Gebruiker:Benedict Wydooghe/Wikipediaklas/Horticultuur

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Landschap met vogels en dodo (1628) van de Kortrijkzaan Roelant Savery. Savery's protestantse ouders ontvluchten Kortrijk om religieuze redenen na de inname rond 1585. In Haarlem behoort Roelants vader tot de migranten die de Hollandse Gouden Eeuw vorm geven. Savery bestudeert planten in Tirol, reist naar Praag, wordt er hofschilder in het centrum van het Maniërisme en raakt er geïnspireerd door de keizerlijke fossielen en dieren. Geen schilder nam de uitgestorven dodo zo vaak als onderwerp.
Als er één tuingeluid zou bestaan, dan wordt het onmiddellijk geassocieerd met Luigi Boccherini, de man die de tuinen in Versailles een zilveren klank gaf.

De eerste pure vreugde van de tuin... de hele dag bezig geweest met onkruid wieden om de bloembedden af te maken in een vreemd soort vervoering die me deed opmerken dat dit geluk is. Troepjes gladiolen; de boerenjasmijn in bloei. We waren tot negen uur 's avonds buiten, hoewel het een koude avond was. Allebei stijf en vol krassen vandaag, met chocolabruine aarde onder onze nagels.

.

Een tuin geeft je een toekomst. Je hoeft nooit te denken dat het vroeger beter was.

.

Try again, fail again, fail better.

Samuel Beckett, Worstward Ho[3]

.

Deze tijd vraagt om optimisme. Pessimisme bewaren we voor slechtere tijden.

.

In de voortaligheid van de geurende tuin en binnen de beschutting van een mentale, regresserende reis naar het onbereikbare oord, ontwaren we een onuitspreekbaar efemeer geheim. Geur is het laatste, natuurlijke, vluchtige fragment. Geur laat ons met een zinnelijke wreedheid achter in het landschap van een herinnering, een intuïtie. Zij heeft ons als een nauwelijks opgemerkte bries - een ademstoot, een verzuchting - een begrijpen gegund die even snel aan ons ontsnapte, als wij haar konden opvangen. Geur schijnt ons te willen zeggen dat het diepste begrijpen daar ligt, in die tuin, waar het ons tegelijk ontglipt.

— Barbara Baert[5]

.

Misschien kunnen tuinen, beter dan de rede uitdrukking verlenen aan het ideaal dat de mens, gevangen in het keurslijf van zijn materiële leefomstandigheden, bezielt. Een tuin is een stuk natuur dat door de mens zo wordt bewerkt, dat het aan zijn droom van een beter leven gaat beantwoorden. Om deze droom in werkelijkheid om te zetten, probeert hij de planten aan zich te onderwerpen, zowel degene waarmee hij zich voedt, als degenen die geen andere verdienste hebben dan hun schoonheid.

— G. Marçais, 1957[6]

.

Er bestaat een onnavolgbare overeenstemming tussen de vrouw (...) en de bloem (...). Als beeld van de vruchtbaarheid en het geslacht, suggereert de bloem zeer zeker het raadsel der natuurlijke cycli, de verrukking van het leven, het mysterie van het zaad, maar ook het schone verwelken en verder de onzichtbare samenwerking tussen wortel, sap, stengel en blad. Ten slotte schenkt de bloem, in haar onbeweeglijke rust, maar kweekster-aanbidster slechts een betoverend, maar vluchtig parfum. De vrouwelijke melancholie herkent zich in de fragiele, trotse en onsterfelijke wereld alsof het eigen beeld erin weerspiegeld werd, met daarbij de belofte van hernieuwde bloei in het komende seizoen, van een verrijzenis.

.

.

Planten en parkjes, bosschages en bloemen inspireerden kunstenaars en architecten om er religieuze en wereldse constructies mee te maken: de kloostertuin, de kasteeltuin, het park en het landschap. Daar hebben zij natuur getemd en zodanig bewerkt tot een utopische wereld, een artistieke constructie waarin de cultuur de natuur 'bestudeert, imiteert en als decor presenteert' en doet dromen van een fijn leven: het paradijs.[8] Om die droom in werkelijkheid te brengen domesticeerde de mens plant en dier. De voedzame planten en dieren veredelde hij tot energierijke smaakbommen. Planten en dieren die geen enkele voedzame functie hadden, nam de mens er graag bij omwille van hun esthetica of hun defensieve capaciteiten. Zo kon een tuin utilitair en militair zijn, een groentetuin, een wetenschappelijke botanische tuin of een decoratieve siertuin. Die definitie verschilt nauwelijks met hoe Diderot en D'Alembert het lemma 'jardin' lieten verschijnen in hun Encyclopedie. Zij hebben het over een kunstmatig aangelegde plaats om de behoefte of het genot van de mens te dienen. 'Keukentuinen voor groenten, boomgaarden voor fruit, bloembedden voor bloemen en hoogbos voor dekking. Ze zijn versierd met terrassen, steegjes, bossen, waterstralen, standbeelden, ornamenten en boulingrins voor wandelingen, versheid en andere apanages van luxe of smaak. In het Hebreeuws betekent het een heerlijke plek beplant met bomen en verwijst het naar Eden. Het Griekse woord Παράδεισος / paradijs betekent hetzelfde. Ook hier is de naam van de tuin toegepast op vruchtbare, aangename kweekgronden.

.

Oppervlakkig gezien is een 'tuin' getemde 'natuur' op een begrensd stuk land dat gewassen in 'cultuur' brengt. De horticultuur of de studie van het kweken van bollen, bloemen en bomen, het zorgen voor zaden van groenten en fruit in al zijn biologische, kunstzinnige en historische uitingen is echter meer dan het resultaat van de drijfveren van de tuinontwerpers en hun opdrachtgever. Wie dieper graaft merkt dat de tuin een middel is om de mens in zijn samenleving te begrijpen.

.

De relatie tussen tuinarchitectuur enerzijds en de historische achtergrond, de maatschappelijke context waarin die tuin ontstaat anderzijds is belicht door Gerrit Komrij in 1991, door Pierre Bonnechere & Odile De Bruyn in 1998 en René De Hert. Zij verkenden dit onderzoeksdomein in hun respectievelijke teksten 'Over de noodzaak van tuinieren', 'Het bezielde landschap' en 'Tuinen van Eden' en leggen relaties tussen de uitwijzing uit het aards paradijs en de nomadische mens, het symbooldenken in de Middeleeuwen en de symbolische tuinelementen, tussen de renaissancetuin en de drukpers, tussen de veroveringsdrang van Lodewijk XIV en de Franse tuin, relaties tussen romantiek en de landschapstuin, tussen de opkomst van de horticultuur en de vroege industriële revolutie, tussen de Victoriaanse burgertuin en de triomfgedachte van industriebaronnen, tussen de hedendaagse informatiesamenleving en de tuinrage.

.

.

Een maatschappelijke barometer[bewerken | brontekst bewerken]

.

Wat maakt tuinen tot dit soort 'maatschappelijke barometer', een trend- en modegevoelige ideeënmeter? Ik kauwde op de vraag sinds de Huizingalezing van Gerrit Komrij in 1990. Het antwoord vond ik twee decennia later bij Penelope Lively (Caïro, 1933) die schandalig genoeg in 2019 niet eens een Wikipedialemma is. Tuinen, zo stelt ze tonen wat er in een samenleving voor handen is (It's the economy, stupid) en ze zijn in hun vormgeving afhankelijk van trend- en agendasetters en andere invloedrijke figuren (It's the politics, stupid). In hun omvang vertonen tuinen een sociologisch profiel (I's the social, stupid): van proletarisch tot aristocratisch, van stedelijk tot agrarisch. Zelfs de 'cottage garden' ontsnapt er niet aan: die toont een categorie mensen die het zonder tuinadviezen en het zonder trendy planten (moeten) doen. Wie hier tuiniert doet dat met wat hij vinden kan of wat hij kan betalen. En dat hangt af van het waar en het wanneer. Wie buiten de tuin kijkt, ontdekt zijn oudste emotie: de angst voor het onbekende. Dat staat diametraal tegenover de zekerheid van de tuin. 'De oudste en sterkste emotie van de mens is angst, en de oudste en sterkste soort angst is angst voor het onbekende' schreef H.P. Lovecarft, een Amerikaanse horrorhervormer in de jaren na de Eerste Wereldooorlog.

.

De tuin en het landschap zijn menselijke creaties. Tuin- en landschapsarchitecten vragen zich af hoe hun constructies de tijd zullen trotseren en de klimaatwijziging al dan niet zullen aankunnen. Het gaat om nieuwe en oude technologie, nieuwe en oude gedragspatronen die de menselijke toekomst bepalen. Tuinen en landschappen laten de seizoen als cyclus onverbiddelijk over hen heen komen. Tuinlui zijn nodig om de ontzagwekkende kracht van de natuur te cultiveren. Toen de pest de wereld van Azië tot Europa halfweg de veertiende eeuw in zijn greep hield, kwamen - in tegenstelling tot de corona crisis - veel jongelui om en nam de natuur de teugels van de cultuur over, ervan overtuigd dat de menselijke dominantie over de aarde nooit terug zou komen.[9] Akkers bleven onbebouwd, onkruid woekerde, dijken verbrokkelden en het zoute zeewater overstroomde lage landerijen. Werk van eeuwen dreigde verloren te gaan. Simon van Covino, een tijdgenoot vergeleek dit menselijk slagveld met het verwelken van de veldbloemen. De tuinmetafoor is voor vele doeleinden gebruikt. Klik hier voor een inleiding door Lieven de Cauter.

De tuin als een geschiedenisles: op weg naar een volgende verschijning[bewerken | brontekst bewerken]

Er is geen mooiere metafoor voor de geschiedschrijving en de geschiedenis dan die van de tuin. Els Witte, een traumatiserende professor die promoveerde tot de rector van mijn universiteit, had het over de tuin van Academos toen ze de zoveelste verjaardag van onze universiteit in de verf zette. Onstuitbare verandering, dat is de geschiedenis, een nieuwe verschijningsvorm. Tuinieren is wonen zegt Penelope Lively.[10] Ze herinnert zich nauwelijks hoe het is te leven zonder de seizoenen zoals in haar kindertijd in Egypte meemaakte. Alle dagen waren hetzelfde, coronadagen zouden we zeggen in 2020. Langzaam acclimatiseerde ze en op haar drieëntachtigste blijkt ze een fan van seizoenen (de eeuwige herhaling) en de gestage verandering. Een gematigd klimaat is perfect voor een tuinman of een tuinvrouw. Waardering en plezier groeien: 'je weet dat de tulpen er maar even zijn, geniet er zo veel mogelijk van, maar geen zorgen, de zomer komt eraan, met rozen - rozengeur en maneschijn.' Agressievelingen zoals de Rododendron, die van de tuin een rimboe maken, zijn beter achterweg te laten. Het een vooruitkijken typeert de tuinier en hangt samen met het klimaat, zegt ze. De tuin is 'een eeuwig stromende rivier', een ononderbroken cyclus, die niet verveelt, een vreugde van korte duur. Mochten rozen hun vurige pracht en hun volle bloei blijven aanhouden tot met kerst, zouden ze dan nog fascineren?' Voor Penelope Lively ligt de aanstekelijkheid en de aantrekking van de tuin in de verhouding die de mens heeft ten aanzien van de tijd (geschiedenis dus). En die tijd die noemt ze ambivalent. 'De tuin functioneert in cycli, hij weerspiegelt de seizoenen, kijkt terug en vooruit, en neemt de tuinier daarin mee. En dan citeert ze Eliots 'Burnt Norton' : 'Misschien dat heden en verleden / Beide deel uitmaken van de toekomst / En dat de toekomst al besloten ligt in het verleden.'

De tuinman is een historicus[bewerken | brontekst bewerken]

Bij het tuinieren vallen verleden, heden en toekomst samen; de tijd wordt getrotseerd. Je tuiniert vandaag voor de dag van morgen; de tuin verandert van seizoen tot seizoen, steeds hetzelfde, maar altijd anders. (...) We tarten de tijd met ons geheugen, met de kracht van de herinnering. De tijd vloeit achter ons weg, en voor ons uit, maar onze herinneringen vormen voor ieder van ons een vertrouwde plek. We maken ons een specifiek stuk tijd eigen: daar was ik toen, dat deed ik, dat zag ik, dat voelde ik. En tuinieren is op zijn eigen bescheiden wijze een geheugenprestatie: het vangt de tijd, pint hem vast op de seizoenen, op het tuinjaar, door de tuin in het verleden en de tuin in de toekomst op te roepen. Een tuin bestaat nooit alleen maar nu; hij impliceert een gisteren en een morgen; hij ontzegt de tijd zijn gestage vooruitgang. De tuin - elke tuin - bevindt zich in een toestand van onstuitbare verandering. Elke dag, elke week, elk blad, elke knop, elke bloem - alles is onherroepelijk op weg naar zijn volgende verschijningsvorm, de schittering van de lente is vergeten tegen de tijd dat het spektakel van de zomer losbarst, dat op zijn beurt plaatsmaakt voor de gloed van de herfst. Dan komt hartje winter, maar ook die ene koppige roos die bloeit met Kerstmis.[11]

Zo zegt Penelope Lively: 'de tuin herschikt de tijd. En door te tuinieren breng je orde aan.' Dat is het werk van een historicus. Niettemin zijn tuinen die de tijd trotseren precair. Elke tuin staat of valt met zijn verzorgers. Natuur is de tegenstelling van cultuur en zo vluchtig kunnen tuinen en de geschiedenis zijn. In enkele maanden kunnen ze wegkwijnen, na enkele jaren zijn ze verdwenen. Een tuin is als de geschiedenis, het verhaal.

Of wat te denken van deze uitspraak: 'Zowel de manier van tuinieren als de opvatting van het begrip 'tuin' verandert in de loop der tijd. Het concept stamt misschien uit Eden, maar de praktijk van het tuinieren lijkt terug te gaan tot ver in de oudheid. Er bestaan afbeeldingen en archeologische vondsten dat er in het oude Egypte werd getuinierd. Op een beschilderde graftombe van rond 1500 v.Chr. zien we een farao en zijn vrouw een formeel ogende tuin bezichtigen. (...) Bij opgravingen is bewijs gevonden voor de aanwezigheid van tuinen.' Vervang tuinieren door het schrijven van geschiedenis, en het begrip tuin door 'de geschiedenis' en het plaatje klopt.[12]}}

Een sociale indicator[bewerken | brontekst bewerken]

Stellen dat een tuin een sociale indicator, een teken van welstand, is niet waar, zegt Penelope Lively. Londense luxeflats kosten miljoenen en ze zijn: tuinloos. Een Engels overheidsrapport berekent dat er in 2010 meer dan 2 miljoen huishoudens tuinloos zouden zijn en dat in 2020 11 procent van de huishoudens geen tuin heeft omwille van de appartementen die projectontwikkelaars bouwen op tuingrond. De Londense voortuinen zijn voor twee derde betegeld of met beton bedekt. Straf is de passage waarbij Penelope Lively de sfeer van de jaren tachtig oproept. In die dagen schreef ze kinderboeken. Over de 'politiek correcte kinderboekenuitgevers' is ze ongecensureerd: sommigen uitgevers tipten hun auteurs dat tuinen ongeschikt waren in kinderboeken, gezien veel kinderen er geen hadden en zich er aldus geen voorstelling van konden maken. Fijntjes schrijft ze erbij dat de uitgevers voor de goede vrede vergaten dat mensen lezen om hun bestaan te ontvluchten of om het te verbreden, niet om het te dupliceren.

Tussen tuin en landschap[bewerken | brontekst bewerken]

Het paradijs van Jan Brueghel de Oude (1568-1625), de Vlaamse barokschilder, de Fluwelen Brueghel genoemd. Jan Brueghel was de zoon van Pieter Brueghel de Oude en vader van Jan Brueghel de Jonge. Hij was de broer van Pieter Brueghel de Jonge, de schoonvader van Jan van Kessel die met zijn dochter Paschasia was gehuwd en de schoonvader van David Teniers de Jonge.

Een landschapselement is een deel van het landschap dat als homogeen wordt ervaren. Landschapselementen zijn de bouwstenen van het landschap, ze verschillen in aard, hoeveelheid en samenhang dragen bij aan de karakteristieke kenmerken. Ze hebben veelal een historische achtergrond: de invloed van de mens in het verleden op het landschap is er in terug te vinden.

Veel landschapselementen hebben naast een historische of een landschappelijke een ecologische functie: de ecotopen in een ecosysteem. Reliëfvormen met een natuurlijk ontstaan, aangeduid met het geomorfologische begrip landvorm, worden landschapselementen genoemd. Landschapselementen kunnen punt-, lijn- of vlakvormig zijn:

Leven[bewerken | brontekst bewerken]

Alles begint bij Eva, niet?

'Tuin' is oud Nederlands voor omheining. Etymologisch gaat het woord terug -zoals Diderot en D'Alembert ons reeds vertelden- op 'paradeisos' of het 'hof', wat ommuurde ruimte, een omsloten stuk grond of een ingesloten plaats kan betekenen. Een landschap daarentegen lijkt onbegrensder en uitdijend en laat zich niet zo eenvoudig omschrijven. Voor Simon Schama is een landschap een eenheid van menselijke bezetting, een rechtsgebied en met een knipoog: prettig om te schilderen.[13] Halind Libbrecht komt dicht in de buurt met zijn definitie die de hele publieke ruimte omvat: straatinrichting, parkaankleding en sportterreinen, industrieparken en bedrijfsterreinen. Toen Libbrecht in de jaren tachtig afstudeerde, hadden de meeste gemeentebesturen geen idee wat ze moeten aanvangen met een landschapsarchitect. Tegenwoordig noopt de verzadiging van de bouwgrond en toe slippende weginfrastructuur tot een nieuw paradigma.[14]

Omheinen en begrenzen...[bewerken | brontekst bewerken]

Met het ontstaan van de vroege, vaste verblijfskernen, verschijnen veldjes en akkers. Om vernieling en vraat te vermijden, vijandig vee en vreemde nomadengroepen voor te zijn, vlecht men er een dichte, stekelige beplanting rond en de tuin verschijnt in de wildernis. De in onze contreien veel voorkomende de wilg, de hazelaar en de meidoorn vormen een vlechtbare omheining met twee- of driejarige takken, soepel en buigzaam. Zo'n omheining noemt een tuun of een tuin, in het Duits Zaun of omheining. Fence is dan weer Engels voor hek of omheining, afgeleid van 'defence' of het verdedigen en het beschermen. Dat kon op diverse wijzen: met greppels en houten structuren, met heuvels of gestapelde keien. Vandaar gaat de naam over op een omwalling, vestingwerken die de ruimtelijke ordening vorm geven. Het werkwoord 'bevestigen' betekent niet alleen het creëren van een vesting, het duidt vooral op de sociale context die hiermee ontstaat. Bevestigen is het erkennen van iemands identiteit, zijn positie of waardigheid, in tegenstelling tot zij die van buiten komen, de vreemdelingen of 'de buitenlui' zoals Auke van der Woud hen noemt in zijn proefschrift uit 1987 Het lege land. Buitenlui vallen op. Hun kledij, hun spraak, hun bagage of handelswaar alles verraadt hen. Zelfs hun gebaren en hun houding maakt hen herkenbaar. Tot de industrialisatie begrenst elke stad zich fysiek met een voelbare overgangszone. De tocht van exterieur naar interieur loopt langs de wal, de gracht en de poort. Ze zorgen dat de buitenlui niet onopgemerkt blijven. Hun poortgeld aan de 'poortier' en hun naam in het register bij overnachting in een herberg zorgen ervoor dat ze buiten de gaststad staan, ook al zijn ze binnen. De stad vormt een entiteit en een symbolisch bewustzijn.[15]The Young Farmer's Manual van S. Edwards Todd uit 1860 geeft de Amerikaanse kolonisten, zes jaar voor de burgeroorlog en een ruim decennium voor de geboorte van de prikkeldraad raad. 'Het maakt niet uit waar de boerderij zich bevindt, het maakt niet uit wat ze teelt: de eerste, tweede en laatste zorg voor de dagelijkse bedrijfsbezigheden is afrastering, afrastering en nog eens afrastering.'[16] Het deed hen experimenteren met doornen heggen zoals de oranjeappel. Er verschenen advertenties die de plant prezen als 'horse high', 'bull strong' en zo nesteldicht dat geen varken er door drong. De nadelen bleven gecamoufleerd: de trage groeitijd, de waterzucht en haar asielfunctie voor insecten, ongedierte en onkruid. Jacob Haish (1826-1926) uit Duitsland emigreerde naar de V.S. toen hij zes was en zou zich toeleggen op omheiningen, eerst als zadenverkoper van de oranjeappel, later als mede-uitvinder van de prikkeldraad. Hij wist hoe belangrijk afsluitingen waren voor de boeren op de prairie. Het is zoals de journalist Dick Wittenberg, de auteur van 'Prikkeldraad' zegt: dat kon alleen maar in de V.S. worden uitgevonden.

