] Recht, staat en politiek

De lezer

In het recht en de staatsorganisatie werden onredelijke tradities bestreden en worden hervormingspogingen ondernomen. Verlichtingsdenkers keerden zich tegen macht die alleen op het goddelijke of de traditie berust: de aristocratie, de monarchie en de kerk. De afwijzing van goddelijk gezag, introduceert de scheiding tussen kerk en staat.

Omdat iedereen verantwoordelijk is voor zijn leven en omdat men zich verzet tegen overgeërfd en van god gegeven gezag, verliest de monarchie haar legitimiteit. De kritiek op de monarchie leidde doorgaans niet tot afschaffing maar tot aanpassingen van de leiderschapsstijl van de vorsten. Deze stijl noemt men verlicht despotisme, dat door Frederik de Grote, Catharina de Grote, Jozef II van het Heilige Roomse Rijk en Adolf Frederik van Zweden gepropageerd.

In plaats van het goddelijke gezag kwam de theorie van het maatschappelijke verdrag. De meeste Verlichtingsdenkers bepleitten de vervanging van de standenstaat door de democratie. In 1748 publiceerde Montesquieu zijn De L'Esprit des Lois waarin hij concludeert dat de scheiding der machten de vrijheid en gelijkheid van de burger garandeert. De trias politica bestaat uit drie elkaar controlerende machten: wetgevende macht, de uitvoerende macht en de rechtsprekende macht. Het idee was niet nieuw: John Locke formuleerde de scheiding der machten al eerder. Het boek beïnvloedde Catharina II van Rusland. Deze nieuwe ideeën over recht, staat en politiek gaven mede aanleiding tot revoluties zoals de Amerikaanse onafhankelijkheid, de Franse Revolutie en de Belgische Revolutie. De repectievelijke grondwetten zijn voor een groot stuk op deze theorie gebouwd.

1rightarrow.png Zie Over de geest van de wetten voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

[bewerken] Geschiedschrijving, literatuur en architectuur

Eerste druk van Robinson Crusoe

Montesquieu en Voltaire vernieuwden de geschiedschrijving. Vóór de Verlichting golden de klassieken, zoals Tacitus, als betrouwbare bronnen voor geschiedschrijving. Volgelingen van René Descartes wezen er op dat deze bronnen vaak strijdig waren met archeologische vondsten, de Bijbel en Egyptische bronnen. De literatuur concentreerde zich op de actualiteit en het menselijke. De satire (zowel poëzie als proza) ontwikkelde zich tot het belangrijkste genre en is te lezen in het werk van Alexander Pope en Jonathan Swift's Gulliver's Travels. In de architectuur uitten de idealen van de Verlichting zich in burgerlijke gebouwen: ordelijk, sober en streng.

Het interieur van het Pantheon (Rome) door Giovanni Paolo Pannini

[bewerken] Religie en theologie

Religiekritiek is een pijler van de Verlichting. Het proces van secularisering dringt de religie uit de ethiek en moraal, de politiek en wetenschap. De 'wetenschap' neemt gaandeweg de plaats in van "God" als essentie der dingen. Toland - een radicale Iers-Britse denker (pantheïst) - beweerde in 1696 met zijn Christianity Not Mysterious dat de Bijbel een gedeeltelijke vervalsing was en dat de kerk het volk misleidde. Pierre Bayle doorprikte het bijgeloof in kometen die onheil voorspelden. Balthasar Bekker deed met de heksenprocessen hetzelfde. Spinoza (eveneens pantheïst) schreef in zijn Theologisch-politiek Tractaat uit 1670 dat jodendom en christendom historische fenomenen waren en niet berusten op iets absoluuts. John Locke's werk Brieven over de Verdraagzaamheid uit 1689 beïnvloedde het idee van de gedachten- en geloofsvrijheid. Hoewel de Verlichtingsdenkers kritiek uitoefenden op religie, bleven de meesten geloven als deïst en zien God als de oorzaak en schepper die niet meer ingrijpt. Isaac Newton en zijn collega's verklaarden het universum steeds nauwgezetter en mysteries die voorheen aan God werden toegeschreven verklaarden ze mechanistisch. Vandaar dat het deïsme God als een horlogemaker ziet die zich na het fabriceren van een kunstig uurwerk had teruggetrokken. De vroege, radicale Verlichting, met Spinoza en Diderot als vertegenwoordigers, werd door zijn tegenstanders beschreven als een a- en anti-religieuze of atheïstische stroming. Nauwkeuriger is ze te bestempelen als pantheïstisch of deistisch. In de gematigde, latere Verlichting moderniseert de religie zich en verloor het zijn centrale plaats en wordt het niet meer gezien als een obstakel voor de vooruitgang, zoals bij de radicale Verlichting.