...is niet evident[bewerken | brontekst bewerken]

Toch is de grensbepaling geen evidentie. Het Romeinse Rijk werd onder de voet gelopen en daaruit bleek al hoe langer en hoe groter de grenzen, hoe moeilijker de bewaking. Een eigentijdse en eigenzinnige mediakunstenaar en vredesactivist die (postuum) met deze idee speelde is Jef Geys (1934-2018). Zijn project Quadra [acht plantenbakken op het grasveld van het MAC's in Grand-Hornu] toont de de gestileerde grenzen van België, Nederland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië, Duitsland, Spanje en Portugal. In dit 'Europese fort' van acht landen weerspiegelt zich in bloembakken met grasland ertussen. Daarin kweekt de kunstenaar typische planten van het land in kwestie. Om tot de plantenselectie te komen zocht hij contact met het netwerk van de overleden plantkundige Pierre Piétart, van de universiteit van Bergen. Ondanks het feit dat elke bak zijn eigen gewassen , zijn eigen vormtaal en grondcultuur kent, piepen planten onder de grens, waait en valt zaad gewillig in een andere bak en maakt onkruid geen onderscheid tussen arme en rijke grond, bekend en onbekend terrein. Op het dodeneiland San Michele nabij Venetië groef hij dat soort onkruid op. Zo toont dit project dat grenzen culturele en geopolitieke scheppingen zijn die (on)kruid niet stoppen. In die zin is de onvoorspelbaarheid van de natuur sterker dan de border. Wat is het belangrijkste? Infiltratie of afbakening? Het getemde of het wilde? Jef Geys overleed op 12 februari 2018. Het MAC zette zijn werk voort en respecteerde zijn aanpak.[17]


Er zal een tijd komen, dat de volken van Europa te wijs zullen zijn, om elkander te beoorlogen, en dan zal de zware post, voor het maken en onderhouden van vestingen, op al de begrootingen geschrapt zijn.

— G.K. van Hogendorp, 1819
De Berlijnse muur domineerde tot 1989.
Ommuurde ruimtes
Niet vergeten

Aards paradijs[bewerken | brontekst bewerken]

Er is geen godsdienst of het Aards paradijs daagt op. Als Wim Lybaert schrijft dat hij zich bij het oogsten van de zaden altijd een beetje God de Schepper voelt, 'die zomaar iets nieuws kan creëren' dan is dat niet eens zo ver gezocht.[18]

Het eerste wat de God van de joden en christenen doet, is het scheppen van de tuin van Eden. Ook in de islamitische overlevering is het paradijs een oord waar het heerlijk leven is, waar overvloed heerst en geen ziekte, rampspoed of dood bestaat. Het graf van Jezus lag in een tuin op Golgotha. Tuinen zijn begin- én eindpunt, de oorsprong en het einde van de wereld en aan voorstellingen ontbreekt het niet in de beeldende kunsten.

Ook had de Here God enen hof gemaakt in Eden, tegen het Oosten en Hij stelde aldaar den mens (...). En de Here God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht en goed ter spijze, en den boom des levens in het midden van den hof, en den boom der kennis des goeds en des kwaads. (...) Zo nam de Here God den mens en zette hem in den hof van Eden, om dien te bouwen en dien te bewaren. En de Here God gebood de mens, zeggende: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten: maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage als gij daarvan eet zult gij den dood sterven.

— (Genesis 2:8-9, 15-17).

Met een rib van Adam bouwde God de vrouw, het beklemtoonde haar minderwaardigheid en toen Eva zich liet verleiden door de slang om tegen gods verbod in van de boom van kennis van goed en kwaad te eten en daarop ook Adam in verleiding bracht, werd ze een verleidster. Eeuwenlang zou het verklaren en legitimeren zijn waarom vrouwen pijn lijden tijdens de bevalling en waarom de man de vrouw overheerst. Hierna noemde de man zijn vrouw Eva en omdat God vreesde dat ze opnieuw van de levensboom zouden eten, verjoeg hij hen. Ten oosten van de tuin bewaakt een cherub met zijn vlammend zwaard de weg naar de boom des levens. Nergens vermeldt de bijbel dat het Aards Paradijs verdwijnt. Eeuwig lang zal de mens zijn zoekend bestaan leiden. De nomade was geboren.

Nomadische mens[bewerken | brontekst bewerken]

In het vroege paleolithicum is de jager-verzamelaar een meesterlijk roofdier die het biologisch evenwicht in zijn omgeving niet verstoort. Geleidelijk aan verandert dat tot de mens de omgeving beheerst. De toenemende beheersing van het vuur en de technologie, en de beheersing van de planten- en dierenwereld, verhoogt de menselijke afhankelijkheid en zijn kwetsbaarheid. Die kwetsbaarheid houdt hij angstvallig verborgen, want de vuur- en dierafhankelijkheid zijn zijn achillespees.[19]

In 1798 publiceerde Thomas Malthus zijn Essay over het Principe van Bevolking waarin hij de demografische transitie beschrijft en voorspelde dat de bevolkingsgroei de voedseltoelevering zou overtreffen. Hij baseerde zich op het idee dat de bevolking meetkundig stijgt (2 x 2 x 2 x 2) terwijl de voedselproductie rekenkundig (2 + 2 + 2 + 2) groeit in dezelfde tijdspanne. De daling van de hoeveelheid voedsel per persoon leidt tot een catastrofe. Volgens Malthus kan zelfbedwang, contraceptie en abortus de catastrofe vermijden.

Het lijkt erop dat de agrarische revolutie samenging met een religieuze revolutie. Jager-verzamelaars plukten en achtervolgden wilde planten en dieren, die beschouwd konden worden als gelijkwaardig aan Homo sapiens. Het feit dat de mens op schapen joeg maakte schapen niet inferieur aan de mens, net zomin als het feit dat tijgers op mensen joegen de mens inferieur maakte aan tijgers. Wezens communiceerden rechtstreeks met elkaar en kwamen met het nodige geven en nemen uit op de regels die golden in hun gedeelde leefgebied. Maar boeren bezaten en manipuleerden planten en dieren en konden zich natuurlijk niet verlagen tot onderhandelingen met hun bezittingen. Het eerste religieuze effect van de agrarische revolutie was dus dat planten en dieren van gelijkwaardige leden van een spirituele Ronde Tafel veranderden in bezit.

Dat creëerde echter wel een groot probleem. Boeren wilden misschien de absolute controle over hun schapen, maar ze wisten maar al te goed dat die controle beperkt bleef. Ze konden de schapen opsluiten binnen omheiningen, rammen castreren en selectief te werk gaan bij het fokken van ooien, maar ze konden niet zorgen dat hun beesten gezonde lammeren verwekten en wierpen en ze konden ook de uitbraak van de dodelijke dierziekten niet tegengaan. Hoe moesten ze de productiviteit van hun kuddes dan waarborgen?

Een belangrijke theorie over de oorsprong van de goden voert aan dat goden belangrijk werden omdat ze een oplossing voor dit probleem boden. Goden zoals de vruchtbaarheidsgodin, de hemelgod en de medicijngod traden op de voorgrond toen planten en dieren hun uitdrukkingsvermogen verloren, en de belangrijkste rol van de goden was die van tussenpersoon tussen mensen en de woordeloze planten en dieren. Oude mythologieën vormen in wezen een juridisch contract waarin mensen eeuwige toewijding aan de goden beloofden in ruil voor heerschappij over planten en dieren, waarbij de eerste hoofdstukken van het boek Genesis een perfecte illustratie vormen.

YUVAL NOAH HARARI. Sapiens, p. 228.


Ommuurde ruimtes toen: paradeisos[bewerken | brontekst bewerken]

{{|De religie is de zucht van de in benauwenis verkerende creatuur, het gemoed van een harteloze wereld, zoals zij de geest van de geestloze toestanden is. Zij is de opium van het volk.|Karl Marx}}

De neolithische revolutie, een begrip van Vere Gordon Childe duidt de overgang van het nomadische naar het sedentaire bestaan aan, waarbij de economie zich vooral baseert op landbouw en veeteelt. 11.000 jaar terug dwingt de klimaatsverandering de mens, een kudderoofdier tot aanpassing. De opwarming verandert fauna en flora en het laat niet langer de jacht toe die de wijfjesdieren spaart. Integendeel. De overbejaging leidt tot het uitsterven van de Mammoet of het wegtrekken van diersoorten. Rendieren trekken noordwaarts, gevolgd door mensengroepen. Daar, in Noord-Europa, Azië en Amerika houden ze vast aan die traditionele jacht en visvangst, tot de recente klimaatcrisis hen als slachtoffer treft. Andere groepen passen zich aan. De petieterige, snelle prooien in een gematigd en bosrijk klimaat vragen een andere jacht: de mens organiseert zich in kleinere eenheden, verbetert zijn pijl en Boog (wapen) en domesticeerde de wolf als voorganger van de hond die hem beschermt en de kip die hem voedt en alarmeert. De jacht volstaat niet langer om te overleven.

In deze context opent de vroeg antieke wereld haar dorpspoorten. De parochie en het gehucht, plaatsen zich midden in de wilde natuur als landbouwgemeenschappen. Waarschijnlijk ontstaan de eerste dorpen nabij gebieden met wilde granen.[20] Gewassen verbouwen gebeurt niet instinctmatig. Het is een langzaam leren op het ritme van seizoenen en jaren, en dat in een tijd zonder jaartelling. Die tijdsbepaling is aanvankelijk niets anders dan zich herhalende ervaringen, gemeten met de zon, de maan en de sterren die uiteindelijk tot een kalender leiden. De kennis behoort toe tot getalenteerde groep met een scherp waarnemingsvermogen en hun geheugen als kennisdrager. Die groep groeit uit tot de priesterkaste]]. In oorsprong zijn ‘hiërarchie' en ‘priesterbestuur’ synoniemen. Als centrale figuren interesseren ze zich in hoe planten, dieren én mensen gedijen. De oogst is afhankelijk van de natuur (onbeïnvloedbaar, maar in rekening te brengen) en de arbeidscultuur (beïnvloedbaar). Priesters hebben dit inzicht en pogen natuurlijke én menselijke gevaren te beheersen. Hun kennis focust op ziektes bij planten en dieren, hoe ze te voorkomen of ze te genezen, ze leren periodes van droogte of regen voorspellen, ‘wijzen’ parasieten en onkruid aan en leggen uit hoe het te verdelgen. Ze instrueren, beïnvloeden en dwingen mensen om de pijnlijke gevolgen van het fout zaaien of het te vroeg oogsten, het slecht bewaren of het fout verdelen, te vermijden. En dan is er de mens als gevaar: nalatigheid, luiheid, gulzigheid en hebzucht. Hoe zet je iedereen aan het werk? Hoe voorkom je dat de gulzige na de oogst niets overlaat? Collectieve rituelen starten en beëindigen de gulzigheid: een oogstfeest in het najaar, het vasten in het voorjaar (als de voorraden bijna op zijn), een paasfeest bij de geboorte van de jonge malse lammeren… Het verbod op schaars voedsel (runderen in het Hindoeïsme, varkens in het Jodendom en de Islam) kadert in deze context. Godsdienstige rituelen disciplineren planten, dieren én mensen. En de offerande vindt zijn oorsprong in het feit dat priesters afhankelijk zijn van de gelovigen. Het offer verdwijnt in hun maag.

Oudheid[bewerken | brontekst bewerken]

Egypte en Babylon[bewerken | brontekst bewerken]

De hangende tuinen van Babylon door Ferdinand Knab (1886), een serie "Seven Wonders of the Ancient World".

De oudste tuinillustraties -nutstuinen met vijgen, dadels en druiven- zijn te zien op Egyptische graven. Deze grafschilderingen tonen de aarden wallen die de beplanting bescherming bieden tegen de zengende hitte. De tuin ligt bij een woning en de planten zijn zo uitgezocht en aangeplant dat ze een aangename microkosmos vormen.[21] Eén van de zeven wereldwonderen, de hangende tuinen van Babylon van Nebukadnessar II is wellicht de bekendste en beruchtste tuin uit de Oudheid. Of hij echt bestaan heeft, is echter onzeker. Om een geliefde te behagen en haar heimwee te bedwingen liet de koning van Babylonië van 606 tot 562 voor Christus een terrastuin aanleggen die dertig meter lang en breed was op een hoogte van 22,5 meter. De bevloeiing gebeurde manueel met emmers of via ondergrondse kanalen. Babylon (nu 80 km ten zuiden van Bagdad in Irak) nam snel het Egyptische idee van de afgesloten tuin met ondiepe kanalen over. Het bergwater zorgde voor bevloeiing, het gekabbel voor de koelte. Gebruikelijk waren de vijvers, de strenge geometrische vormen en bloemen zoals narcissen, tulpen, seringen, jasmijn, lang bloeiende Chinese rozen en Perzische soorten. Dé voorliefde ging uit naar sinaasappelbomen, die sinds de tweede eeuw voor Christus met China werden geruild voor paarden.

KIJKEN

-

Grieken en Romeinen[bewerken | brontekst bewerken]

De Macedonische koning en veldheer Alexander de Grote (356-323 v.C.) bracht de Grieken tijdens zijn veroveringen in contact met de Perzische tuinen. Als leerling van de filosoof Aristoteles stuurde hij zijn leermeester vanuit de veroverde gewesten planten. De filosoof die vanaf 335 in Athene verbleef legde er in het Lyceum een plantentuin mee aan. Zijn leerling Theophrastus ontpopte zich tot de eerste beschrijver van plantenclassificaties met interesse in bomen, rozen, lelies, viooltjes, anemonen en papavers. De Romeinen legden stads- en villatuinen aan met moerbei, rozemarijn, wijnstok, bloementerrassen, gesnoeide palmboompjes in potten en laulierboompjes.

Excursiemateriaal

-

Islam[bewerken | brontekst bewerken]

Een prentkaart uit 1895. De Patio de la Acequia is een besloten Oosterse tuin rond een langwerpige vijver vol fontijnen.

De splitsing van het Romeinse rijk in een westelijk en oostelijk deel en de val van het Westen maakte de weg vrij voor de Islamitische strooptochten die vanaf de zevende eeuw het Middellandse-Zeegebied onder haar bewind bracht. De Perzische tuinen lijken hen het paradijs dat de Koran in het hiernamaals belooft. De vier tuinen die de Koran vermeldt, wordt de Chahar bagh genoemd.[22]

En wie gelooft en goede daden verricht, zal het paradijs binnengaan waar rivieren stromen om er eeuwig te vertoeven…

— (4:57)

Voor de vrezenden is er een plaats van gelukzaligheid: tuinen en wijnranken en gezellinnen met geronde boezem en welgevulde bekers.

— (78:31 ev.)

Andalusië -met Cordoba in haar middelpunt- beleeft onder de Moorse veroveraars een tijd vol wetenschap, cultuur en tuinaanleg. Cordoba trekt de 856 vrijstaande granieten en marmeren zuilen van de moskee de Mezquita (786-990) door tot de Patio de los Naranjos, het plein met zijn bekende sinaasappelbomen waar de gelovigen zich wassen voor ze bidden. De fonteinen en de irrigatiekanalen aldaar getuigen tot op heden van de intelligente Moorse horticultuur. Opgravingen in Sevilla en in Granada tonen dat dat de Moorse bloemperken leken op Perzische vloertapijten en omwille van de visualiteit lager lagen dan het wandelpad. Wereldberoemd zijn de tuinen van het Alhambra (قصر الحمراء in het Arabisch het Rode Paleis) in Granada. In dit voormalig kaliefenslot van de Nasridendynastie (1231-1491) toont de fontein met twaalf marmeren leeuwen in de Patio de los Leones de oosterse oorsprong en oriëntatie. Het nabijgelegen koninklijke buitenverblijf Generalife uit de dertiende eeuw toont hemelse beneden- en boventuinen en geen betere plek dan de Patio de los Cipressos voor de geheime ontmoetingen van de Sultanna en haar minnaar.

Excursiemateriaal

Eros en thanathos[bewerken | brontekst bewerken]

Metamorfosen[bewerken | brontekst bewerken]

Scheppingsdrang en vernielingszucht zijn tegengestelden die hand in hand gaan. Ovidius beschrijft in zijn Metamorfosen gedaanteveranderingen van mensen in dieren, in bloemen, in stenen. 'Het leek op een lelie' schrijft Ovidius bij de trieste dood van Hyacinthus, de Griekse halfgod. Toen die met zijn lief, de god Apollo een wedstrijd discuswerpen hield, wou Apollo indruk maken en wierp met al zijn macht. De discus verwonde Hyacintus dodelijk en Apollo onsterfelijk verdrietig. Opdat Hades het lichaam van zijn geliefde niet zou ophalen, maakte Apollo met het bloed een hyacint. Zijn tranen druppelden op de blaadjes een αἰαῖ, wat Grieks is voor 'helaas'. Uit leven en dood ontstaat nieuw leven.

Eros[bewerken | brontekst bewerken]

(de tuin der minne)

Thanathos[bewerken | brontekst bewerken]

(knekeltuinen) in de oudheid

Middeleeuwen[bewerken | brontekst bewerken]

'Er bestonden boeken - dat wil zeggen, gebonden manuscripten over venkel en anijs ter bestrijding van een slechte adem, die vrouwen leerden rattengif maken, hippcras maken (kruidenwijn, de favoriete drank in de middeleeuwen, hoe ze zangvogels in kooien dienden te verzorgen en hoe hen te laten broeden. Hoe erwten te verbouwen en rozen te enten, een huis vliegenvrij houden. Vrouwen vonden verder boeken met tips over het beheer van landgoederen als de heer des huizes vanwege een oorlog afwezig was. Tuchman, p. 73'

De feodaliteit ontstaat met de teloorgang van het West-Romeinse Rijk, als boeren de diensten inroepen van krijgsheren waaraan ze belastingen betalen in ruil voor veiligheid. Steden zullen met veel geld hun stadsrechten van de heer afdwingen en dit materialiseren met de bouw van een belfort.

Chronologie[bewerken | brontekst bewerken]

Voor de Kerstening[bewerken | brontekst bewerken]

.

De Linde van Conjoux.

Gallische of Keltische tuinen of heidense tuinen van voor de kerstening zijn moeilijk te vinden, met bomen gaat dat makkelijker. De oudste evergreens in België zijn doorgaans Keltische eiken of linden. Voor de Romeinse historici uit de eerste eeuw voor Christus zijn 'Kelten' en 'Galli' synoniem. Caesar: 'We noemen hen Galliërs, in hun taal noemen ze zich Kelten.' Voor deze Kelten is de linde heilig. Ze planten hem in het centrum van hun nederzetting. De godin Freya huist er. Ze beschermt bron, bezit en bidplek. Bij de linde spreekt de Vierschaar recht en geliefden duwen duimen in de bast als ze huwen. Een lindetak verjaagt heksen en geesten. Vaak staat er bij de linde of de eik een jonger Mariakapelletje. Als de kerstenende monniken de heidense boomverering er niet uit krijgen en de pas gekerstenden blijven knielen voor wortel en tak lijkt het er met een kapelletje bij alsof ze Maria vereren.

  • De marktlinde in Westerlo, geplant in 1630 op de fundamenten van de vernielde halle.
  • De duizendjarige eik van Lummen in het gehucht Mellaar ten noorden van de Dikke Eikstraat;
  • De zomerlinde van Maibelle (een gehucht in Florée, op de grens tussen Namen en Luik) is waarschijnlijk rond 1272 geplant en is beschreven door de botanicus Jean Chalon in zijn boek 1.134 Arbres Remarquables de la Belgique uit 1909 of 1910. 'Ik ben teruggekeerd naar de linde van Maibelle' schrijft hij. 'Het is niet meer de holle cilinder met een toegangsbres zoals in 1871, maar een muur die evenwijdig loopt met de weg.' De holle binnenkant was berookt. Werden hier gerechten klaargemaakt of was het een werkplek voor voorbijtrekkende ketellappers? Wellicht is de boom er geplant om de grens te markeren na de Guerre de la Vache, een zes jaar durende strijd die 15.000 doden koste omwille van een gestolen koe tussen het graafschap Namen en het prinsbisdom Luik.
  • De Linde van Conjoux in een landschap vol kastelen, 400 jaar oud en mogelijks de dikste van België.
  • De zomereik in het centrum van Liernu zou zevenhonderd jaar oud zijn. De Orde van de Dikke Eik zorgt voor zijn voortbestaan met toga's en wapenschilden. De abt van Liernu bouwde in 1838 in de holle stam een kapel voor de heilige Antonius. De kapel groeit traag dicht en enkel de voeten van Antonius zijn nog zichtbaar. Is de boom even oud als de kerk of is het een overlever uit het 'Kolenwoud' een oerbos dat Julius Caesar beschreef in zijn De Bello Gallico?

Categorie:Unieke boom

De Kerstening[bewerken | brontekst bewerken]

.

Behalve de tastbare roos is er de symbolische roos, de bloem die meer symbolische waarde lijkt te hebben verkregen dan welke andere ook. Het symbool van stilzwijgen, van geheimhouding, voor de Romeinen, die het plafond van hun eetzalen lieten beschilderen met rozen zodat de gasten eraan werden herinnerd dat wat er in dronkenschap werd gezegd sub rosa moest blijven, een gewoonte die in de zeventiende eeuw weer in zwang geraakte. De roos is ook het embleem van die eigenaardige protestantse sekte uit de zeventiende eeuw, de Rozenkruisers, die er mystieke ideeën op nahielden die te maken schenen te hebben met alchemie, en waarvan nog steeds geheime genootschappen bestaan. Hun embleem combineert de roos met het christelijke kruis: het symbool van het offer wordt beïnvloed door de bloem die tevens de eeuwige liefde symboliseert. De associatie met liefde en seksualiteit gaat terug tot de Grieken - de roos gewijd aan Aphrodite, de godin van de liefde - en werkt door tot de dag van vandaag, met al die rode rozen in de winkels rond Valentijnsdag.

— Penelope Lively.

.

De tweede passage van het Hooglied vertakt zich in (bruids)mystiek, magie en alchemie waarbij Jezus optreedt als de 'gaerdenere', de tuinman van het hart.

Mijne zuster, o bruid! gij zijt een besloten hof, ene beslotene wel, ene verzegelde fontein. Uwe scheuten zijn een paradijs van granaatappelen, met edele vruchten, cyprus met nardus, nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloë, mitsgaders alle voornaamste specerijen. O fontein der hoven, put der levende wateren die uit Libanon vloeien! Ontwaak, noordenwind, en kom, gij zuidenwind ; doorwaai mijnen hof, dat zijne specerijen uitvloeien. O dat mijn liefste tot zijnen hof kwame en ate zijne edele vruchten!' a belichamen een moraal. Een manier van leven. In onze tijd beseft men dat degenen die verantwoordelijk zijn voor musea diep moeten nadenken over zulke dingen en over het feit dat het publiek hier voortdurend komt. Het publiek verwacht niet alleen grote kunstwerken te zien. Het verwacht meer, en we moeten proberen erachter te komen wat het precies is.

— Hoofdstuk 4, vers 12 tot en met 16 van het Hooglied

Mijn ogen, mijn gedachten zijn wispelturig wanneer ik naar een Besloten Hofje kijk. Ik heb geen vat op het volledige verhaal, vaak zie ik veel verhalen door elkaar. Ik verlies mezelf in de details, in de passie waarmee ze zijn gemaakt. Ik probeer hun geheim te ontrafelen. Bovenal voel ik de vertaling van het Hooglied; vleselijk verlangen gesublimeerd in rijke druiventrossen, weelderige gouden en andere kleurrijke bloemen, bloeiende planten waarin stampers en meeldraden zichtbaar worden en rijpe zaden die openbarsten alsof ze ejaculeren. Dit is wat ik zie. Eigenlijk kijken we naar devoot vrouwelijk handwerk, polychrome beelden en ander abmachtswerk. Deze veelheid aan materialen en technieken verbloemen een verborgen verlangen dat mij nieuwsgierig maakt.

De Besloten Hofjes in het Museum Hof van Busleyden[bewerken | brontekst bewerken]

Opdracht

Studenten kunnen de vergelijking maken met dit fragment.

.

Kruidtuin[bewerken | brontekst bewerken]

.

Bij een klooster hoort een ommuurde tuin voor medicinaal en geneeskundig gebruik, een tuin vol magie met een eigen esthetica. De pre-wetenschappelijke heelkunst ontwikkelt haar genezingskracht associatief op basis van vormen, kleuren en geuren. De plantenindeling vindt zijn oorsprong in een combinatie van het christendom en de alchemie die elke plant een specifieke geneeskracht toeschrijven. De catalogus ordent hen tot ver na de Renaissance.

Het Sint-Jans Hospitaal in Brugge[bewerken | brontekst bewerken]

.

(...)

.

Onze-Lieve-Vrouw ter Potterie in Brugge[bewerken | brontekst bewerken]

.

(...)

.

De Bijloke in Gent[bewerken | brontekst bewerken]

.

(...)

.

Het Sint-Elisabethgasthuis in Antwerpen[bewerken | brontekst bewerken]

.

(...)

.

Het Hospice Comtesse in Rijsel[bewerken | brontekst bewerken]

.

(...)

.

Het gasthuis Onze-Lieve-Vrouw met de Roos in Lessen[bewerken | brontekst bewerken]

.


Dit gasthuis Onze-Lieve-Vrouw met de Roos in Lessen is gesticht in 1242 door Arnulf IV van Oudenaarde, heer van de stad en grootbaljuw van Vlaanderen en zijn echtgenote, de Franse prinses Alix de Rosoit om armen en zieken op te vangen. Tegenwoordig fungeren de gebouwen (kloostergang, kapel, kruidentuin en ijskelder) als museum: ziekenzalen, bedden, medische instrumenten, recepten, vaatwerk, 2000 antieke boeken... Lessen staat bekend om zijn porfier, een gevlekte, donkerrode steen die als decoratie dient. Het gasthuis ligt langs de Dender in het hart van de stad. Arnulf IV is de trouwe rechterhand van Johanna van Constantinopel, gravin van Vlaanderen en zal betrokken raken bij de politieke en militaire twisten van de eerste helft van de 13de eeuw. In zijn testament voorziet hij aanzienlijke sommen geld voor armen, bedelaars en bezitlozen. In 1246 stelt Alix de Rosoit in Lessen een dubbele religieuze gemeenschap aan: enerzijds enkele lekenbroeders die zich bezighouden met het werk op de boerderij van het hospitaal en anderzijds zeven zusters Augustinessen die de zieken verzorgen.

.

Tuin der Minne[bewerken | brontekst bewerken]

.

De tuin der minne is de tuin van Jezus' bruiden en neemt veel gestalten aan.

  • In het Hooglied is dit het zinnebeeld van aardse vrouwenschoonheid als inspiratiebron;
  • De rozentuin als beeld van erotische verrukking;
  • De hoofse minne en de hemelse minne;
  • Maria in de rozenhaag en de Mariaverering.

Hortus Conclusus[bewerken | brontekst bewerken]

Op het einde van de Middeleeuwen raakt het symbolische denken in ademnood en verzuipt het in zichzelf. De Renaissance en het humanisme maken van het symbolisme een versleten, ijdel spel, een oppervlakkig fantaseren. In plaats van het heilige komen er rekensommen: twaalf maanden staan voor de twaalf apostelen, de vier seizoenen zijn vier evangelisten. Eén jaar moet dan wel Christus zijn.

Herfstij der Middeleeuwen[bewerken | brontekst bewerken]

Johan Huizinga wist het of is er de ontdekker van: Het middeleeuws symbolische denken, het magische en alchemistische gedachtegoed zijn vanuit het Westerse 21ste eeuwse perspectief, een kortsluiting in de hersenen die haaks staat op het rationeel en causaal denken. (Herfstij, p. 248)

  • 'Rozen wit en rood bloeien tussen doornen. De middeleeuwse geest ziet terstond een symbolische betekenis: maagden en martelaars stralen in heerlijkheid tussen hun vervolgers.' (p. 249)
  • De okkernoot
  • Taxus: symbool voor de transcendentie van Christus.
  • 'De eindigende Middeleeuwen vertoonden die gehele denkwereld in haar laatsten uitbloei. Rekensommetjes 12 maanden... p. 252.

Tuin der lusten[bewerken | brontekst bewerken]

De Tuin der lusten is de titel van een drieluik van de Zuid-Nederlandse schilder Jheronimus Bosch. Het hangt in het Prado in Madrid.

Renaissance, humanisme en Verlichting[bewerken | brontekst bewerken]

Renaissance[bewerken | brontekst bewerken]

Rafaël (1483–1520) schilderde Baldassare Castiglione waarschijnlijk in de winter 1514–1515.

De Franse edelman uit het Ancien Regime - en later de Engelse gentleman - spiegelen zich graag aan Baldassar Castigliones 'Boek van de hoveling' dat de ideale, evenwichtige renaissancemens beschrijft. Het boek verscheen in april 1528 en het verhaal - een gezelschapsspel dat vier avonden duurt, geleid door de hertogin van Urbino vol discussie en gesprek over de ideale hoveling - speelt zich af in maart 1507. De hoveling is tegelijk modern en hoffelijk, meer dan gemiddeld geletterd en onderlegd in het Latijn en Grieks. De hoveling staat met één been in de Middeleeuwen: hij is een vechtersbaars. Hij is niet te klein en niet te groot en gebouwd met welgevormde ledematen moet hij lenig zijn, souplesse hebben en bedreven zijn in lichaamsoefeningen.[23] Is het een verwijzing naar Leonardo Da Vinci's mens van Vitruvius? In het balspel, een nobel vermaak toont de hoveling zijn fitheid, zijn soepelheid en zijn behendigheid. Hier bij Castiglione begint de disciplinering van het lichaam en de geest, een gezonde geest in een gezond lichaam. De hoveling is een meester is het schrijven, het tekenen, het maken van muziek. Hij hanteert vaardig de schrijfstok, het penseel, het muziekinstrument en het wapen als een extensie van zijn lichaam. Het is een zaak van hersenkracht én de fysieke beheersing van het lijf. Castiglione beschrijft helemaal op het einde van zijn boek het landschap. De discussie over de ideale hoveling duurde die nacht zo lang dat de dag ongemerkt aanbrak. Licht drong door de vensterkieren van het paleis. Toen de oostelijke ramen zich openden, ziet het gezelschap de rozekleurige dageraad bij de Monte di Catri. Het gloren begint. 'Alle sterren waren verdwenen' schrijft Castiglione, 'behalve Venus, de liefelijke meesteres van de hemel, die de grenzen van dag en nacht bewaakt; vandaar leek een zachte bries te komen die de lucht vervulde met prikkelende koelte en in de ruisende bossen van de nabije heuvels het lieflijke vogelkoor begon te wekken.' Daarna nam het gezelschap eerbiedig afscheid van de hertogin en zocht het de slaapvertrekken op zonder kaars. Er was voldoende daglicht. Is de komst van de renaissance mooier te verzinnebeelden? Toen het boek zijn Italiaanse, Spaanse (1534), Franse (1537), Engelse (1561) Latijnse en Nederlandse (1662) lezers bereikte, behoorde de erin beschreven wereld tot het verleden. De middeleeuwen waren niet meer. Musketiers hadden de ridders vervangen en Maarten Luther zorgde in 1517 voor een schokgolf die de wereld meer dan een eeuw lang door elkaar schudde. In 1590 plaatste de Kerk het werk van Castilione op de index.

Illustraties

Tussendoor[bewerken | brontekst bewerken]

Op 13 december 2011, 19:00 stuurt ANP dit bericht de wereld in: 'BOEKAREST - Politie en justitie in Roemenië zijn begonnen met de aanpak van heksen, nadat de afgelopen maanden zeker tien aangiften waren binnengekomen van bedrog en afpersing door de beoefenaars van de zwarte kunst. Dat meldde de Roemeense televisiezender PRO TV dinsdag. Vooral in Zuid-Roemenië zijn veel waarzegsters actief, veelal zigeuners. Tegen betaling laten ze wensen in vervulling gaan of voorspellen ze de toekomst. Ook kunnen ze een vloek afroepen over vijanden van hun cliënten. Dat laatste is voor een aantal heksen en hun families een lucratieve bezigheid gebleken. Zij zochten contact met de vervloekten en wilden geld zien voor het opheffen van de vloek. In totaal zouden zij de afgelopen maanden 450.000 euro van hun bijgelovige slachtoffers ontvangen hebben. Tien vrouwen zijn dinsdag opgepakt in de steden Boekarest en Ilfov. Daarop trokken ongeveer 30 boze vrouwelijke familieleden en collega-heksen naar het parlementsgebouw in Boekarest. Hun woede spitste zich toe op parlementslid Paun. Hij is zelf ook zigeuner, maar steunt niettemin een wet die een eind moet maken aan de malafide heksenpraktijken. Die schaden volgens hem internationaal het imago van de zigeuners, of de Rrom zoals ze zich in Roemenië noemen. De vrouwen denken daar heel anders over. Hun bovennatuurlijke krachten zijn een respectabele erfenis van generaties. Ze brachten tijdens hun demonstratie mandjes mee met kruisen, specerijen en kaarsen en bezwoeren eeuwige impotentie over het parlementslid af te roepen wanneer hij de heksenjacht blijft steunen.'

Hagepreken[bewerken | brontekst bewerken]

Een hagenpreek of de predicatie in het open veld werden in de Nederlanden gehouden door calvinisten vanaf 1566 omdat openlijk geloof verboden was. Nabij de duinen van Dishoek op Walcheren vond in 1566 de eerste hagenpreek van Nederland plaats. Vandaar bedreigden de protestanten de katholieke status quo in zowel Mechelen, Vilvoorde als Brussel. De Lutheranen hielden in de 16de eeuw op het Kiel bij Antwerpen hagenpreken.[24] Een nu nog bekende plek waar vroeger hagenpreken werden gehouden is de Papeloze kerk bij Schoonoord. Vanaf 2006 worden daar hagenpreken gehouden in het Drents.

Humanisme[bewerken | brontekst bewerken]

Hier werd Thomas More onthoofd.
De Vitruviusman van Leonardo da Vinci zou uitgroeien tot de verzinnebeelding van het renaissance-humanisme (ca. 1490, Gallerie dell'Accademia, Venetië.

Het humanisme duidt het intellectuele leven tijdens de renaissance aan. Humanisten zijn zich bewust van 'hun' nieuwe tijdperk keren zich af van de middeleeuwen. Het woord duikt op eind 15e eeuw en betekent bekleder van een leerstoel, vergelijkbaar met een jurist of canonist, zetelend op kennis. In de 16e eeuw zien niet-universitaire intellectuelen zich als humanistae, verwijzend naar de "humaniteit" en het onderwijsconcept van Cicero. Die benadrukte dat de mens zich door taal van dieren onderscheidt. Pico della Mirandola schreef in 1486 in zijn boek Over de waardigheid van de mens iets gelijkaardigs: 'En jij kunt kiezen: je kunt ontaarden tot een verstandsloos dier of je kunt je soort verheffen door je verstand te gebruiken.'[25] Deze ideeën zouden nazinderen tot Kant ze zou oppikken met zijn definitie van de Verlichting, maar zover is het nog niet. We zijn in de zestiende eeuw. Voor humanisten zoals Giovanni Boccaccio, Leonardo Bruni, Francesco Petrarca, Niccolò Machiavelli, Francesco Guicciardini, Thomas More en Erasmus blijft de oudheid de toonaangevende norm. Bij sommigen zelfs in die mate zelfs dat men ze kritiekloos overneemt.

Allereerst moet men naar de bronnen zelf snellen, dat wil zeggen: naar de Grieken en de Ouden.

— Desiderius Erasmus, in:De ratione studii ac legendi interpretandique auctores, 1511.

Ik geloof niet dat Erasmus kritiekloos omging met de bronnen, maar in elk geval wekte dit heilige navolgen van de Antieken erg veel wrevel en ongenoegen op. Vesalius (en Montanus?) sneerde in 1543:

Niet door strikt aan de voorschriften van de antieken vast te houden, zullen we de geneeskunde haar vroegere waarheid terugbezorgen (...). Het is een publiek geheim dat de meeste van onze tegenwoordige geneesheren falen omdat zij blindelings de voorschriften van Avicenna, Galenus en Hippocrates volgen. De cursussen die ik samenstel, zijn geen compilaties van uittreksels uit Hippocrates of Galenus. Ik heb ze, in onafgebroken arbeid, herschreven op basis van proefneming en onderzoek.

Vesalius, 1543

Het Middeleeuws gebruik waarbij artsen nauwelijks handwerk en vooral geen operaties verrichtten bleek moeilijk uit te roeien. Snijden bleef eeuwenlang beneden hun waardigheid. Gewone mensen, barbiers of baardmakers, varkenssnijders of schaapsherders namen het snijwerk voor hun rekening. Deze zichtbare chirurgie of uitwendige pathologie was dus niet het domein van de arts. Die beperkte zich tot het inwendige of de onzichtbare pathologie. Wie over scharen en tangen, kammen en andere instrumenten beschikte, oefende de geneeskunde intuïtief uit: bloed aflaten, abcessen openen en botbreuken herstellen. Geleerde artsen hadden een ander idee over wat geneeskunde moest zijn. Geneeskunde vond zijn oorsprong niet in de observatie maar in eruditie en nu met de oproep om terug te keren op de oudheid vielen wijsheid en wetenschap voor de medicus nog meer samen met het kerkelijk verbod dat hem niet toestond zijn handen vuil te maken.