[bewerken] Zelfvertrouwen, optimisme en vooruitgangsgeloof

De salon van madame Geoffrin. In de Franse salons, waarin ook voor vrouwen een rol was weggelegd, kwamen wetenschappers, letterkundigen en aristocraten bijeen. Sommigen traden op als beschermers voor wie in juridische of financiële moeilijkheden raakte.

De Verlichting distantieerde zich van het verleden en gelooft dat de eigen tijd en de toekomst superieur zijn. De Verlichting zette zich af tegen het middeleeuwse bijgeloof en verliest de bewondering die de Renaissance koestert voor de Oudheid. Van de toekomst waren de verwachtingen hooggespannen: een geloof in een constante toename van de rede, het ontdekken van het onbekende en het besef dat de mens meester van zijn lot is stemt optimistisch. Dit vooruitgangsgeloof uitte zich in het vermogen om de omgeving te veranderen en de maakbaarheid van de maatschappij.

[bewerken] Verspreiding

De Verlichting verschilde van land tot land. Zowel Engeland als Frankrijk waren zeer rijk aan genootschappen, maar telden meer algemene dan literaire genootschappen, terwijl in Nederland het omgekeerde het geval was.[7] In Frankrijk deed de strenge censuur velen vluchten of in de gevangenis belanden. In Amsterdam, Den Haag en Leiden, waar de hugenoten eerder al hun toevlucht zochten, waren Franse drukkerijen, die hun drukwerk naar Frankrijk lieten smokkelen. Van de bijna dertig wetenschappelijke tijdschriften in Europa werden er 18 in Nederland gedrukt.[8] In Rusland drong de Verlichting nauwelijks door, ondanks de inspanningen van de met Voltaire en Diderot bevriende tsarina Catharina de Grote. De beweging verspreidde zich naar de Europese kolonies en inspireerde de voor onafhankelijkheid strijdende Amerikanen Thomas Paine, Benjamin Franklin en Thomas Jefferson.

De Verlichtingsidealen stonden haaks op de slavernij en droegen bij tot de afschaffing ervan. Ze beïnvloedden Franse Revolutie in 1789 indirect, omdat de aanhangers eerder optimisten waren die geloofden in geleidelijke hervorming, niet in revolutie.