Het humanisme verspreidde zich vanuit Italië over Europa met verschillende snelheden en intensiteiten. In sommige regio's en bij sommige bevolkingslagen vond het gedachtegoed geen weerklank maar doorgaans kreeg de chirurgie prestige dankzij de ontwikkeling van de anatomie. Sinds de zeventiende eeuw lopen de wegen van de chirurg en de heelkundige (als opvolgers van de barbier en de heelmeester) en de geneesheer langzaam naar elkaar toe. Op het einde van de negentiende eeuw is die kloof echter nog niet dicht. Tussen de elitaire, universitaire geneeskunde en het ordinaire volksgeloof bleef een gapend gat. Op dat moment geeft de filosoof Friedrich Immanuel Niethammer het woord Humanismus in 1808 zijn huidige betekenis. Een humanist is iemand die wie kennis, pedagogie en literatuur niet uitsluitend beoordeelt op zijn praktisch nut. Ook onderwijs en wetenschap kunnen een doel op zich zijn.

Francesco Petrarca, "vader van het humanisme" werd in zijn eretitel aangevallen door de Amerikaanse historicus Ronald G. Witt.

Vlaanderen[bewerken | brontekst bewerken]

Kasteel van Rumbeke en Sterrebos (Roeselare) als voorbeeld dicht bij de deur.

Engelse gemene gronden verdwijnen[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf de vijftiende eeuw neemt de Engelse gentry of de grootgrondbezittersklasse de open velden en de gemene gronden zonder pardon in beslag. Die 'gemene gronden' functioneerden eeuwenlang als 'gemeenschappelijk' bezit van en voor het gewone of het 'gemene' volk. Door ze te omheinen - beroofde de gentry de keuterboeren of de yeomen van hun bestaansmiddelen en hun traditioneel recht en dreef de Engelse plattelandsbevolking in zwarte armoede. De omheiningsoperatie kreeg de naam de 'enclosurebeweginig' mee en mondt uit in een lucratieve lakenindustrie. De gentry laat de gronden begrazen door schapen en profiteert vanaf het begin van de zestiende eeuw volop van de winst die ze maken op wol. De opstanden tegen de enclosures midden zestiende eeuw kosten duizenden levens en leiden tot de armenwetten, de opsluiting van leeglopers en werklozen in werk- en tuchthuizen en lijfstraffen voor landlopers. Thomas More (1478-1535) en John Locke (1632-1704) beschreven de enclosures. More deed het in zijn Utopia en John Locke is overtuigd dat wie land ontgint, het beplant en het in cultuur brengt dit als zijn eigendom mag beschouwen als hij de oogst gebruikt voor die bederft en om te voorzien in zijn levensonderhoud. Kortom, arbeid paalt de tuin van de gemeenschappelijke grond af. De komst van het geldwezen en stilzwijgende instemming om aan geld een waarde toe te kennen leidde tot onverantwoord groot bezit enerzijds en schaarste anderzijds, argumenteert Locke. Geld bederft immers niet en is onbeperkt op te potten. In de achttiende eeuw en in het begin van de negentiende eeuw legitimeert een nieuwe Enclosurewet een tweede golf van landroof. De industriële revolutie absorbeerde nu het landlozenleger en in de landbouw verhoogde de productiviteit.


Italiaanse renaissancetuin[bewerken | brontekst bewerken]

Het labyrint -een doolhof met één gang, waarin men vanzelf naar het eindpunt loopt- is geen vinding van de zestiende eeuw, de meerpadige doolhof wel. De oudste tekening is te vinden in een schetsboek uit 1550 van de stad Mantua. De meerpadige doolhof ontstaat tijdens de Italiaanse renaissance, ten tijde van de ontdekkingsreizen, de reformatie en de contrareformatie en typeert en symboliseert de mens als een zoekende die geestelijke of fysiek de wereld verkent. De tuin fascineert de heren van het huis Gonzaga in die mate dat ze hun klassieke labyrint voorzien van zij- en dwaalwegen. Vanuit Italië verspreidde de dwaal- en renaissancetuin zich over Europa.

Filmische doolhoven en labyrinten[bewerken | brontekst bewerken]

  • Labyrinth: een meisje haalt haar ontvoerde broertje terug uit een kasteel.
  • The Shining: een familie is in een spookhotel met de tuin als een enorm labyrint.
  • Pan's Labyrinth: de dochter van een faun reïncarneert en doet in haar vaders labyrint opdrachten om terug te keren naar haar wereld.
  • Cube: zeven vreemden ontwaken in een labyrint vol kubussen.
  • Inland Empire: Nikki zwerft rond in gangen en kamers die onlogisch in elkaar overlopen. Ze verwijzen naar het leven van het hoofdpersonage.
  • The Maze Runner: Thomas komt op een plek met alleen maar jongens en moet een uitgang te vinden.

In muziek[bewerken | brontekst bewerken]

The Doors, genoemd naar een labyrintische roman?

Rubens' baroktuin[bewerken | brontekst bewerken]

In het grootatelier bevindt zich een vroege Rubens: Adam en Eva in het Paradijs uit 1600.

Pieter Paul Rubens (1577-1640) liet zich bij zijn tuinontwerp inspireren door de combinatie van antieke oudheid en de mode van de zeventiende eeuw. Een triomfboog deelt binnentuin op in twee tegengestelden: natuur en cultuur, oud en nieuw in Vlaams-Italiaanse renaissancestijl. Architectonisch vormde de tuin een geheel met het Rubenshuis en het barokke tuinpaviljoen. De bloemen, groenten en fruit kweekte Rubens in perken omgeven door een lage haag. Het portiek van de monumentale triomfboog functioneert als kader dat de antieke wereld projecteert voor wie zich in het andere tuingedeelte bevindt. Of, voor wie in de tuin plaatsneemt is het een doorkijk naar de moderne wereld van Pieter Paul Rubens zelf. Achteraan de tuin ligt een paviljoen met Rubens favoriet: een beeld van Hercules. Zo kijkt Rubens naar de oudheid en zo laat Rubens Hercules naar hemzelf kijken. Het architectenbureau Robbrecht en Daem en Maat Werk restaureerden de tuin in 2017 de tuin met het oog op het Antwerpse Barokfestival in 2018. Het Rubenshuis - de voormalige residentie van Rubens - wordt een belevingsruimte.

Stadsresidentie[bewerken | brontekst bewerken]

In 1610, na zijn huwelijk met Isabella Brant, verbouwde Rubens de tuin, de woning en het atelier tot een paleis naar model van de Italiaanse Renaissance. In het atelier schilderden leerlingen en medewerkers onafgebroken, 25.000 schilderijen kwamen in deze schildersfabriek tot stand. In zijn privé-atelier op de bovenverdieping tekende en schilderde Rubens zelf. Tegenwoordig toont het museum een collectie werken van Rubens, zijn leerlingen en tijdgenoten: Jacob Harrewijn, Alexander Adriaenssen, Frans Snijders, Willem van Haecht, Justus van Egmont, Matthijs van den Bergh, Jan Brueghel de Oude, Jacob Jordaens, Adriaen Brouwer, Otto van Veen, Abel Grimmer, Wilhelm Schubert van Ehrenberg, Anthony van Dyck en Adriaen van Utrecht.

Galerij[bewerken | brontekst bewerken]

Tuin Plantin-Moretus[bewerken | brontekst bewerken]

Barok[bewerken | brontekst bewerken]

Barok kenmerkt de West-Europese kunst tussen het begin van de zeventiende eeuw tot pakweg aan de eerste helft van de achttiende eeuw en laat zich indelen in de vroegbarok (1600-1650), de hoogbarok (1650-1700) en de laatbarok of rococo (met zijn hoogtepunt tussen 1730 en 1760). De barok is pompeus, plechtig, prachtlievend en oerladenversierd en uit zich in de (tuin)architectuur, de schilderkunst, beeldhouwkunst, literatuur en muziek. Beweging en pathos overheersen, symmetrie en vorm gaan verloren in de versieringszucht. Aanvankelijk benoemt men dit als de 'tweede Renaissance', omdat die net zoals de Renaissance op de Oudheid terugkeert. Inspiratie komt nu evenwel van het hellenisme, eerder dan die van de klassieke oudheid. De naam komt van het Italiaanse 'baroco', wat staat voor 'onregelmatig', 'abnormaal' of 'bizar'. De term is net zoals Gotiek (kunst van de Goten) of 'de Middeleeuwen' (een onbeschaafd millennium tussen oudheid en Renaissance) aanvankelijk pejoratief. In 1888 geeft de kunsthistoricus Heinrich Wölfflin het begrip een neutralere inhoud in zijn werk Renaissance und Barock.

Barokgeesten[bewerken | brontekst bewerken]

Galerij[bewerken | brontekst bewerken]

Barok versus Calvinisme

De tuinevolutie in de Zuidelijke Nederlanden ten tijde van Keizer Karel tot en met die van de aartshertogen Albrecht en Isabella is onvergelijkbaar met de internationale ontwikkelingen. De contrareformatie was de hervormingsbeweging in de Katholieke Kerk die aanving tijdens de 16e eeuw. Zij was deels een innerlijke restauratie en deels een reactie op de protestantse reformatie. Op het Concilie van Trente (1545-1563) werd in 126 stellingen (zgn. canones) onderdelen van de protestantse leer als dwaling gekenmerkt. Op het gebied van de eredienst, kunst en cultuur vindt men de geest van de Katholieke Reformatie weerspiegeld in de stijl van de kerkelijke barok, die de nieuwe religieuze geestdrift in grootse vormen gestalte gaf. De jezuïetenorde combineerde vroomheid en een sobere, militaire levensstijl die geïnspireerd was op hun Baskische stichter Ignatius van Loyola. Door de pauselijke bul uit 1540 (Regimini Militantis Ecclesiae) van Paulus III werkten zij onder de directe leiding van de paus zelf. Hun doel was:

  • heidenen bekeren
  • herwinnen wie het geloof verloor
  • opvoeden.

Korte geschiedenis van het gazon[bewerken | brontekst bewerken]

Frans I laat in het begin van de zestiende eeuw het kasteel van Chambord aanleggen in het dal van de Loire. Hier begint de machtige grasgeschiedenis. Een verzorgd gazon vereist eigendom en werkkrachten, zeker in de tijd voor de grasmaaier en de sproei-installatie. En die gazons leveren bovendien niets nuttigs op. Grazende dieren zijn er niet toegelaten, want die eten het en trappen het plat. Gewone mensen en boeren hebben tijd noch energie voor een gazon. Dit keurige groen rond het kasteel is aldus Harari 'een statussymbool dat niemand kon faken. Het riep luid en duidelijk tegen elke voorbijganger: "Ik ben zo rijk en machtig en ik heb zoveel land en lijfeigenen dat ik me al dit extravagante groen kan veroorloven." Hoe groter en netter het gazon, des te machtiger de dynastie. Als je een hertog bezocht en zag dat zijn gazon er niet zo best bij lag, wist je dat hij in de problemen zat.'

.

In zijn Homo Deus wijdt Yuval Noah Harari een paragraaf aan de gazongeschiedenis. Die gaat zo. 'Een jong stel dat een nieuw huis laat bouwen kan de architect bijvoorbeeld vragen om een mooi gazon aan de voorkant. Waarom een gazon? "Omdat dat mooi is" zal het stel zeggen. Maar waarom vinden ze dat? Daar zit een hele geschiedenis achter. Jager-verzamelaars uit de steentijd zaaiden geen gras voor de ingang van hun grotten Bezoekers van de Atheense Akropolis, het Romeinse Capitool, de Joodse Tempel in Jerusalem of de Verboden Stad in Beijing werden niet begroet door een groen weiland. Het idee van een verzorgd gazon voor de ingang van privéresidenties en publieke gebouwen is in de late middeleeuwen ontstaan in de kastelen van Franse en Engelse aristocraten. In het begin van de moderne tijd raakte deze gewoonte heel diep ingesleten en het werd het handelsmerk van de adel (...).'

.

'Het gekoesterde gazon was vaak de setting voor belangrijke feesten en sociale gebeurtenissen, en voor de rest mocht het niet betreden worden. Nog steeds staan er bij talloze paleizen, regeringsgebouwen en openbare gelegenheden strenge bordjes met NIET OP HET GRAS LOPEN. In mijn oude Oxfordcollege bestond de hele binnenplaats uit één groot, mooi gazon, waarop we maar één dag per jaar mochten lopen en zitten. Op andere dagen zwaaide er wat voor de arme studenten wiens voet het heilige gras bezoedelde.'

.

'Koninklijke paleizen en hertogelijke kastelen maakten het gazon tot symbool van gezag. Toen in de laatmoderne tijd koningen van de troon werden gestoten en hertogen werden onthoofd, hielden de nieuwe presidenten en premiers de gazons. Parlementen, hooggerechtshoven, presidentiële residenties en andere openbare gebouwen toonden hun macht steeds vaker met rijen en nog eens rijen keurige groene grassprietjes. Tegelijk veroverde het gazon de wereld van de sport. Duizenden jaren hadden mensen op alle denkbare ondergronden gespeeld, van ijs tot woestijnzand. Maar de laatste twee eeuwen werden de echt belangrijke sporten, zoals voetbal en tennis, op gazons gespeeld. Als daar tenminste geld voor was. In de favela's van Rio de Janeiro trapt de toekomstige generatie Braziliaanse voetballers een geïmproviseerde bal hen en weer over zand en aarde. Maar in de chique buitenwijken vermaken rijkeluiszoontjes zich op zorgvuldig onderhouden gras.'

.

Advertentie voor een grasmaaier in The Gardeners' Chronicle, 1881.

'Mensen gingen gazons dus associëren met politieke macht, sociale status en economische welvaart. Geen wonder dat de opkomende bourgeoisie in de negentiende eeuw het gazon enthousiast adopteerde. Eerst konden alleen bankiers, juristen en industriëlen zich een dergelijke luxe bij hun huis veroorloven. Maar toen de industriële revolutie de middenklasse vergrootte en eerst de grasmaaier en toen de automatische sprinkler opleverde, konden miljoenen gezinnen zich ineens een stukje gras permitteren. In Amerikaanse buitenwijken veranderde een keurig gazonnetje van luxe voor de rijken in een noodzakelijk accessoire voor de middenklasse.'

.

'Op dat moment werd er ook een nieuwe rite toegevoegd aan de voorstedelijke liturgie. Op zondagochtend, na de kerkdienst, gingen veel mensen heel toegewijd hun gras maaien. Als je door de straten liep, kon je de rijkdom en de status van elk gezin razendsnel aflezen aan de grootte en kwaliteit van hun grasveld. Een verwaarloosd gazon is een veeg teken dat het niet goed gaat met de familie Jansen. Gras is tegenwoordig het meest gekweekte gewas in de VS, na mais en tarwe, en in de grasindustrie (zoden, mest, maaiers, sprinklers, tuinmannen) gaan jaarlijks miljarden dollars om. (...) Na deze korte geschiedenis van het gazon denk je misschien wel twee keer na voor je bij je droomhuis een voortuin vol gras wil. (...) Dit is de beste reden om je in de geschiedenis te verdiepen: niet om de toekomst te voorspellen, maar om je van het verleden te bevrijden en een nieuw, alternatief lot voor je te kunnen zien.[27]'

.

.

Hortus Botanicus[bewerken | brontekst bewerken]

Gouden eeuw[bewerken | brontekst bewerken]

Het uitzeilen van een aantal Oost-Indiëvaarders (1600), Hendrik Cornelisz. Vroom

De Gouden Eeuw valt in de Nederlandse geschiedenis samen met de zeventiende eeuw. De noordelijke Nederlanden of de Republiek der Zeven Provinciën maakten een ongekende bloei in handel, wetenschap en kunst, politieke en militaire macht op zee.[28] Nederlanders, traditioneel zeevaarders en kaartenmakers verdringen Portugal en Spanje van hun dominante positie in de wereldhandel. Na de Val van Antwerpen groeide hun economie en handel zodanig dat historici van een "wonder" spreken. Oorzaken waren:

De in 1602 opgerichte Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) kreeg het monopolie op de handel met Azië en groeide uit tot 's werelds grootste handelsonderneming. VOC importeerde Specerijen in grote hoeveelheden geïmporteerd en leverden grote winsten op, enerzijds door de grote inspanningen die geleverd moesten worden en de risico's waar deze mee gepaard gingen, anderzijds door de niet te verzadigen vraag naar deze producten. De VOC bestond overigens grotendeels van de handel binnen Azië. Toen de Engelsen de winstgevende opiumhandel tussen de papavervelden in Bengalen en de markten op Java en in China overnamen, kon de VOC geen grote winsten meer maken.

Tulpenbollenrage[bewerken | brontekst bewerken]

.

Op een moralistisch doek laat Hendrik Gerritsz. Pot de Haarlemse tulpenspeculanten achter de Flora's zegekar aanlopen. Flora is de heidense bloemengodin uit de Romeinse mythologie. Ze troont zich tussen de narren, wat wijst waanzin, speculatie en gokken. Een pamflettenstroom van sarcastische schrijvers waarschuwt de floristen hun (nieuwe) godsdienst niet voor geldzucht in te ruilen. De pest die Nederland in die dagen treft, zien ze als een goddelijke straf voor de tulpenhandel.

.

Dat uitgerekend de Hollanders zich tot bloemfanaten ontpoppen, is geen wonder. Hun kleine waterachtige land biedt uitgestrekte parken geen kans en het vlakke land laat geen weidse vergezichten als landschappen toe.[29] Hun nationale symbool bij uitstek, de tulp vindt in de 16e eeuw zijn weg van het Ottomaanse Rijk naar Frankrijk en naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De Vlaamse diplomaat Ogier Gisleen van Busbeke stuurde in 1593 de eerste tulpen aan Carolus Clusius, een botanicus werkzaam in de Hortus botanicus Leiden. Zes oogsten later - een tulp komt na zeven jaar tot wasdom - begint de verzamelrage en de prijsstijging. Dames dragen op galabals bollen in hun decolleté en in 1635 is er een verkoop van veertig bollen voor 100.000 gulden. Het recordbedrag gaat naar de even beroemde als zeldzame Semper Augustus voor 6.000 gulden, een bedrag dat gelijk stond met de prijs van een van de chicste grachtenpanden in Amsterdam.

.

Verdienen deze Semper Augustus en Charles Mackay geen plekje op Wikipedia?

.

De Semper Augustus bestaat niet meer. Schilderijen, tulpenboeken en verkoopcatalogi tonen een witte tulp met fijne rode streepjes erdoorheen. Dat patroon toonde een 'gebroken' tulp, alsof ze fijntjes was beschilderd. Begin zeventiende eeuw hebben de de kwekers er geen idee van hoe deze mysterieuze mutatie tot stand kwam. Met wanhopige experimenten probeerden ze tot dit soort bloemen te komen en het breken uit te lokken: met duivenpoep, poederverf, muurpleister, bollen halveren en met een andere helft verbinden... het had er alle schijn van dat die niet kunstmatig teweeg was te brengen. Elke 'gebroken' tulp bleek uniek, net als hun moeilijk tot stand gekomen bijbollen, wat de prijs nog meer steeg. In de jaren 1920 ontdekte men de oorzaak van het breken. Het bleek veroorzaakt door een virus dat de groene perzikluis met zich meedraagt. Het was wellicht de enige keer zijn dat een bladluis de beurs zo'n parten speelde.