Pierre Bayle
Voltaire, 1718

[bewerken] De vertegenwoordigers van de Verlichting

[bewerken] Nederland

  • Franciscus van den Enden (1602-1674) was een van de eerste die een democratische staatvorm verdedigde;
  • Baruch Spinoza (1632–1677) was een filosoof die irrationele verklaringen niet accepteerde. en de grondlegger van het deisme of het pantheisme. Volgens Spinoza was God niet de schepper van de wereld, maar de wereld een onderdeel van het goddelijke.[9] Wonderen zijn niet het bewijs van goddelijke macht, maar van menselijke onwetendheid. De aanwezigheid van God wordt niet bewezen door wonderen, maar door de orde in de natuur. Als we de oorzaken van ons handelen niet kennen, spreken we over de vrije wil, maar voor Spinoza was dit ook een gevolg van onwetendheid. Volgens Spinoza is onwetendheid het voornaamste obstakel bij het nastreven van een deugdzaam leven, niet egoisme.[10] Goed en kwaad moeten volgens hem beschouwd worden als gelijkwaardig aan gezond en ongezond. Overgaan van passiviteit naar activiteit is volgens Spinoza altijd overweldigend, bevrijdend en vreugdevol;
  • Balthasar Bekker (1634–1698) bestreed in zijn boek De betoverde weereld het geloof in demonen;
  • Pierre Bayle (1647–1706) probeerde als een van de eersten geloof en wetenschap te scheiden. Al zijn boeken waren verboden in Frankrijk;
  • Anthonie van Dale was een Haarlemse arts, die waarzeggerij en het geloof in orakels onderuit haalde;
  • Adriaen van Beverland (ca. 1652-ca. 1712) was een schrijver van theologische werken en hekelschriften;
  • Adriaen Koerbagh verwierp de kerk en staat als onbetrouwbare attributen. Zijn broer Johannes publiceerde goddeloze boeken;
  • Lodewijk Meyer betoogde dat de bijbel "duister en twijfelachtig" was;
  • Bernard Mandeville is het bekendst door zijn vaststelling dat de ondeugd de eigenlijke bron van het algemeen welzijn is, terwijl de deugd die juist kan schaden;
  • Justus van Effen gaf een tijdschrift uit waarin hij de strijd aanbond met de schoonmaakwoede van de Nederlandse huisvrouw, de zucht naar titels, overdreven purisme, overmatig eten en drinken, chauvinisme en bekrompen provincialisme;
  • Frederik van Leenhof was een Zwolse dominee, maar ook Spinozist;
  • Willem Jacob 's Gravesande gaf als eerste aanschouwelijk onderricht in de experimentele natuurkunde;
  • Bernard Nieuwentijt was een volgeling van Descartes en een tegenstander van Spinoza;
  • Isaac de Pinto was een politiek en economisch specialist in staatsschuld; viel Voltaire aan.
  • Allard Hulshoff was een doopsgezinde dominee;
  • Pieter Burman Junior verzamelde vanaf 1756 zijn vrienden in een gezelschap dat min of meer onbedoeld de trekken kreeg van een politieke beweging;
  • Belle van Zuylen (1740-1805), schrijfster en componiste, die zich afzette tegen de standenmaatschappij, kerkelijke regels en vrouwendiscriminatie;
  • Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741-1784) was een politicus die kritiek uitoefende op het politieke bestel en regentenstelsel; leider van de Patriottenbeweging;
  • Eise Eisinga (1744-1828), een amateur-astronoom en bouwer van een planetarium.

[bewerken] Frankrijk

De voorloper van de Verlichting in Frankrijk was Pierre Bayle, die in zijn encyclopedie veel aandacht aan Spinoza schonk;