.

In de winter van 1636-1637 werkt in de Republiek één procent van de beroepsbevolking in de tulpenhandel. Prijzen van onverwachte bollen stijgen tot extreme hoogte en kapitalistische ondernemers nemen deel aan de windhandel. Ze nemen opties (contracten voor toekomstige leveringen) op pas geplante bollen die niemand ooit zag. Op 3 februari 1637 stort de windhandel in als een verkoper in Haarlem met een partij bollen blijft zitten. Het is het startschot van een compleet chaotische prijzenkeldering. Vele floristen hadden tulpen die ze niet bezaten verkocht aan kopers die ze niet konden betalen.

.

Charles Mackay beschrijft de tulpenmanie in 1841 in zijn Extraordinary Popular Delusions and the Madness of Crowds en maakt de manie tot het standaardvoorbeeld van beursspeculatie, zonder dat hij de builenpest en de Tachtigjarige Oorlog in rekening brengt als mede oorzaak voor de crisis. Tegenwoordig vult het rijtje hausses zich met de South Sea Bubble, de landgekte in Florida, de beurskrach van 1929, de internethype uit de jaren negentig, de kredietcrisis van 2008-2009 en de bitcoin.

.

Allegorie der Tulipomanie, schilderij van Jan Brueghel de Jonge uit 1640. Jan I Brueghel, de jongste zoon van Pieter was mogelijk de bedenker van de Singerie of het apenfeest. Apen houden de toeschouwer een spiegel voor. Sinds de middeleeuwen staat het diertje bekend om zijn dwaasheid, zijn schaamteloosheid, zijn ondeugendheid en als mensen-imitator. Brueghel begint ze te schilderen in de jaren 1620 nadat hij ze naar alle waarschijnlijkheid schetste in het Coudenbergpark van de Aartshertogen in Brussel. Rubens sterft in het jaar dat Brueghel deze Allegorie der Tulipomanie voltooit. Ondanks hun leeftijdsverschil werken Rubens (1577-1640) en Brueghel (1601-1678) vaak samen, zijn ze bevriend met elkaar en peetvader van elkaars kinderen.[30]

Verder lezen: Bloemenspeculatie in Nederland.

Voorbeelden[bewerken | brontekst bewerken]

Stilleven[bewerken | brontekst bewerken]

De Franse tuin[bewerken | brontekst bewerken]

Oorsprong[bewerken | brontekst bewerken]

Versailles in 1715 door de ogen van Pierre-Denis Martin

Donato Bramante legt de fundamenten van de formele, classicistische tuin als vertoon van grandeur en macht. Bramante krijgt in 1503 van paus Julius II de opdracht het Cortile del Belvedere in het Vaticaan te ontwerpen. Het idee vindt zijn climax in het Versailles van Lodewijk XIV.

Lodewijk XIV[bewerken | brontekst bewerken]

De geschiedenis van Versailles gaat terug tot 1624 als Lodewijk XIII bij het dorp Versailles een jachtslot van rode bak- en zandsteen op trekt. Zijn zoon Lodewijk XIV breidt dit oord van verpozing uit tot een oord dat de mond vol verbazing moet doen openvallen van wie het bezoekt: ontzag bij de voorgevel van 500 meter breed, ontzag bij de 226 woningen in het kasteel en een dubbel aantal individuele appartementen, ontzag bij het pièce d'eau, een kruisvormig kanaal van 1800 bij 1500 meter. Versailles moet volk én adel doordringen van het gezag en de macht van de vorst. Het kasteel en de tuin groeien uit tot een reusachtige bouwwerf. De weelderige feesten en het strenge protocol geven Versailles een reputatie die het Ancien Régime en het absolutisme symboliseren. De tuin doet geloven dat de menselijke controle over de natuur totaal is, een allegorie van een quasi-mystiek oppergezag. De Franse tuin kent geen vierkantig maar een rechthoekig grondplan. De perspectivische werking van de versmallende paden en de kleiner wordende bomen is hierdoor fenomenaal. Maar hoe groot de tuin en het kasteel ook wilden lijken, men slaagde er nooit in de ongeveer 1200 fonteinen tegelijk te laten spuiten. Het werk van de fonteinen correspondeerde dan maar met de bewegingen die de koning door de tuin maakte. Men schat dat er op het einde van de regeerperiode van Lodewijk XIV er dagelijks tussen de drie- en tienduizend hovelingen in Versailles verbleven, uit nieuwsgierigheid, uit relationele motieven, of om hun brood te verdienen. Het absolutisme van Lodewijk XIV en zijn opvolgers maken met de Driehoekshandel Frankrijk, net als Engeland tot een zeenatie. In de zeventiende eeuw komen er onbekende planten uit de kolonies in Noord-Amerika. Havenarbeiders zien aan de kanaalkust, bij de havens aan de Middellandse zee en aan Atlantische Oceaan zeelui exotische curiosa op de kaaien lossen. In 1726 decreteert Lodewijk XV dat alle scheepskapiteins uit Nantes overzeese zaden en planten moeten meebrengen en in de negentiende eeuw arriveert er leven Chinees materiaal dankzij Père David en Abbé Delavay. In die grandioze en gulzige context ontwerpt André le Nôtre een barokke Jardin à la Française: formeel, ornamentaal en gebaseerd op de Italiaanse renaissance bij het kasteel van Vaux-le-Vicomte van de Franse minister van financiën Nicholas Fouquet. Le Nôtre verwerkt grasvelden met parterres, strak geschoren hagen en buxusheggetjes met rechte randen, bloemperken met patroon, loodrechte bomenrijen - plechtig en gemaakt - in een strenge, harmonische symmetrie. De jaloerse Lodewijk XIV laat Fouquet arresteren -het werd zijn dood- om 'de indrukwekkendste uiting van een absolute monarchie' in Versailles te creëren. André le Nôtre wordt architect des konings en verwerft internationale faam: de pompeuze stijl verspreidt zich naar een oneindige reeks Europese hoven waar men ze nabootst, van Belvédère in Wenen tot in Pommersfelden: Sans Souci.

Bekende Franse tuinen

Marie-Antoinette door Stefan Zweig[bewerken | brontekst bewerken]

Stefan Zweig (rechtstaand) met zijn broer Albert omstreeks 1900 in Wenen.

De achttiende eeuw loopt op haar einde en Parijs maakt zich op voor de revolutie. De helverlichte spiegelgalerijen in Versailles brengen Marie-Antoinette niet in de stemming. Elk gebaar, ieder woord is er gereglementeerd, ontspannen onmogelijk. Onvrij is ze. De vorstin maakt er het centrum uit als het middelpunt van een gigantische klok die onverbiddelijk en regelmatig beslist over geboorte en dood, over opstaan en slapen, zelfs de uren van de liefde zijn staatszaken. 'De heerser aan wie alles toebehoort, hoort hier aan allen' schrijft de Oostenrijkse historicus en ooit één van de meest gelezen schrijvers ter wereld Stefan Zweig in 1932. Zweig baseert zijn biografie over deze kwistige koningin op rekeningen en pamfletten. Hij berekende haar uitgaven tot de laatste cent, hij las kranten en procesakten door. In zijn memoires die hij enkele jaren na dit boek schreef, blikt Zweig hier bijzonder trots op terug. Van al zijn voorbereidende historische arbeid valt er in de biografie 'Marie Antoinette' niets te merken. Na een eerste voorlopige versie, begint de literaire arbeid van 'bekorten en vormen.' Dat Marie-Antoinette de controlerende benepenheid van de Franse kasteeltuin zo hekelt en haat, is bij Zweig erg duidelijk, waarop hij de even zwakke als galante Lodewijk XVI haar het Trianon laat schenken, een speelgoedje dat het laatste decennium van haar lege leven vult. Lodewijk XV en zijn dames bezigden dit afgelegen zomerpaleis gulzig. Een mecanicien construeerde er een tafel die vol spijzen uit de onderaardse keuken verrees. Zo kon geen lakei de zwoel erotische tafelgesprekken in de eetzaal afluisteren. In dit lustslot wijkt alles af van de Franse pompeuze praalzucht die Versailles kenmerkt. Niets verstoort er de intimiteit en bizar maar waar, Marie-Antoinette noemt deze stijl Louis Seize. Zweigs mond viel ervan open: deze beweeglijk elegante stijl is volgens Zweig zonder discussie de Marie-Antoinettestijl. Niets doet immers denken aan de pompeuze smaak en de massiviteit van Lodewijk XVI. Haar sierlijk hout vervangt zijn kille marmer. Haar crèmekleur, haar perziekrood en haar lenteblauw vervangen zijn schelle kleuren van poederdoos tot klavecimbel, van de ivoren waaier tot de chaise longue geschilderd door Jacques-Louis David. Alles ademt een gecultiveerde, Franse vrouw. Haar kostbare, kokette stijl is een vrouwelijke omarming in de lente met galanterie, schilderwerk van Jean Antoine Watteau en de zilveren muziek van Luigi Boccherini.


LUISTEREN & KIJKEN

-

De Engelse tuin[bewerken | brontekst bewerken]

Jean-Jacques Rousseau in Armeens kostuum. Allan Ramsay schilderde dit portret in 1766 toen Rousseau als banneling in London verbleef en te gast was bij de Schotse denker David Hume.
Cabinet Marie-Antoinette, Versailles

Net voor de Franse Revolutie verwelkt de Franse stijl; architecten hebben genoeg van de groene geometrie. Ze kiezen de Engelse tuin. Jean Jacques Rousseau verlangt buiten de samenleving te staan en in zijn La Nouvelle Héloise schrijft hij het verlossende woord: natuurpark. Vanuit de ramen van Trianon zijn Parijs en Versailles niet te zien. Hoewel deze miniatuur-wereld in tien minuten te doorkruisen is, legt deze grond rond Marie-Antoinette meer gewicht in de schaal dan haar twintig miljoen Franse onderdanen. Hier doet en laat wat men wil, geen plichten, en geen georkestreerde ceremoniën, geen stijve etiquette. De bedienden dragen niet de koninklijke livrei rood, wit, blauw, maar die van de koningin, rood zilver. De verfijnste architecten, schilders, decorateurs en tuinontwerpers verzorgen het rococopark en de Anglomaans Chinese tuin.

In de microkosmos van enige vierkante kilometer wordt de ganse kosmos in speelgoedafmetingen voorgesteld. Op dit kleine plekje moet alles aanwezig zijn: Franse, Indische en Afrikaanse bomen, Hollandse tulpen, Magnolia's uit het Zuiden, een vijver en een smalle beek, een berg en een grot, een romantische ruïne en landelijke huisjes, een Griekse tempel en een oosters vergezicht, Hollandse windmolens; het Noorden en het Zuiden, het natuurlijkste en het meest buitengewone, alles kunstmatig maar zo echt mogelijk. Zelfs wil de architect er oorspronkelijk nog een vuurspuwende vulkaan en een Chinese pagode aan toevoegen, maar gelukkig wordt dit voorstel door de enorme kosten die eraan verbonden zijn afgeslagen. De ongeduldige koningin zet honderden arbeiders aan het werk om volgens de plannen van bouwmeesters en schilders de werkelijkheid om te toveren in een zo schilderachtig, zo vrij en zo natuurlijk mogelijk landschap. Eerst wordt een zacht lyrisch murmelend beekje (onontbeerlijk bij een herders-idylle), tussen de weiden aangelegd; weliswaar moet met het water door middel van lange buizen uit Marly laten aanvoeren en stromen er, gelijk met het water massa's geld weg, maar het doel is bereikt: de beek maakt een natuurlijke indruk. Zacht klaterend loopt zij uit in een kunstmatige vijver op een kunstmatig opgehoogd eiland, vriendelijk kabbelend stroomt zij onder de sierlijk kleine bruggen door terwijl sneeuwwitte zwanen zich in het koele, heldere water spiegelen. De met nagemaakt mos bedekte grot waarin een eenzaam hoekje voor verliefde paren op ingenieuze manier is uitgehouwen doet al even natuurlijk aan. Aan niets merkt men dat dit voor zijn natuurlijkheid zo lieflijke landschap op talloze vellen papier is ontworpen, dat er twintig gipsmodellen zijn gemaakt waar de vijver en het beekje door spiegelglas, de weiden en bomen als in een kleine speelgoedkribbe door kunstmos worden aangegeven. Verder! Verder!'

— Stefan Zweig, Marie Antoinette, p. 87.


KIJKEN

-

Kostbare herdersidylle

Om in deze zorgvuldig uitgedachte natuurlijkheid de natuur kracht bij te zetten, haalt de koningin figuranten binnen: echte boeren en echte boerinnen, echte maaiers, echte melkmeisjes met echte koeien en kalveren, echte herders met echte schapen, jagers en kaasmakers om echt te jagen en kaas te maken. Varkens, konijnen en kippen bevolken stallen, kooien en rennen. Samen met de hooibergen en de schuren, met de duiventillen en de hoederhokken vormt dit het beroemde Le Hameau. De architect Mique en de schilder Hubert Robert doen acht nauwkeurig nagebouwde boerenhofsteden met rieten daken verrijzen. Om deze fonkelnieuwe gebouwen echtheid in te blazen bootst men de ellende en armoede van de echte boerderijen na. Hamers slaan scheuren in de muren en schenden stenen. Hubert Robert besmeert de schoorstenen met roet en bewerkt het houtwerk tot het oud en vermolmd aandoet. Het interieur van deze boerderijen is echter volmaakt: spiegels, haarden, behaaglijke rustbanen, niets ontbreekt, want als de koningin plots boter wenst te bereiden, moet alles in perfect zijn. Als de koningin haar koeien, Brunette en Blanchette met hun pas gewassen glanzend koeievel bezoekt, is de stalvloer zo schoon als geboend parket. De melk wordt niet in gewone kommen gegoten, maar in porselein met het monogram van de koningin, afkomstig uit de Manufacture nationale de Sèvres.

De romantiek en de Glorieus Revolution 1688. Park Jean-Jacques Rousseau

De grasmaaier komt de Engelse landschapsparken in de achttiende eeuw ten dienste omdat het manuele zeisen te arbeidsintensief is. Rond 1830 ontwerpt de Edwin Beard Budding een kooimaaier die gras gelijkmatig en snel maait. Zijn uitvinding op patent leidde tot innovatieve sporten: voetbal, tennis, rugby, cricket...[31]

De Duitse tuin[bewerken | brontekst bewerken]

Verlichting[bewerken | brontekst bewerken]

De systematiek van Carl Linnaeus[bewerken | brontekst bewerken]

Linnaeus (1707-1778) was een Zweeds arts, plantkundige. Tijdens zijn studie inventariseerde hij de natuur van Lapland. Na zijn onderzoeksreis in 1732 schreef hij zijn Florula Lapponica. In april 1735 vertrok hij naar Nederland om te promoveren tot doctor in de geneeskunde, een titel die hij nodig had om zich als arts te vestigen. De bibliografie van Linnaeus omvat om en rond 180 publicaties. De twee meest geciteerde zijn:

  • J.M. Hulth. Bibliographia Linnaeana, matériaux pour servir a une bibliographie Linnéenne I, pt. 1. (Uppsala, 1907)
  • B.H. Soulsby. A Catalogue of the Works of Linnaeus (London, 1933).

Zie ook:

Voltaire[bewerken | brontekst bewerken]

Het verlichtingsdenken en Candide: Il faut cultiver notre jardin

L'encyclopedie[bewerken | brontekst bewerken]

De Encyclopedie van Diderot en D'Alembert...

Gallerij File:Encyclopedie volume 1-024.png File:Encyclopedie volume 1-088.png

De Amerikaanse tuin[bewerken | brontekst bewerken]

Jefferson, een voorproef op de Amerikaanse 20ste eeuw. Toevoegen: het verhaal van de prikkeldraad en de teloorgang van de cowboy.

De industriële 19de eeuw, nationalisme en grensbepaling[bewerken | brontekst bewerken]

De Antwerpenaar Henri de Braekeleer (1840–1888) schilderde vooral figuren, interieurs, stillevens en landschappen en ook deze tuin: Le jardin du fleuriste, bloemen in functie van de Industriële revolutie, om het textiel een kleur te geven. Dit werk uit de periode 1860–1870 straalt kalme, verstilde poëzie uit. De geestesziekte die De Braekleer van 1880 tot 1884 kwelde, zou zijn stijl ingrijpend beïnvloeden. Het grafmonument voor Henri De Braekeleer bevindt zich op het Schoonselhof (perk Z1, rij A).

'De afbakening en definiëring van het land - percelen, kavels, regio's maar ook de natie zelf - kende rond 1800 brede marges. De begrenzingen van grondeigendom lagen vast in indicatoren die in de tijd niet immobiel konden blijven: een boom, een steen, een walkant, een greppel, een weg. De enige afmeting van een weg die met nauwkeurigheid vastgesteld zou kunnen worden was zijn lengt; zijn breedte varieerde, afhankelijk van het naast de weg bestaande grondgebruik en grondeigendom. Het essentiële verkeersnet van het platteland was zelf voor vreemdelingen in de streek vaak nagenoeg onzichtbaar: de voetpaden naar de molen, de kerk, de dorpsschool, de markt die overal over de weilanden en de akkers liepen. (...) Overigens stond in de praktijk ook de lengte van een weg niet precies vast. Afstanden mat men in uren gaans, zodat ze konden rekken of krimpen al naargelang iemands wandeltempo.' VAN DER WOUT, p. 27.

Vanaf 1750 is in wat wij nu België noemen en vanaf 1795 in wat wij nu Nederland noemen sprake van ruimtelijke ordening in de moderne zin van het woord. Een overheid richt haar territorium zo in dat het de ontwikkeling van de samenleving te optimaliseert. In België kwam dit vooral tot uiting met de Theresiaanse wegen, in Nederland gebeurden de ingrepen onder leiding van de Fransen. In Frankrijk gaat deze ruimtelijke ordening terug op de aanleg van de kanalen en in Engeland was de enclosurebeweging richtingbepalend.

Romantiek versus realisme[bewerken | brontekst bewerken]

Philipp Otto Runge schilderde deze kinderen in de tuin in 1805. Van deze kunstenaar die op zijn 33ste in Hamburg aan TBC overleed, weten we dat hij ragfijne viooltjes en anjers uit papier knipte. Ze zijnhier en hier te zien en op de tuintentoonstelling in Parijs (2017).

Voor de komst van de Romantiek als kunststroming had alleen de schilderkunst in de Nederlanden - een van de dichtst bevolkte gebieden ter wereld - oog voor het landschap. Landschap verwijst naar een schepping; het land dat geschapen, gevormd is. In dicht bevolkte gebieden ondergaat het landschap een metamorfose. Begin negentiende eeuw raken ook Amerikaanse schilders (zoals de in Solingen geboren Albert Bierstadt, 1830-1902) geïnspireerd door hun woeste, nieuwe wereld. Bierstadt verkende het ongekende en ongerepte westen en verwerkte dit in gigantische tableau's. Eén werk toont de Sierra Nevada. De bergen, de lichtval, wolkenlucht en water-weerspiegelingen, alles is even verbluffend als dreigend, adembenemend en geïdealiseerd. Bierstadt was lid van de Rocky Mountain School (met Thomas Moran) en de Hudson River School. Hun detail en hun gloeiend licht maakt hen tot luministen.