  • Bernard le Bovier de Fontenelle schreef een boek over de wetenschappelijke revolutie, waarin bij nachtelijke wandelingen in het park uitleg wordt gegeven aan een markiezin en haar dochter over de wonderen van de sterrenkunde, op basis van Nicolaus Copernicus, Galileo Galilei, Johannes Kepler en Rene Descartes;
  • Abbé de Saint Pierre verwierp een vrede gebaseerd op machtsevenwicht, en beargumenteerde dat vrede in Europa alleen kon worden bereikt als de Europese vorsten en leiders zich zouden verenigen in een groot congres, waarin geschillen op vreedzame wijze zouden moeten worden bijgelegd;
  • Fénelon uitte onverholen kritiek op de oorlogspolitiek en het absolutisme van Lodewijk XIV;
  • Nicolas Malebranche verdedigde Descartes, maar had er ook kritiek op;
  • Henri de Boulainvilliers vertaalde een werk van Spinoza in het Frans.
  • Montesquieu (1689–1755) was een van de grondleggers van de sociologie; beïnvloedde Rousseau;
  • François Quesnay (1694–1774), een arts en econoom die artikelen schreef in de Encyclopédie over produktie;
  • François-Marie Arouet (vooral bekend als Voltaire) (1694–1778) werd in 1717 opgesloten in de Bastille, vanwege zijn aanstootgevende gedichten. Samen met zijn vriendin Émilie du Châtelet publiceerde hij over de ideeën van Isaac Newton. Hij was een gezaghebbend Verlichter, hield zich bezig met toneel, bijbelkritiek en geschiedenis en maakte een fortuin met zijn boeken, waaronder Candide. Hij schreef studies over Engeland en Frankrijk en een baanbrekend werk over wereldgeschiedenis waarin de joods-christelijke traditie niet centraal was gesteld. Hij kwam tot de conclusie dat geschiedenis een lange reeks van misdaden en ellende is. Hij was in dienst bij Frederik de Grote en Madame de Pompadour. Hij zette zich in voor Franse protestant Jean Calas;
  • Jean-Baptiste de Boyer, Marquis d'Argens legde het Spinozisme uit middels een erotische roman;
  • Pierre-Louis de Maupertuis deed opmetingen in Lapland samen met Anders Celsius en ontdekte dat de polen afgeplat waren;
  • Julien Offray de La Mettrie vond dat de mens niet wezenlijk van een machine verschilt en dat al ons denken en voelen tot eigenschappen van materie zijn te herleiden;
  • Georges-Louis Leclerc, Comte de Buffon (1707–1788) kan worden beschouwd als één van de grondleggers van de biologie en de geologie;
  • Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) was een componist en medewerker aan de Encyclopédie; hij schreef een belangwekkende opstellen over ongelijkheid, veroorzaakt door de toenemende welvaart en de verhouding van de burger tot de staat, en over opvoedkunde. Ook Rousseau wordt meestal tot de Verlichting gerekend, alhoewel zijn ideeën eerder op gevoel dan op de ratio waren gericht. "Rousseau werd niet, zoals veel verlichte tijdgenoten, bewogen door zorg om de vrijheid van het individu, die onder de druk van de staatsmacht was komen te staan. Rousseau wilde een samenleving creëren waarin de burgers weer het gevoel zouden krijgen direct bij gemeenschapszaken betrokken te zijn. ... Zonder staat achtte hij geen beschaving mogelijk."[11] "Rousseau wordt enerzijds als erflater van de democratie beschouwd, terwijl anderzijds ook totalitaire denkers zich op hem hebben beroepen. Dat is een merkwaardige situatie, waarin zich het feit weerspiegelt dan Jean-Jacques een vat vol tegenstrijdigheden was."[12] Hij pleitte voor een terugkeer naar de 'natuur'. Met dat begrip associeerde hij deugden als eenvoud, oprechtheid, mensenliefde en gevoeligheid. Rousseau wilde dus geen terugkeer naar een primitieve 'natuurtoestand', maar naar een natuurlijke(r) toestand. Zijn Du Contrat social had veel invloed op de Franse Grondwet van 1793. Hij zette de aanstoot tot de Romantiek, vanwege zijn liefde voor de natuur, en schreef autobiografie waarin hij als geen ander te voren zijn zieleroerselen bloot legde.
  • Denis Diderot (1713–1784), aanzetgever tot de Encyclopédie;
  • Jean Le Rond d'Alembert (1717–1783) was aanzetgever tot de Encyclopédie;
  • Baron d'Holbach (1723–1789) redigeerde de bijdragen in de Encyclopédie over de metallurgie, de geologie, de geneeskunde, de mineralogie en de chemie;
  • Anne Robert Jacques Turgot schreef verschillende artikelen voor de Encyclopédie en een pamflet waarin hij de religieuze tolerantie verdedigt;
  • Antoine Lavoisier (1743–1794) was de vader van de moderne scheikunde;
  • Jacques Charles was een natuurkundige die als de eerste mens de zon twee keer zag ondergaan, maar maakte nooit weer een vlucht in luchtballon.
  • Marquis de Condorcet (1743–1794) verdedigde de rechten van de mens en was een onderwijsvernieuwer;
  • Abbé Raynal
  • Joseph-Alexandre-Victor Hupay de Fuveau,(1746-1818) was en schrijver en filosoof, die leefde in een commune, waar de idealen van de Verlichting in praktijk werden gebracht;
  • Étienne Bonnot de Condillac was een filosoof, opvoeder, en psycholoog, die zich bezig hield met kennistheorie.