Galerij[bewerken | brontekst bewerken]

BEELDBANKEN

België[bewerken | brontekst bewerken]

In april 1839, toen koning Willem I zich bij de natievorming van België neerlegde, fixeerden de staatsgrenzen voor lange tijd. Op zijn grondgebied woonden amper twee miljoen zielen. Nederland was een leeg land. De nieuwe staat België liet zich kennen doordat het ideologie en infrastructuur liet samenvallen.

Liberale tuin[bewerken | brontekst bewerken]

Vrije tijd is in de negentiende eeuw een voorrecht. Arbeidersvrouwen drinken geen thee, borduren of lezen niet, in tegenstelling tot dit pointillistisch trio van Théo Van Rysselberghe. Een andere prachtige geschilderde tuin van deze neo-impressionist is 'Le Jardin de Félicien Rops à Essone' uit 1910.
Edouard Manet: Dejeuner sur l'herbe, 1863, leidt het impressionisme in. Zoek ook eens zijn 'My Garden; the Bench'.

Beluikvorming en stedelijkheid in de 19de eeuw. Arbeiderswijken, proletarisering...

Het stadspark als antwoord op stadverloedering.

De Victoriaanse burgertuin[bewerken | brontekst bewerken]

Smog in Londen en Jack the Ripper - New York & The Raven, Edgar Allen Poe

Het Parlement in Londen, Claude Monet, 1904. Smog is een portmanteau van de smoke en fog. Letterlijk vertaald: door rook en uitlaatgassen vervuilde mist.

Socialistische tuin[bewerken | brontekst bewerken]

Le Grand Hornu als utopisch project

Het kolonialisme en de dierentuin[bewerken | brontekst bewerken]

Brussel[bewerken | brontekst bewerken]

(...)

Antwerpen[bewerken | brontekst bewerken]

(...)

Dierentuin van Gent[bewerken | brontekst bewerken]

(...)

Zie vooral [1].

  • Zebrastraat?

Gentse industriële tuinen[bewerken | brontekst bewerken]

  • Miat: verf voor het industriële textiel.
  • Botanicus en tuinbouwkundige Louis Van Houtte met een plantenkwekerij in Gentbrugge en een kasteeldomein in Melle, stichtte geconfronteerd met een tekort aan geschoold tuinpersoneel, de Ecole d'Horticulture, een school voor tuinbouwkunde.

Volkstuinen[bewerken | brontekst bewerken]

Een katholieke reactie op de arbeidersstrijd

Japanse tuin[bewerken | brontekst bewerken]

Toen Japan na de Meiji-restauratie van 1867 zijn grenzen opende en Westerse contacten toeliet, groeide de Europese belangstelling voor de Japanse tuincultuur.

Het uitzicht vanaf de Symbolic-berg in Cowra laat typische elementen zien.

Japanse tuinen komen voor bij privé gronden, wijken, stadsparken, Boeddhistische tempels en kastelen. Er zijn verschillende tuintypes: de watertuin, de Boeddhistische Paradijstuin, zentuinen, rotstuinen voor meditatie (populair door monnik Musō Soseki (1275-1351)), de theetuin, de wandeltuin, de binnenplaatstuin en de kluizenaarstuin. Het tuinconcept komt van de 4000 jaar oude Chinese tuintraditie en werd met het Taoïsme rond 700 na Chr. in Japan geïntroduceerd. Het idee is een natuurlijk landschap in perfectie: heuvels, bomen, mos, watervallen, rotsen, een eiland en bruggen, koi-vissen, schildpadden, een theehuis. De stenen lantaarns zijn verdekt opgesteld. De reis, de wandeling in de tuin is net zo belangrijk als het doel. Japanse tuinen vergen veel onderhoud maar dit mag nooit benadrukt worden. De tuin moet er uitzien alsof de natuur het zelf zo gemaakt heeft.

Principes[bewerken | brontekst bewerken]

  • Soms zonder planten: kaalheid spoort aan tot meditatie, contemplatie.
  • Miniaturisering met bonsaibomen om de tuin groter te laten lijken of om de bergen en de zee in het landschap op te nemen.
  • Verbergen en ontdekken onder meer via doorkijkjes.
  • Shakkei: de tuin loopt harmonisch over in het landschap waardoor de tuin groter lijkt.
  • Shishi-odoshi: een bamboehouder/vogelverschrikker die vol water loopt. Als deze vol is valt slaat die tegen een steen.
  • Suikinkutsu: een ondergronds waterreservoir met aardewerk en water, zorgt voor zacht gegalm.
  • Asymmetrie

Voorbeelden[bewerken | brontekst bewerken]

De tuin van Narcissus[bewerken | brontekst bewerken]

Echo and Narcissus van John William Waterhouse uit 1903 toont de op zichzelf verliefde en beeldschone jongeling. Narcissus Het werk is te zien in Liverpool en kwam tot stand in de jaren waarin Sigmund Freud zijn psychoanalyse ontwikkelt. Kort na dit schilderij, in 1910 en in 1914 publiceerde Freud zijn idee over de narcist in twee essays en typeert die als 'gepreoccupeerd met zichzelf', vol grootheidswaan, behoefte aan bewondering en een gebrek aan empathie. De narcis, de paasbloem, haalt haar naam uit de Griekse mythologie. Als Narcissus spiegelt zichzelf in het water blijft hij er zitten om naar zichzelf te kijken, in bewondering voor zijn eigen krullend haar, zijn ronde gezicht, zijn heldere ogen, de ranke hals. Hij is vol van zichzelf, zijn uitstraling. Als hij vooroverbuigt om zichzelf te kussen, rimpelt het wateroppervlak en verdwijnt het spiegelbeeld, telkens opnieuw. Narcissus is onbereikbaar voor zichzelf en hij wordt zittend ziek van verdriet. In het ene verhaal verdrinkt hij, toen hij te ver vooroverbuigt in een ultieme poging zichzelf te kussen, in een ander sterf hij van liefdesverdriet. Eten noch drinken deed hij, hij kwijnt treurend weg. En in een derde verhaal is er de nimf Echo die tot haar eigen woede zijn aandacht niet krijgt. Echo - verliefd op Narcissus - roept herhaaldelijk zijn naam, maar Narcissus wil niet horen, is enkel met zichzelf bezig. Uit woede betovert zeg hem in een bloem, de Narcis, een bloem die van nature graag aan de waterkant groeit en een hangend hoofdje heeft voor ze verwelkt. De tuin van Narcissus staat symbool voor een maatschappijtype waarin decadentisme, symbolisme en estheticisme centraal staan. Dit Fin de siècle dat geperiodiseerd wordt van 1890 tot en met de Eerste Wereldoorlog kreeg veel etiketten: in de schilderkunst duikt het naturalisme op, het is een periode vol levensmoeheid, cultuurpessimisme, moreel verval, onzekerheid, zwaarmoedigheid... Er is een intense aandacht voor de Middeleeuwen en de mystici, de alchemie en sadistische toverpraktijken. De tuin wordt hun vluchtoord zonder behoefte aan een verheven ideaal of een diepe overtuiging zoals het liberalisme of het socialisme. De maakbaarheid van de wereld is geen optie meer. De hoofdzaak is het leven zo aangenaam mogelijk te maken, door een sierlijke omgeving waarin kunst en wetenschap, cultuur en natuur in één geordende, esthetische kosmos zijn. De tuin is geen paradijs 'voor de genot zoekende homo ludens', maar een plaats om 'zelfbewust en gedisciplineerd' schoonheid en nut te ontlenen aan de natuur. Decadenten halen hun neus op voor de sociale realiteit en creëren een plaats waar de uitverkorenen zich zonder inspanning en zich voornaam terugtrekken. De Tuin van Narcissus laat hen vluchten uit het leven in de kunstmatigheid, zonder nut en functie, in volmaakt contrast tot de sociaal-utopische tuin.


The gardencourt, 1874-1884 van Edward Burne-Jones, een in slaap gevallen wereld met verwijzingen naar de esthetica en de Middeleeuwse wereld van Koning Arthur.

Les fleurs du mal[bewerken | brontekst bewerken]

Gustav Klimt[bewerken | brontekst bewerken]

Gustav Klimt was een Oostenrijkse symbolistische schilder en tekenaar. Hij geldt als prominent lid van de Wiener Secession en de Art nouveau.

Leopold von Andrian[bewerken | brontekst bewerken]

'Ego Narcissus' is het motto van 'de klassieke roman van de identiteitscrisis van het fin-de-siècle', Der Garten der Erkenntnis (1895) van . Der Garten der Erkenntnis is het boek van een periode, een zonderling gewas zonder nakroost, een eindstation, waarna alleen nog het rijk van de angst kan volgen. Het leven onder de stolp van dit glazen huis 'is al verwelkt voordat het is geleefd'. Een opflakkering in het brandpunt van alle artistieke en filosofische nieuwigheden die de twintigste eeuw met zich zou blijven meezeulen. Wenen, de stad waar de desintegratie en integratie allesbeheersend is. 'Overal waar Europese kunstenaars de moeizame poging ondernamen om greep te krijgen op een bestaande orde, kwam het sociaal realisme als een dominante literaire mode bovendrijven,' schrijft Carl E. Schorske in The Transformation of the Garden. 'Toch vond de Oostenrijkse literatuur andere expressiemiddelen om het probleem dat zich voordoet wanneer er een verband gelegd moet worden tussen culturele waarden en een sociale structuur die in een overgangsperiode verkeert te kanaliseren. Het beeld van de tuin was zo'n expressiemiddel.'

Leon Spilliaert[bewerken | brontekst bewerken]

Leon Spilliaert (Begraafplaats Stuiverstraat in Oostende)

Sigmund Freud[bewerken | brontekst bewerken]

Sigmund Freud Begraven in Golders Green Crematorium, Londen

Oscar Wilde[bewerken | brontekst bewerken]

...

Oscar Wilde (begraven op Cimetière du Père-Lachaise)

Charles Baudelaire[bewerken | brontekst bewerken]

Charles Baudelaire Cimetière du Montparnasse

Thomas Mann[bewerken | brontekst bewerken]

Thomas Mann

Joris-Karl Huysmans[bewerken | brontekst bewerken]

Ook voor Des Esseintes, het hoofdpersonage is het cultiveren van de tuin een voorbijgaande ervaring van schoonheid en een wijze om uitdrukking te geven aan het onderscheid tussen hoog en laag, tussen elite en massa. Zijn leven kent geen arbeid, alleen de stimulerende sensibiliteit van het vluchtige leven.

'Hij hield ervan de winkel van een bloemist te vergelijken met een microkosmos waarin alle categorieën van de maatschappij vertegenwoordigd waren: de armoedige achterbuurtbloemen, de krotbloemen die zich pas lekker voelen op de vensterbank van een zolderkamertje, hun wortels samengeperst in melkkannen of oude aardewerkpotten, zoals bijvoorbeeld de anjelier; de pretentieuze, traditionele, domme bloemen, zoals de roos, in porseleinen vazen, die door jonge meisjes zijn beschilderd; en ten slotte de edele bloemen, zoals de orchideeën, die naar Parijs verbannen zijn en in hete glaspaleizen hun bestaan kunstmatig voortzetten; prinsessen van het plantenrijk, die in afzondering leven en met de gewone planten van de straat of de bourgeoisbloemen niets meer gemeen hebben.'

'Toch koesterde Des Esseintes ook een bepaalde belangstelling voor de bloemen van de lagere klassen, een zeker medelijden ook, omdat ze door de stinkende uitwasemingen van riolen en zinkputten in de achterbuurten wegkwijnden. daarentegen verafschuwde hij de boeketten die pasten bij de goud- en crèmekleurige salons in de nieuwe huizen; zijn ogen verlustigden zich alleen in aristocratische, zeldzame planten uit verre landen, die met veel vernuft en toewijding werden gekweekt in een kunstmatig, tropisch klimaat, gewekt door een minutieus gedoseerde ovenwarmte.'

J.-K. Huysmans. Tegen de keer, 1884. Vertaling door Jan Siebelink, 2011, p. 131-132.

Art nouveau: Florale motieven in een industriële omgeving[bewerken | brontekst bewerken]

Karl Blossfeldt (1865-1932)[bewerken | brontekst bewerken]

Karl Blossfeldt gefotografeerd in 1895 beschouwde zichzelf als amateurfotograaf. Niettemin nemen zijn planten de vorm aan van pure jugendstil ornamenten.

Deze Duitse fotograaf begon zijn opleiding als beeldhouwer. Hij gebruikte bladeren van planten als decoratie-element. In 1898 werd hij onderwijsassistent en in 1899 docent van het vak 'Modellieren nach Pflanzen' aan het Berlijnse kunstnijverheidsmuseum, de latere Kunstacademie. Om zijn lessen te documenteren fotografeert hij planten. Bruno Paul, sinds 1907 schoolleider vond die lessen achterhaald. De pogingen om hem te ontslaan liepen op niets uit, in 1921 werd hij professor. In 1925 en 1926 volgden er tentoonstellingen en in 1928 verscheen Urformen der Kunst, een boek dat hem beroemd maakte tot in het buitenland. Daarna verschenen er foto's van hem in Wundergarten der Natur uit 1932 en Wunder der Natur uit 1942. De jongste publicatie verscheen in 2004 bij Taschen in drie talen: Duits, Engels en Frans. Blossfeldt maakte zesduizend gedetailleerde zwart-wit foto's van plantendelen, wellicht met een zelfgebouwde houten camera. Karl Blossfeldt beschouwde zichzelf als amateurfotograaf. Niettemin maken zijn de close-ups de planten tot pure jugendstil ornamenten, een wonderbaarlijk resultaat van een scherpe observatie.

Kruidtuin Brussel[bewerken | brontekst bewerken]

Op 26 september 1864 steeg Nadar op met zijn kolossale ballon Le Géant vanuit de Brusselse Kruidtuin. Om de volkstoeloop op afstand te houden liet burgemeester Jules Anspach de straten afzetten met voor de gelegenheid gemaakte dranghekkens. Die barrières gingen als 'Nadars' de geschiedenis in, tot ongenoegen van de anarchistische ballonvaarder. Charles Baudelaire was op dit moment in Brussel.

Impressionisme[bewerken | brontekst bewerken]

Emile Claus[bewerken | brontekst bewerken]

(...)

De oude tuinman van de belangrijkste Belgische impressionist Emile Claus, 1885 hangt in het museum van Elsene

Claude Monet[bewerken | brontekst bewerken]

In Frankrijk symboliseert de populier de vrijheid. Het Latijnse populus betekent 'volk' én 'populair' tegelijk. Het legde aan dat deze populieren bij de Epte zouden gekapt worden voor Monets werk klaar was. Monet kocht de hele partij op en maakte zijn werk af, waarna hij alles zonder er een traan voor te laten aan een houthandelaar verkocht.

Zijn overbekende plattelandstaferelen maken Claude Monet tot de illustrator van de Franse 'ziel'. Zijn tarwemijten, zijn rustieke landschappen, zijn populieren op de oevers van de Epte, zijn kathedraal van Rouen tonen het traditionele Frankrijk. Zo wil Frankrijk zijn, zo wil Frankrijk zich laten zien aan de buitenwereld, in dat Frankrijk willen reizigers passeren. Het Franse chauvinisme maakte Monet rijk en bezorgde hem roem. Even voor de eeuwwisseling stop Monet deze taferelen te schilderen. Een vriend van hem schreef: 'De sterke landschapsschilder die met zoveel kracht het grootse van de zee, van kliffen, rotsen, oude bomen, rivieren en steden kon vastleggen, kreeg genoegen in een zoete en betoverende eenvoud, in deze heerlijke hoek van zijn tuin, bij deze kleine vijver waar een mysterieuze bloem zich vertoont.[32] Dat keerpunt vond plaats in 1898, een moment dat samenvalt met het hoogtepunt van de Dreyfusaffaire, het antisemitische schandaal rond de onterecht veroordeelde Jood Alfred Dreyfus. Een van Monets biografen, Ross King beschrijft het als volgt:

'Monets vrienden Clemenceau en Emile Zola namen het voortouw en speelden een heldhaftige rol in deze affaire, waarbij Clemenceau het beroemde artikel 'J'Accuse' van Zola - een schoolvoorbeeld van hoe je de machtigen met de waarheid confronteert - publiceerde in zijn krant L'Aurore. "Bravo en nogmaals bravo" schreef Monet aan Zola, die prompt wegens smaad werd veroordeeld en zich gedwongen zag over het Kanaal naar Engeland te vluchten. In het vervolg kwamen er geen vaderlandslievende taferelen van het Franse platteland, geen uitdrukking van de Franse inborst van Monets palet. Hoe zou een Dreyfus-verdediger als Monet Frankrijk kunnen verheerlijken of zelfs maar afbeelden nadat de eer van het land, zoals Zola schreef, "was bezoedeld door vreselijk beschamende ne onuitwisbare schandvlekken?" Na het proces tegen Zola hield hij effectief achttien maanden op met schilderen. "Il faut cultiver noter jardain", schreef Voltaire aan het solt van Candide, en dat is precies wat Monet bleef doen: hij werkte in zijn tuin waarin de Japanse brug, de rozenlaan, de treurwilgen en waterlelies - die geen van alle de sfeer van het Franse landschap of de ziel van het Franse volk opriepen - de volgende kwarteeuw stof zouden verschaffen voor ongeveer driehonderd schilderijen.'

Georges Clemenceau was Frans president van 1906 tot 1909. Zijn opvliegend temperament bezorgde hem de bijnaam 'De Tijger'.

Claude Monet op Wikimedia Commons

Tuinen in de fotografie & film[bewerken | brontekst bewerken]

Dit fragment uit de oudste film ter wereld (1888 - bekend als de Roundhay Garden Scene speelt zich af in een tuin.
Bioscoopjournaal uit 1952 over een instituut voor kwaliteitscontrole op tuinbouwproducten.

De scène is vaak herhaald in latere films. De film zelf werd een jaar later opnieuw geschoten door Georges Méliès met de naam L'Arroseur.

Spoorwegbermen[bewerken | brontekst bewerken]

De Frontzate aan het station Ramskapelle

De geschiedenis van de Belgische spoorwegen begint in 1834 met een parlementair debat over 'den ijzeren weg', een politieke beslissing die er in 1835 voor zorgt dat drie treinen in België - de eerste op het continent - rijden. De aanleg van de spoorweg in zo'n klein land was een drastische ingreep in het landschap met demografische, sociale en economische gevolgen. Ze zorgden voor een andere tijdsbeleving en beïnvloedden de dialecten richting standaardtaal, er ontstond een nieuwe woordenschat, een nieuwe mentaliteit (nauwgezetheid, stiptheid) en nieuw toerisme zoals het kusttoerisme vanaf de jaren 1870. Ook de oorlogsvoering en de cultuurproductie ontsnapten niet aan de trein. De Duitsers wonnen de Frans-Duitse oorlog in 1870 omdat de Duitsers het belang inzagen van de mobiliteit van hun troepen. De trein deed zijn intrede in de schilderkunst, de literatuur, het theater en de film. De ingreep van de spoorwegen op het Belgische landschap is een gigantische logistieke operatie waarbij gronden, huizen en wijken schijnbaar oneindig onteigend worden. Spoorlijnen die de spoorwegmaatschappijen opgeven omdat ze niet meer rendabel zijn, vormen tegenwoordig een apart soort landschapselementen waarvan de Frontzate en de High Line in New York misschien wel tot de bekendste behoren.