[bewerken] Engeland

  • Thomas Hobbes (1588–1679) was een politiek filosoof en schreef de Leviathan. Hij was een tijdgenoot van Descartes en Spinoza. Hobbes ontkende het bestaan van de menselijke vrije wil;
  • Robert Hooke (1635–1703) was een natuurkundige en architect. Hij introduceerde de term 'cel' in de biologie na zijn microscopische waarnemingen van kurkweefsel en een theorie over de beweging van de planeten;
  • Sir Isaac Newton (1643-1727) was een filosoof, natuurkundige, alchemist en theoloog. Newton beschreef onder andere de zwaartekracht en de drie wetten van Newton, waardoor hij de grondlegger van de klassieke mechanica werd. Hij ontwikkelde een theorie over kleuren, gebaseerd op het prisma, dat van wit licht een zichtbaar spectrum maakt. Hij wordt beschouwd als de grootste geleerde in de hele geschiedenis van de wetenschap;
  • John Toland schreef honderden boeken waarvan het merendeel is gewijd aan kritiek op kerkelijke instituten. Hij was een van de grondleggers van het Pantheïsme;
  • Anthony Ashley Cooper was op school een matige leerling, maar eenmaal op reis in het buitenland begon hij zich te ontwikkelen en voor van alles te interesseren. Hij was een tegenstander van religies, maar niet geheel a-religieus. Lord Ashley woonde jarenlang in Rotterdam;
  • John Locke (1632–1704) was een lijfarts van Lord Ashley en politiek filosoof; woonde eveneens in Rotterdam.
  • James Burnett (1714-1799) was een filosoof en linguist, die zich bezighield met de ontwikkeling van de eerste concepten van evolutie, en wordt gezien als de voorloper van het idee van het principe van de natuurlijke selectie;
  • Daniel Defoe schreef Robinson Crusoe over een "wilde" die geaccepteerd zou moeten worden zoals hij was. Het boek werd een van de meest gelezen en vertaalde werken. Voor Jean-Jacques Rousseau was “Robinson Crusoe” het enige boek dat zijn pupil Emile mocht lezen.
  • Samuel Johnson
  • Samuel Richardson
  • Edmund Burke (1729–1797) was een Engels parlementslid en de grondlegger van het moderne conservatisme. Hij bestreed de denkbeelden van de Verlichting en de Franse Revolutie ;
  • Edward Gibbon (1737–1794) was een historicus, die bekend werd vanwege zijn uitzonderlijke beschrijving van de ondergang van het Romeinse Rijk: The History of the Decline and Fall of the Roman Empire;
  • Mary Wollstonecraft (1759-1797) was een schrijfster, filosofe, en feministe. Ze werd werd ze gegrepen door de revolutionaire ontwikkelingen in Frankrijk en in 1792 vertrok ze naar Parijs om de Franse Revolutie van nabij mee te maken.

[bewerken] Schotland

[bewerken] Duitsland

Schiller is aan het voorlezen in een park buiten Weimar; Wieland en Herder zitten links, Goethe staat rechts bij de pilaar. Schilderij uit 1860 door Theobald von Oer
Een onderwijzer schrikt zijn leerlingen af met te wijzen op de hel, satan, de duivel en Adam en Eva. Gravure door Daniel Niclaus Chodewiecki
  • Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716) was een wiskundige, filosoof, logicus, natuurkundige, historicus, rechtsgeleerde en diplomaat. Hij liep ver vooruit op zijn tijdgenoten en zag als een van de eersten het belang in van de theorie van Newton. Hij was een voorstander van de gematigde vorm van Verlichting en streefde zijn hele leven naar harmonie op zoveel mogelijk fronten. Hij trachtte zoveel mogelijk wetenschappers tot samenwerking te bewegen. Hij stichtte (min of meer) de Pruisische Academie van Wetenschappen en ondernam pogingen om alle christelijke kerken nader tot elkaar te brengen;
  • Christian Thomasius droeg door zijn pleidooi voor een humaan strafrecht wezenlijk bij aan de afschaffing van de heksenprocessen in Duitsland; schreef voor alle standen en beide geslachten;
  • Christian Wolff (1679-1754) publiceerde over de de filosofie van Confucius en vergeleek hem met Mozes, Christus en Mohammed; hij werd daarvoor in 1723 verbannen, maar twintig jaar later gerehabiliteerd; hij was voorstander van de meer gematigde Verlichting;
  • Johann Gottfried von Herder leverde recensies voor het tijdschrift de Allgemeine deutsche Bibliothek, maar werd later een romanticus die kritiek uitoefende op de Verlichting;
  • Immanuel Kant (1724–1804) hield zich, net als vele andere filosofen voor hem, bezig met de vraag of filosofie even verklarend kon zijn als theologie voorheen; hij geldt als grondlegger van de moderne filosofie en behoort tot de late Verlichting;
  • Thomas Abbt (1738–1766) werkte aan de popularisering van de filosofie;
  • Moses Mendelssohn pleitte voor scheiding van kerk en staat; stond model voor Nathan de Wijze; woordvoerder van de Haskala, de joodse vorm van de Verlichting;
  • Christoph Martin Wieland was een romanschrijver en vertaler van Shakespeare; hij zocht naar een evenwicht tussen religie en wetenschap, tussen ernst en lichtzinnigheid, en tussen morele plicht en levensgenieten;
  • Gotthold Ephraim Lessing (1729–1781) was een schrijver van toneelstukken, o.a. Nathan de Wijze. Zijn werk stond in het teken van de religieuze tolerantie en hij wees fanatisme en onverdraagzaamheid af;
  • Johann Winckelmann
  • Johann Christoph Gottsched hervormde het Duitse theaterwezen;
  • Adam Weishaupt (1748–1830) pleitte voor het afschaffen van alle georganiseerde religies en alle staten;
  • Friedrich Melchior Grimm was een schrijver en diplomaat, die artikelen leverde voor de Franse Encyclopédie over muziek en verschillende vorstenhoven inlichtte over het intellectuele leven in Parijs;
  • Christian Felix Weiße was een pedagoog uit de Verlichting en schreef jeugd- en kinderboeken;
  • Friedrich Nicolai was een uitgever het tijdschrift Allgemeine deutsche Bibliothek;
  • Christian Garve behoort evenals Kant, zijn tegenstander, tot de late Verlichting.

[bewerken] Overige

Verenigde Staten
  • William Penn stelde een handvest op waarin de vrijheid van de Amerikaanse kolonisten werd vastgelegd, evenals het recht op een eerlijke berechting, vrije verkiezingen en godsdienstvrijheid;
  • Benjamin Franklin (1706–1790) gaf de belangrijkste krant uit in de Amerikaanse kolonie en richtte een boekenuitleen op; hij is het bekendst als medeopsteller van de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring (1776);
  • Thomas Paine (1737–1809) schreef The Age of Reason, een aanval op de georganiseerde religie. Hij verwierp de Bijbel, onder andere omdat hij veel van het bloedvergieten in de Bijbel niet moreel gerechtvaardigd vond;
  • Thomas Jefferson (1743–1826) ontwierp de grondslagen van de VS: 'alle mensen zijn gelijk geschapen', volkssoevereiniteit, het recht op verzet tegen de overheid wanneer die zich zelf niet aan de wet zou houden, en het 'natuurlijke' recht op individuele vrijheid, leven en the pursuit of happiness, het nastreven van geluk. Deze basiswaarden had hij voor een deel opgedaan uit geschriften van de Engelse liberale Verlichtingsfilosoof John Locke, bij wie hij het principe 'natuurrecht' vond. ;
Rusland
Italië
Spanje
Zweden
Polen
  • Ignacy Krasicki (1735–1801) was een dichter en vertaler. Van hem is de bekende zin Het is beter van mening te verschillen in vrijheid, dan akkoord te zijn achter de tralies;
  • Hugo Kołłątaj (1750–1812), Polen.
Denemarken
  • Johann Friedrich Struensee zette zich met name in voor de ongehuwde moeders en hun kinderen, en voor de vaccinatie tegen pokken.
Portugal
Zwitserland

[bewerken] Late Verlichting en Kant

Habe Muth, dich deines eigenen Verstandes zu bedienen! Uit het pamflet Wat is Verlichting? van Immanuel Kant.

De drie Kritieken van de Duitse Verlichtingsfilosoof en laatste universalist, Kant, gelden vanwege hun intellectuele diepgang als een mijlpaal in de Westerse wijsbegeerte. Zijn meest toegankelijke tekst is het pamflet "Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?" (De beantwoording van de vraag: wat is de Verlichting?) uit 1784. Het was zijn bijdrage aan een prijsvraag. Uit dat werk komt de bekendste definitie van de Verlichting. Kant zegt:

"Aufklärung ist der Ausgang des Menschen aus seiner selbstverschuldeten Unmündigkeit. Unmündigkeit ist das Unvermögen, sich seines Verstandes ohne Leitung eines anderen zu bedienen."
(Verlichting is het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft. Onmondigheid is het onvermogen zich van zijn verstand te bedienen zonder de leiding van de ander.) [13]

Deze onmondigheid is geen gebrek aan verstand maar aan een gebrek aan moed en vastberadenheid en het blind vasthouden aan overgeleverde waarden.

De zinspreuk van de Verlichting is 'Sapere aude: Durf je van je eigen verstand te bedienen [14], maar, je moest volgens Immanuel Kant, bij het nadenken over alles en bediscussieren van ieder denkbaar onderwerp gehoorzaamheid niet uit het oog verliezen.

[bewerken] Kritiek

Max Horkheimer (links vooraan) en Theodor Adorno (rechts vooraan) in 1965.