Toen de vlinderstruik omstreeks 1890 uit China als tuinplant kwam aanwaaien, volgde het plantje met enthousiasme de ballastbedden van de (Engelse?) spoorwegbeddingen. Zonder de spoorweg zouden het kruiskruid en het wilgenroosje zich evenmin met dit soort vlotheid hebben verspreid.

De lijst van opgeheven spoorlijnen in België geeft een vrij volledig overzicht.

High Line[bewerken | brontekst bewerken]

Boek in De Standaard te vinden - rondleiding gegeven in 2016.

Twintigste eeuw[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • 1909: De Ligue des Amis de la forêt de Soignes wil het Zoniënwoud, een stuk ongerepte natuur vrijwaren van de oprukkende stad.

.

  • 1910: De Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedenschoon brengt het natuurschoon op de Kalmthoutse Heide en de Kempen onder de aandacht.

.

  • 1911: Wet tot het behoud van de schoonheid der landschappen. Artikel 1 is bijzonder, zie hiervoor SYLVIE VAN DAMME. Landschapsontwerp in Vlaanderen, p. 126.

.

  • 1912
    • Oprichting van de afdeling Landschappen door de Koninklijke Commissie voor Monumenten.
    • De Brusselse botanicus Jean Massart (1865-1925) publiceert Les aspects de la végétation en Belgique en Pour la protection de la nature en Belgique.

.

1913

    • Oprichting van de Commissie ter verfraaiing van het landleven.
    • Wereldtentoonstelling in Gent, bekend als 'La Ville de Flore' of het 'Manchester van het continent' omwille van haar sierteelt en haar kleurrijke bloementapijten die dienen als kleurstof voor de textielindustrie.

.


Schreeuwend contrast tussen rijk en arm[bewerken | brontekst bewerken]

In gezelschap van een zekere Van Hoeylandt bezoekt August De Winne, een redacteur van Le Peuple omstreeks de eeuwwisseling Steendorp. Steendorp is een oerarm steenbakkersdorp bij Temse, op de linker Scheldeoever. De steenbakkerijen danken er hun bestaan aan de kleiachtige ondergrond van de oevers. De lage werkmanshuizen en de ellendige kerk in de streeksteen contrasteren met de overzijde van de stroom, waar het kasteel van graaf d'Ursel-Inghene verrijst. Daar zijn er heerlijke tuinen, een lusthof, grasperken, vijvers en prachtige bomen. De tegenstelling tussen welgestelden en sukkelaars kan niet groter. 'Altijd' zo schrijft De Winne 'en overal het ergerlijk en schreeuwend contrast tussen rijken en armen!' De mechanisatie van de steenbakkerij doet de lonen, net zoals bij de wevers dalen. Sinds 1886 kaarten de werkgevers de problemen onder de arbeiders aan. De lange dage en het alcoholisme zijn gebleven, ook onder de kinderen, het truckstelsel en het betalen in natura is verdwenen en de kinderarbeid van de erg jonge kinderen is getemperd. Jonge, barrevoetse meisjes brengen nu stenen met een kruiwagen tot in de oven. Ze zijn twaalf jaar of wat ouder. In 1886 gebeurde dit door kinderen van zes. In de zomer werkten ze van vier uur in de morgen tot negen uur 's avonds met één uur pauze voor wat rust en de maaltijd. 's Morgens kleedde de moeder hen terwijl ze sliepen. Vader droeg hen tot op de werf waar ze een kan koud water in het gezicht kregen. Die misbruiken probeert de wet omstreeks 1900 uit te roeien. De Winne ontmoet een delver. De man heeft zijn broek tot de knieën opgestroopt, slijk bedekt zijn benen. Zijn open hemd toont een magere en behaarde borst. Zijn gerimpeld gezicht is geelachtig. De haren en wenkbrauwen zijn grijswit. Hij is 73 zegt hij, terwijl zijn arm op de spade leunt en verdient negen franken per 12.500 stenen. In de zomer werkt hij 16 uren per dag. De verhalen van zijn collega's zijn even schrijnend en dan vraagt De Winne aan Van Hoeylandt of hij 'al getracht' heeft om hen te verenigen. Het antwoord is bevestigend, maar met negentig procent ongeletterden is dit erg moeilijk. 'Samenwerking is het beste middel om de hen te verenigen.'

- Lezen -

Duitse en Engelse graftuinen[bewerken | brontekst bewerken]

Le sacre du printemps[bewerken | brontekst bewerken]

als aanleiding tot WOI. Zie boek.

De Eerste Wereldoorlog en de vernietiging van het landschap

Flanders Fields[bewerken | brontekst bewerken]

Poppies en John Mccray

Vier Duitse oorlogskerkhoven[bewerken | brontekst bewerken]

Grote schoonmaak na 1919.

Kiplings tuinman en Tinecot[bewerken | brontekst bewerken]

Toen Piet Chielens met het trio dat net een nieuw cd haduitgebracht, op TineCot aanspoelde, midden in de nacht leek het tafereel hem magisch. Een van de bandleden zou er later een song over schrijven. Vond die zijn inspiratie op Tine Cot zelf of bij zijn grootvader die het had over een tuinman. Of vond hij inspiratie bij Kiplings spannende boek 'the Gardener'? Een verhaal over een vrouw die een soldaat zoekt, maar ook een verhaal over leugens. Zie boekje van Chielens. Mooi!

Poperinge: een tuin voor Britse soldaten[bewerken | brontekst bewerken]

Talbot House

Art Deco[bewerken | brontekst bewerken]

Art deco was een populaire stijlbeweging die tussen 1920 en 1939 haar weerslag had op de tuinornamentiek, de architectuur, het interieurontwerp en in de mode. De beweging was een mengelmoes van stijl en kunst die technologie omarmt met rijke kleuren, geometrische figuren en overdadige versieringen.

Paul Delvaux en de surrealistische tuin[bewerken | brontekst bewerken]

Jaren dertig, surrealisme, Paul Delvo

Commune van Latem[bewerken | brontekst bewerken]

Museum Gevaert-Minne

De Commune van Latem was een hippiegemeenschap die eind jaren zestig ontstond en in de wijde omtrek bekendheid kreeg door zijn non-conformisme. Elke zondagmiddag waren er jazz- en gipsy optredens. Sommige gebouwen uit die dagen staan er nog: de oude LIMA-fabriek (nu een kunstgalerij) en het museum Gevaert-Minne aan de overkant van de dreef in het ouderlijk huis en in de Kapitteldreef huizen in de typische Gevaertstijl.


Het museum Gevaert-Minne in Latem herbergt werken uit de periode 1900-1930, symbolisme, expressionisme en impressionisme en de Latemse School staan er centraal: Felix Cogen, Xavier De Cock, Albijn Van den Abeele, George Minne, Gustave van de Woestyne, Valerius de Saedeleer, Albert Servaes, Frits Van den Berghe, Constant Permeke, Gustave De Smet, Leon De Smet, Georges Minne, Edgar Gevaert.

De veelzijdige Edgard Gevaert (1891-1965) huwde de oudste dochter van Georges Minne en bouwde tussen 1922 en 1925 zijn zelf ontworpen huis met verwijzingen naar zijn 16e-eeuwse voorouderlijke hoeve in Mater, hij stichtte er een gezin met elf kinderen en vluchtte naar Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog en dook er vier jaar onder. Na de Tweede Wereldoorlog zette hij zich als pacifist in voor een utopisch wereldparlement. De brieven en tijdschriften in de Edgar Gevaertzaal - de voormalige woonkamer - getuigen hiervan. Eenmaal terug in Latem is hij zodanig ontgoocheld in het falen van de wereldvrede dat hij zich engageert voor de internationale pacifistische beweging waartoe ook Einstein, Albert Camus en andere groten der aarde toe behoren. Hij trekt met zijn partij Universeel volk tweemaal naar de verkiezingen en richt een maandblad Parlement op voor de verspreiding van het pacifistisch gedachtegoed in België. Deze gebeurtenissen brengen de familie in contact met een Japanner die hen aanraadt hun voedingspatroon te veranderen.


  • Op het domein van bijna drie ha. ontstond de natuurvoedingsfabriek LIMA: macrobiotische voedingsmiddelen, biologische en vegetarische voeding zuurdesembrood, rijstwafels en muesli en voert uit tot in Amerika.
  • Er is een schenking van Emiel De Smet te zien.
  • Het neorenaissance pand in werd in 2012 gerenoveerd.
  • Het domein werd in 1992 door de gemeente aangekocht.

KIJKEN https://www.youtube.com/watch?v=ApAeBv3OuZc

ADRES Museum Gevaert Minne: Edgar Gevaertdreef 4, 9831 Sint-Martens-Latem LIMA: Edgard Gevaertdreef 10, 9831 Sint-Martens-Latem

Kleiputten van Kortrijk[bewerken | brontekst bewerken]

Lijst[bewerken | brontekst bewerken]

Geboren voor 1900

Geboren na 1900


1937: Strange fruit[bewerken | brontekst bewerken]

Strange fruit, als beeld voor de samenleving in de Verenigde Staten, na de afschaffing van de slavernij. Het gedicht werd geschreven in 1937 en Billy Holiday zette het op muziek. Ze zong het voor het eerst in 1939, in Café Society, Sheridan Square in Greenwich Village (New York). Columbia Records weigerde de opnames van het nummer. Milt Gablers platenlabel Commodore Records ging wel met Holliday in zee. Het lied werd erg populair en kende tal van covers waaronder die van Nina Simone.

'De bomen in het zuiden dragen vreemde vruchten bloed op de bladeren en bloed aan de wortels zwarte lijven bengelen in de zuiderse bries vreemde vruchten hangen aan de populieren.

Een landelijk tafereel in het gallante Zuiden uitpuilende ogen, verwrongen mond de geur van magnolia zoet en fris en dan plots de geur van brandend vlees!

Dit zijn vruchten waarvan de kraaien plukken waarvan de regen oogst, waaraan de wind zuigt die rotten in de zon, die vallen van de bomen dit is een vreemd en bitter ooft.' Vertaald door Karel D'huyvetters


Tweede Wereldoorlog[bewerken | brontekst bewerken]

Toptechnologie in Bletchley Park[bewerken | brontekst bewerken]

Bletchley Park ligt halfweg de universiteit van Cambridge en die van Oxford, heeft prima weg- en treinverbindingen met Londen en bevindt zich in de nabijheid van de Britse communicatiekabels.
Alan Turing, 16 jaar.

Het landgoed Bletchley Park in Zuid-Engeland vormde de residentie voor de Government Code and Cipher School (GC&CS), de codebrekers van de Britse inlichtingendienst en de allereerste computers: de Colossus. Het geheime radiostation in het landhuis en de antennes verstopt in de mammoetboom droegen de naam "Station X", het tiende station. Briljante wiskundigen, taalwetenschappers en een allegaartje van academici ontcijferden hier codeberichten van de asmogendheden. De meesten van de zevenduizend medewerkers - zowel burgers als militairen - beseften niet waar ze mee bezig waren. Om al dat personeel te huisvesten kwamen er barakken en de afdelingen kregen de naam 'hut'. In Hut Six brak Alan Turing de Enigma code.

Na de oorlog raakte het landgoed in verval. De GC&CS verhuisde en Winston Churchill gaf bevel tot vernietiging van de documenten en de meeste machines, de koude oorlogspionage was in aantocht. Veel personeel kreeg ontslag en hield de prestatie van de ontcijfering van Enigma gedwongen geheim tot in de jaren zeventig. Door de geheimhouding ontstond het misverstand dat de computer een Amerikaanse uitvinding uit de jaren vijftig was.

De Bletchley Park Trust restaureerde het landhuis en enkele barakken. Ze stelde ze in 1994 open, twee musea tonen de Enigmamachines en een replica van de Colossus.

- TUBE

- WIKI

- WEB

Nazituin[bewerken | brontekst bewerken]

De Holocaustramp komt er wel erg makkelijk van af. Het is iets buiten de normale gang van de geschiedenis, een abnormaliteit, iets dat niet bij de mens past. Het was eenmalig. Voor slachtoffers is dit een comfortabel standpunt. Het gruwelijkste dat een volk kon overkomen, zal nooit meer terugkeren.

Van Zygmunt Bauman (1925-2017) en zijn schier oneindig aantal referenties (Pools-Brits professor sociologie en filosofie met Joodse roods aan een hele reeks universiteiten van Tel Aviv tot Warchau) verschijnt in 1989 een boek dat hem bekend maakt: Modernity and the Holocaust. Daarin vraagt hij zich af waarom we zo weinig leerden van de Holocaust. Zijn conclusie: de Holocaust is buiten de normale gang van de geschiedenis geplaatst. Het is een abnormaliteit, iets dat niet bij de mens past, een unicum, een gekte, een zijspoor, een aberratie, iets onnatuurlijks. Zoiets gebeurt nooit weer. Het was eenmalig. Voor de slachtoffers is dit een comfortabel standpunt. Hun slachtofferschap van het gruwelijkste dat een volk kon overkomen, zal nooit meer terugkeren. Bauman wijst op vergelijkbare genocides en de drang om afwijkingen onschadelijk te maken. Daarom moesten we meer leren van de Holocaust. Bauman beschrijft in zijn boek een Nazituin. Sproeistoffen verdelgen er alle onkruid, bijenkasten verwijzen naar de gehoorzaamheid en ongeveer de helft van de populatie draagt er een uniform. Wonderwel valt dit tuintype samen met deze afbeelding van Esther Nisenthal Krinitz, maar in haar tuin zijn het de bijen die de Nazi's verjagen.

'Net als tuinplanten of levende organismen konden deze [het menselijk bestaan en de samenleving] niet aan hun lot worden overgelaten omdat ze anders door onkruis overwoekerd of door kankerweefsel verziekt zouden worden. Tuinieren en medicijnen zijn functioneel onderscheiden vormen van dezelfde activiteit: "nuttige elementen die zijn voorbestemd om te leven en te gedijen, te scheiden en isoleren van schadelijke, ziekelijke elementen die moeten worden uitgeroeid." (...) Twee Duitse wetenschappers van wereldfaam, de bioloog Erwin Baur en de antropoloog Martin Stämmler, stelden in de exacte en feitelijke taal van de toegepaste wetenschap wat de leiders van nazi-Duitsland herhaaldelijk in de emotieve en hartstochelijke taal van de politiek tot uitdrukking brachten: "Iedere boer weet dat als hij de beste exemplaren van zijn vee zou slachten zonder dat ze zich hebben voortgeplant en in plaats daarvan met inferieure dieren zou fokken, zijn veestapel hopeloos achteruit zou gaan. (...) De opdracht is om de mensen tegen overwoekering door het onkruid te beschermen." p. 96-98.

Op p. 119 is wel erg letterlijk omschreven hoe een tuin de maatschappij weerspiegelt: 'Het doel is een groots visioen van een betere en radicaal andere maatschappij. (...) Dit is het visioen van een tuinman dat op een wereldwijd scherm is geprojecteerd. Elke tuinman die zijn naam waardig is, kent de gedachten, gevoelend, dromen en drijfveren van de ontwerpers van de volmaakte wereld, zij het op een wat bescheidener schaal. Sommige tuinlieden haten onkruid dat hun plannen in de war stuurt - die lelijkheid te midden van de schoonheid, die vuilnis binnen de serene orde. Anderen doen hier minder emotioneel over, en beschouwen het als een gewoon probleem dat moet worden opgelost, een extra klusje. Niet dat dit voor het onkruid iets uitmaakt; het wordt door beide tuinlieden uitgeroeid. (...) De moord op deze mensen was geen destructie, maar scheppende arbeid. Ze werden uitgeschakeld zodat een objectief betere menselijke wereld - efficiënter, moreler, fraaier - kon worden gevestigd. Een communistische wereld. Of een raszuivere, arische wereld.'

Op p. 144 citeert hij een Hitler-ideoloog van het eerste uur: R.W. Darré. 'Hij die tuinplanten aan hun lot overlaat zal spoedig tot zijn verrassing merken dat de tuin door onkruid overwoekerd raakt en dat zelfs de aard van de planten fundamenteel is veranderd. Als de tuin derhalve de kweekplaats voor deze planten moet blijven, met andere woorden, als deze zich wil verheffen boven de harde wetten van de natuur, is de vormgevende wilskracht van de tuinman noodzakelijk, een tuinman die, door voorwaarden voor voorspoedige groei te scheppen, of door schadelijke invloeden weg te nemen, of beide, zorgvuldig zorgt voor wat zorg behoeft, en genadeloos het onkruid verdelgt dat de betere planten van voedsel, lucht en zonlicht zou beroven.'

Behalve met de tuinmetafoor valt de Holocaust op die manier ook in verband te brengen met het industriële Europese systeem en het kapitalisme die hand in hand de foute weg inslaan. De Holocaust maakte het leven niet aangenamer, zoals de Verlichting aanvankelijk bedoelde, maar begon zichzelf met een tomeloze vraatzucht op te vreten. Henry Feingold schrijft in zijn 'How unique is the holocaust' (p. 399-400) dat die 'een gewone uitbreiding was van het moderne fabriekssysteem. Er werden alleen geen goederen geproduceerd. Mensen vormde de grondstof en het eindproduct was de dood zoals de vele eenheden per dag op de productiestatistieken van de directeur nauwgezet aangaven. De schoorstenen, symbolen van het moderne fabriekssysteem, stootten bijtende rook uit die van brandend mensenvlees afkomstig was. Over het briljant georganiseerde spoorwegnet van het moderne Europa werd een nieuw soort grondstof naar de fabrieken gevoerd, op dezelfde wijze als met andere lading. In de gaskamers inhaleerden de slachtoffers giftige gassen uit blauwzuurcapsules die door de geavanceerde Duitse industrie waren geproduceerd. De crematoria waren door ingenieurs ontworpen; directeuren ontwierpen een bureaucratisch systeem dat werd gerund met een enthousiasme en efficiëntie die minder ontwikkelde landen zouden benijden.'

The modern era was a journey towards perfection. For the same reasons, the modern era was also an era of destruction.

— Zygmunt Bauman

Door het oog van de naald is een documentaire over Esther Nisenthal Krinitz, een Joodse die de Holocaust overleefde en een afbeelding naaide van wat kan doorgaan voor de nazituin.

Het concentratiekamp[bewerken | brontekst bewerken]

Over de architectuur en het sociale regime valt veel te zeggen: ze gaan hand in hand. Om de kampen van de buitenwereld te isoleren en het ontsnappen zo goed als onmogelijk te maken bouwden de nazi's de officierenkwartieren rond de kampen.

Verbannen uit de tuin[bewerken | brontekst bewerken]

Expositieruimte, in het Jüdisches Museum in Berlijn.

. Negenenveertig zuilen vormen sinds 2001 de ‘tuin der verbanning en emigratie’ van het Jüdisches Museum in Berlijn. Bomen begroeien de zuilen die naar de holocaust en de stichting van Israël refereren. Dat gebeurde in 1948. Achtenveertig plus één zuil voor Berlijn, dat maakt 49. De Pools-Joodse Amerikaanse architect Daniel Libeskind, die de Freedom Tower in New York op zijn palmares heeft, ontwierp museum en tuin. Libeskinds ouders overleefden de holocaust. De zigzagvormen van het grondplan en ramen, de wanden en plafonds verwijzen naar een gebroken Davidsster, het wandelparcours van ontredderde vluchtelingen of gevangenen, tranen of een bliksemschicht. De ruimtes laten interpretatie toe en desoriënteren: open, leeg en lang, smal, schuin en scherp... de gangen, de bochten en de hellingen monden uit in de holocausttoren als eindpunt van een 'doodlopende' gang. De toren is 24 meter hoog en voelt klein, koud aan. Zo leidt Libeskind de bezoeker naar een pikdonkere bestemming vol beklemming. Het vrijheidsverlangen kan er alleen maar door groeien.