Zowel in de achttiende, negentiende als twintigste eeuw kwam er fundamentele kritiek. Sommigen hanteren begrippen zoals contraverlichting of tegenverlichting om de kritiek onder een noemer te brengen. Het conservatisme en de Romantiek zijn vroege reacties. In de 20ste eeuw bekritiseerde Louis-Ferdinand Céline in zijn 'Reis naar het einde van de nacht' de vooruitgangsgedachte. Max Horkheimer en Theodor Adorno deden dit met hun De dialectiek van de Verlichting. Recenter positioneert het postmodernisme zich tegenover de Verlichting en verwerpt radicaal de zekere kennis in de wetenschap, de moraal, de politiek en religie en de daarop gebaseerde hoop.

  • Verlichtingsdenkers gaan uit van de redelijke vermogens van de mens, dat kennis op te bouwen is en dat handelen op basis hiervan vooruitgang brengt. Tradities en instituties worden daarom geactualiseerd en dreigen zo te verdwijnen.
  • De kritiek gaat er van uit dat de rede en het kenvermogen van de mens beperkt is. Ingrijpen in de maatschappelijke werkelijkheid blijft dus moeilijk en kan aldus gevaarlijk zijn.
  • De Verlichting en de moderne wetenschap persen mensen in een keurslijf en leiden tot nieuwe vormen van onvrijheid en onderwerping.
  • Het idee dat de moderne wetenschappelijke kennis tot doorzichtigheid en beheersbaarheid van de maatschappij leidt, is volgens de kritiek niet juist. Rede, kennis en rationaliteit leiden tot vooruitgang op het wetenschappelijke en technische vlak en niet in de moraal, de politiek en het menszijn.

[bewerken] Literatuur

  • Alphons van Dijk (1999). Over (de) Verlichting; een inleiding tot het boeddhisme voor humanistisch geïnspireerde mensen. Leende: Damon.
  • Ulrich im Hof (1994) Europa en de verlichting. Europese contouren onder redactie van Jacques Le Goff.
  • Jonathan Israel (2001). Enlightenment Contested. Philosophy, Modernity, and the Emancipation of Man 1670-1752. Oxford: University Press.
  • Jonathan Israel (2005). Radicale Verlichting. Franeker: Van Wijnen.
  • Het licht der rede. De Verlichting in brieven, essays en verhalen. Samengesteld en ingeleid door Cyrille Offermans.
  • Carel Peeters (2008). Gevoelige ideeën; over de andere Verlichting. Amsterdam: De Harmonie.
  • David Sorkin (2008). The Religious Enlightenment. Protestants, Jews and Catholics from London to Vienna. Princeton: University Press.
  • Claire Carlysle's artikelen in The Guardian [1]

[bewerken] Externe links

[bewerken] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:

  1. Het is niet mogelijk om het exacte begin en einde ervan aan te duiden, en de gegeven periode is een indicatie, maar het begin zou liggen bij de aandacht voor het werk van René Descartes na zijn dood. Engelsen zijn meer geneigd de Verlichting te zien als een gevolg van de Glorious Revolution.
  2. Tijdens de Verlichting werd ze niet gezien als een stroming of als een tijdperk, maar als een maatschappelijk proces waarvan de ontwikkeling kon worden nagestreefd en die nog voortduurt.
  3. Vries, M. de (2001) Beschaven! Letterkundige genootschappen in Nederland 1750-1800, p. 314.
  4. Het tegenovergestelde van de Verlichting is het obscurantisme.
  5. Vries, M. de (2001) Beschaven! Letterkundige genootschappen in Nederland 1750-1800, p. 158.
  6. Vries, M. de (2001) Beschaven! Letterkundige genootschappen in Nederland 1750-1800, p. 157.
  7. Vries, M. de (2001) Beschaven! Letterkundige genootschappen in Nederland 1750-1800, p. 317.
  8. Israel, J. (2001) p. 171
  9. http://www.guardian.co.uk/commentisfree/belief/2011/feb/07/spinoza-philosophy-god-world
  10. http://www.guardian.co.uk/commentisfree/belief/2011/mar/21/spinoza-ethics-of-the-self?INTCMP=SRCH
  11. Roorda, D.J. e.a. (1983) Overzicht van de Nieuwe Geschiedenis. De algemene geschiedenis van het einde der middeleeuwen tot 1870, p. 209.
  12. Roorda, D.J. e.a. (1983) Overzicht van de Nieuwe Geschiedenis. De algemene geschiedenis van het einde der middeleeuwen tot 1870, p. 210.
  13. Immanuel Kant: 'Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?' Essay uit 1784
  14. Arnold Heumakers in de NRC De Verlichting driemaal doorgelicht

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren
In andere talen