Oradour sur Glane[bewerken | brontekst bewerken]

https://nl.wikipedia.org/wiki/Bloedbad_van_Oradour-sur-Glane

Atlantikwall[bewerken | brontekst bewerken]

Het verhaal van Jozef Raskin zoals ik het ooit in een lezing vertelde.

Zilveren jaren vijftig[bewerken | brontekst bewerken]

Pretparken[bewerken | brontekst bewerken]

Ontstaan begin jaren vijftig (Efteling, Bellewaerde, Meli, Disneyland) als Amerikaanse massaconsumptietuinen

.

Koude oorlog[bewerken | brontekst bewerken]

  • Commandobunker in Kemmel

.

Dekolonisatie[bewerken | brontekst bewerken]

Het is niet toevallig dat de dekolonisatie samenvalt met de start van de kolonisatie van de ruimte. The Marsian is een recente film die toont hoe het deze zoektocht samenhangt met de creatie van voedsel en de recuperatie van waardevolle organische en anorganische materialen.

.

Opleiding tot tuinarchitect in Gent[bewerken | brontekst bewerken]

Start in 1957, in Vlaanderen blijft een private tuin, bijna meer dan in andere landen een onmisbaar deel van de woning.

.

Expo ’58[bewerken | brontekst bewerken]

Kaartje voor de roltrap van het Atomium, een stalen constructie van negen bollen, een 165 miljard keer uitvergroot ijzerkristal naar een idee van André Waterkeyn. Het moest de Belgische staalindustrie promoten.
Ontvangsthal van Expo58
Communicatie en vervoer met de destijds nieuwste treinen
Vanaf een brug hangende onder de pijl van de bouwkunde kijken de bezoekers op de kaart van België met belangrijke Belgische gebouwen
Elektrische energie

Wereldtentoonstellingen zijn in 1958 geen nieuw fenomeen. Deze internationale spektakel-exposities bestaan sinds de industriële revolutie op gang kwam en geven vanaf 1851 een beeld van het economische, sociale, culturele en technische kunnen van een land. Wat de Brusselse expo '58 zo bijzonder maakt, is dat het om de eerste wereldtentoonstelling gaat sinds het begin van de tweede wereldoorlog. 42 miljoen mensen bezochten de wereldtentoonstelling.

De kolonie[bewerken | brontekst bewerken]

De koloniale afdeling bracht Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi, destijds een mandaatgebied onder. Het toonde in zeven paviljoenen de technische en menselijke vooruitgang. Een tropische tuin met een inheems dorp toonde 'primitieve' Congolezen in hun leefomgeving en België als de beschavingsbrenger. Honderden geselecteerde évolués vlogen over en demonstreerden 'spontane' vreugdedansen en vergeten dorpsscènes.

De traditionele Congolezen waren eigenlijk net apen, zo vonden sommige bezoekers, dieren dus. En naar dieren gooi je pinda’s en je probeert met ze te communiceren door oerwoudgeluiden te maken. Het publiek, dat zelden tot nooit zwarten had gezien, stond rijen dik te kijken naar de Congolezen, joelde hen uit. Dag in, dag uit ondergingen ze de schofferingen van het publiek.

Andere Tijden, april 2008

De Congolezen werden teruggevlogen en de affaire leidde tot discussie. Het ACW schreef dat het moeilijk was om de onwetende massa's op te voeden. Het verblijf in Europa had een onverwacht effect op de Congolezen. In eigen land gewend aan blanken die hoog in de hiërarchie stonden, werden ze geconfronteerd met Belgen in bescheiden en erbarmelijke omstandigheden. ‘We konden niet geloven dat die mensen ook moesten werken. Het was het land van welzijn, van geluk’ wist er eentje. De situatie stimuleerde de Congolese onafhankelijkheidsbeweging en binnen twee jaar was Congo vrij. Mobutu Sese Seko, als journalist aanwezig op Expo 58, werd de sterke man en na de moord op de eerste president van Patrice Lumumba.

Fotogallerij[bewerken | brontekst bewerken]

Nieuwe producten[bewerken | brontekst bewerken]

Coca-Cola-paviljoen
Philips-paviljoen

Resanten[bewerken | brontekst bewerken]

Hoe megalomaan de expo's ook zijn, na afloop rest hen enkel het trieste lot van de afbraak. Soms blijven er wel eens gebouwen overeind zoals het atomium en het Amerikaanse paviljoen maar de meeste paviljoenen gaan op de sloop. Van Expo '58 kregen een achttal paviljoenen een nieuw leven: ze werden op een andere plaats heropgebouwd. Twee ervan bevinden zich zelfs erg dicht bij onze hogeschool.

1. Het Stedenbouwpaviljoen op de Pottelberg in Kortrijk

Kunstwerkstede De Coene toonde hier objecten en meubeld en liet het paviljoen na de expo naar Kortrijk komen. Architecten waren Goffaux en Vandenberghe. Momenteel heeft het gebouw geen bestemming, maar sinds 1958 was het achtereenvolgens een kantoor, een showroom, een kantine en een school.

2. Het Wevelgemse Joegoslavië-paviljoen

Dit zou na het atomium het origineelste én best bewaarde overblijfsel van de expo zijn. De architect Vjenceslav Richter ontwierp een 38 meter hoog gebouw dat rust op 15 kruisvormige staanders met zes lange bogen. Het paviljoen ontving drie miljoen bezoekers en lag aan de rand van het park van Laken. Tegenwoordig lopen de leerlingen van het Sint-Pauluscollege hier school.

3. Het landbouwpaviljoen in Ukkel

Een vereniging hokt momenteel in dit gebouw in de Verrewinkelstraat 97. Tot het faillissement in 2014 was hier een fitnesscentrum, een film- en een feestzaal, de P58.

4. De Kraainemse Expo-kapel

De zustergemeenschap Verbum Dei kocht de kapel in 1959 op. Ze is ontworpen door José Vandevoorde en Yvan Blomme. In in de jaren zeventig namen de Saint Anthony's Parish de kapel over en breidden ze met architect Stefaan De Clerck uit in 1995. Die spiegelde het oorspronkelijke ontwerp. Het altaar, het wandtapijt en de crucifix zijn authentiek.

5. Willebroek en het Côte d'Or paviljoen
6. Diest en het Jacques paviljoen

Op de expo waren vier chocoladeproducenten: Victoria, Meurisse, Jacques en Côte d'Or. Côte d'Or bracht een nieuw chocoladeproduct uit onder de naam "Dessert 58". Deze was gevuld met praliné en Chocolade Jacques toonde een hele productielijn vanop een wandelbrug. Het paviljoen van Jacques verhuisde naar Diest waar het als stedelijk zwembad werd ingericht. Bij de aanleg van de A12 tussen Antwerpen en Brussel wordt het paviljoen van Côte d'Or een wegrestaurant in Willebroek. In de jaren tachtig nam de discotheek de Carré er haar intrek. Alleen het schuine dak is nog een herinnering aan de expo, de rest is renovatie.

7. Genk en het Canadees paviljoen

Het Onze-Lieve-Vrouwlyceum vindt onderdak in deze constructie van Charels Greenberg. De feestzaal en de wenteltrap zijn origineel, de toren verhuisde niet mee.

8. Het Nederlands paviljoen

Een deel van het Nederlands paviljoen met de standpaal, kwam terecht in Bunde (Limburg) in de Sint Rochusstraat 16.

Jaren ’60[bewerken | brontekst bewerken]

Festivalterrein[bewerken | brontekst bewerken]

Woodstock liep van 15 tot 18 augustus 1969 in Bethel bij New York, op een weiland van 240 hectare. Het podium onderaan de heuvel maakte van het terrein een natuurlijk amfitheater. Het festival kreeg zijn naam naar de gelijknamige plaats een kleine 70 km verderop, het centrum van de toenmalige tegencultuur en hippiecultuur. Op het terrein werden twee baby's geboren, vier vrouwen kregen een miskraam en drie mensen stierven: een tractor overreed een slapende man, één dode was insulinegerelateerd en een derde stierf aan een gesprongen blindedarm. Kortom, de accommodatie was niet afgestemd op het aantal bezoekers waardoor de autoriteiten de noodtoestand uitriepen. Optredens van onder meer Joan Baez, The Band, Blood, Sweat & Tears, Joe Cocker, Creedence Clearwater Revival, Crosby, Stills, Nash & Young, Grateful Dead, Tim Hardin, Jimi Hendrix, Jefferson Airplane, Janis Joplin, Melanie, Santana, Ravi Shankar, Ten Years After en The Who

Galerij

Berlijnse muur[bewerken | brontekst bewerken]

De toespraak van John F. Kennedy vanaf het Rathaus Schöneberg op 26 juni 1963 (citaat Ich bin ein Berliner op 1:41)
De Berlijnse Muur zijn de tot honderd meter brede obstakels die West- en Oost-Berlijn van 1961 tot 1989 scheiden. De grens rond West-Berlijn was 167,8 km lang, waarvan 45,1 km bestond uit de Muur. Tijdens vluchtacties kwamen zeker 138 mensen om het leven.
Muren kunnen ook doorbroken worden. Omheiningen afgebroken.

Peter Schneider (1940) groeide op in het verdeelde Berlijn. De Muur markeerde de fysieke scheiding tussen Oost en West en vormde het 'inwendig kompas' van Schneider: die herinnert zich hoe hij na de val van de Muur in 1989 er niet in slaagt om de rechtstreekse route naar Oost-Berlijn te nemen. Jaren na de muur rijdt hij als een automatische piloot via oude omwegen naar de grens. Hoe gefrustreerd Schneider ook is, recht van Oost naar West rijden lijkt hem onmogelijk. Schneider noemde het een 'stompzinnige reflex'. Toen hij abusievelijk een film op de Beierse tv zag, begreep hij zichzelf. De film toonde dat bokken, hinden en herten in de jaren negentig instinctief blijven staan bij de grens, hoewel de prikkeldraad al jaren verdwenen was. Verbijsterend was dat de jonge dieren die het hek niet kenden, het gedrag van hun ouders vertonen en eveneens rechtsomkeer maakten bij het hek. Hoelang zullen dieren deze aangeleerde reflexen doorgeven?[33]

Milieu[bewerken | brontekst bewerken]

Killing fields[bewerken | brontekst bewerken]

Vietnam als de achtertuin van Amerika

De Club van Rome[bewerken | brontekst bewerken]

Bioscoopjournaal uit 1968 over de raffinaderij van Mobil Oil in het havengebied van Amsterdam.

De crisis van de jaren 70 maakt van de tuin ‘het milieu’. Over de (hernieuwde) aandacht voor de natuur valt veel te zeggen. Een simpele foto, genomen uit een Appolo-missie doet de milieubeweging eind jaren zestig ontstaan en leidt in 1971 in Canada tot wat we nu Greenpeace noemen. Toevallig in het land van Naomi Klein)? Terwijl de Club van Rome de eindigheid van de natuurlijke rijkdommen van de aarde aankondigt en oproept tot alternatieve energie, onderzoekt ExxonMobil op geavanceerde wijze en met top-wetenschappers zoals James Black de komende klimaatverandering. CO2-stalen uit de olietankers en klimaatmodellen voorspellen dan al de zeespiegelstijging en de idee dat de klimaatstrategie binnen de tien jaar van koers moet veranderen om het tij te keren. Die idee dateert uit 1978 en leidde niet tot actie, integendeel. Ondanks het feit dat het bedrijf dit wist, investeerde het dertig miljoen dollar in tegenonderzoek en de hele fossiele brandstofindustrie steunde de desinformatiecampagne: fake news avant la lettre en op massale schaal. Nadat Trump op 8 november 2016 de verkiezingen won, benoemde hij de CEO van ExxonMobil tot minister van Buitenlandse zaken.[34]


Volgens de historicus Yuval Noah Harari zal de grondstoffenschaarste zoals de Club van Rome voorspelde niet zozeer de toekomst bepalen, maar wel het ecologisch verval of het vernietigen van de natuurlijke leefomgeving. Om dit te illustreren maakt Harari een kleine vergelijking.

'Inmiddels huisvesten de aardse continenten bijna zeven miljard sapiens. Als je al die mensen samen op een gigantische weegschaal zou zetten, zou hun gecombineerde massa neerkomen op zo'n driehonderd miljoen ton. Als je vervolgens al ons vee en kleinvee zou nemen - koeien, varkens, schapen en kippen - en die op een nog grotere weegschaal zou zetten, zou hun massa neerkomen op circa zevenhonderd miljoen ton. De gecombineerde massa van al het overgebleven wild - van stekelvarkens en pinguïns tot olifanten en walvissen - bedraagt daarentegen minder dan honderd miljoen ton. Onze kinderboeken, onze icongrafie en onze tv-schermen staan nog vol giraffes, wolven en chimpansees, maar in de echte wereld zijn daar nog maar heel weinig van. Er zijn ongeveer tachtigduizend giraffes op de wereld, tegen 1,5 miljard runderen. Er zijn slechts tweehonderdduizend grijze wolven, naast vierhonderd miljoen huishonden. Er zijn maar tweehonderdvijftigduizend chimpansees, en miljarden mensen. De mensheid heeft de wereld definitie overgenomen.'[35]


"Er is geen excuus meer voor het aanleggen van een nieuwe infrastructuur die ons een toekomst oplegt waarin steeds meer fossiele brandstoffen worden gewonnen. De nieuwe, ijzeren wet van energieontwikkeling dient te zijn: als je het zelf niet in je achtertuin wilt, hoort het bij niemand in de achtertuin." Naomi Klein in Het Leap-manifest

Toen Aids nog taboe was[bewerken | brontekst bewerken]

Michel Foucault en Freddy Mercury zijn misschien wel de vroegste en bekende Aidsslachttoffers en Philadelphia de eerste film die de Aidsproblematiek aankaartte. Wat minder bekend is: Hart Island.

De geschiedenis van de gewone man/vrouw[bewerken | brontekst bewerken]

'De tuingeschiedenis kent een aantal eigen, specifieke problemen Zo is er vrijwel niets geweten over kleine, particuliere tuinen, omdat onze gegevens vooral de tuinen der groten belichten.' (Het bezielde landschap, p. 9)

De postmoderne tuin[bewerken | brontekst bewerken]

Verbeke Foundation en het autostradefragement als symbool voor het hedendaagse landschap

Ground Zero[bewerken | brontekst bewerken]

Groenruimtes[bewerken | brontekst bewerken]

'Ik herinner me nog de tijd dat er in het park overal bordjes stonden met "Verboden het gras te betreden". Het geeft aan hoezeer de mentaliteit is veranderd. Groenruimtes zijn niet langer een onaantastbaar schrijn. Ze maken deel uit van een ruimtelijk concept. We zijn geen plantenzetters. Hoewel het esthetische aspect niet is te veronachtzamen, denken we vooral na over duurzaamheid, waterinfiltratie, sfeer, sociale impact...' KASK-Docent Harlind Libbrecht in Onrust

Milieurampen[bewerken | brontekst bewerken]

  • Al Gore en zijn filmwaarschuwing
  • Tambora
  • Accion Valdes
  • Tsjernobil
  • Aardbevingen: Of er een verband bestaat tussen de toename van de aardbevingen en het in de grond pompen van afvalwater is al meer dan veertig jaar voorwerp van onderzoek. De vaststelling is een feit: vanaf 2009 nemen de aardbevingen in midden en oost Amerika in aantal en in kracht toe. 'Sinds begin deze eeuw pompen energiebedrijven in de VS steeds grotere hoeveelheden afvalwater de grond in. Dat water is eerder gebruikt om leeg rakende olievelden op druk te houden - het komt met de oliewinning weer naar boven' schrijft Marcel Aan De Burgh in De Standaard op 23 juni 2015 (p. D10) en in het NRC Handelsblad. Het geciteerde onderzoek in Science ziet geen oorzakelijkheid maar wel een verband. Door waterinjectie stijgt de druk op de diep gelegen breuklijnen op 5 tot 6 km diep. 'De extra druk die het vele afvalwater veroorzaak, is het strootje dat de rug van de kameel breekt.'

Toekomstige tuinen[bewerken | brontekst bewerken]

Digitaal tuinieren[bewerken | brontekst bewerken]

  • De tuin als QR-code: 130.000 gesnoeide jeneverboompjes (hun hoogte varieert van 0.80 tot 2.50 meter) vormen samen een vierkant waarvan elke zijde 227 meter lang is. Wie de code scant, komt op de toerismesite van Xilinshui, verkozen tot de allermooiste plek in de provincie Hebei.
  • Farmville
  • Sims
  • Drones leerden ons op een andere wijze naar de wereld kijken.
  • Landschappen in Second Life
  • Nestactiviteit volgen

Stranger in Paradise[bewerken | brontekst bewerken]

  • Is de tuin een vluchtelingenkamp langs de snelweg
  • Brussel Noord-problematiek
  • Calais

In 1974 voorspelde de Club van Rome dat de vluchtelingenproblematiek de laatste schakel zou zijn van het mondiaal desintegrerende ecosysteem, een symptoom van de oneerlijke wisselwerking tussen de overconsumptie van natuurlijke grondstoffen in het (demografisch verzwakte) rijkere Westen en de uitbuiting van armoedige landen die een immense bevolkingsaangroei kennen, als een nieuw soort proletariaat in de letterlijke betekenis van het woord: een proletariër is iemand die enkel kan rekenen op zijn nakomelingen.

Actuele thema's[bewerken | brontekst bewerken]

  • Landschapsgraffitie
  • Biodiversiteit op bedrijfsterreinen, campings, winkelcentra
  • Crematoria
  • Groen bij hoogbouw
  • Herbestemming van onrendabele industriële panden, kasteeldomeinen
  • Biopiraterij is gewoonweg de Westerse diefstal van erfelijk plantenmateriaal uit de derde wereld om het te veredelen en het tegen onverantwoorde prijzen terug op de markt te brengen. Eufemistisch noemt het Westen dit bioprospectie, wetenschappelijke ontwikkeling en economie. Gebieden met veel biodiversiteit werken als een magneet voor bedrijven die nieuwe producten willen ontwikkelen. Doorgaans assisteert de inheemse bevolking bij de prospectie zonder dat zij later proportioneel zullen delen in de winst. Boeren in ontwikkelingslanden die deze sterkere rassen zelf willen telen, betalen voor hiervoor (te) hoge prijzen en Westerse landbouwers voelen zich bedreigd: zaaigoed bewaren, het hergebruiken, het delen en eigen soorten aanmaken zit er niet meer in. Tenslotte schept de farmaceutische industrie bakken geld bij het ontwikkelen van medicijnen. Het patent of kwekersrecht sluit de lokale bevolking uit van de winst, ondanks het feit dat zij niet alleen de plant maar ook kennis leveren. Een omstreden voorbeeld in deze is het bedrijf Monsanto dat tachtig procent van alle graan en negentig procent van de sojabonen in de V.S. produceert. Monsanto bezit en bewaakt met hand en tand de genetische structuur van die zaden en voegt zo een nieuw element toe aan de liberaal-kapitalistisch voorspelling van Adam Smith. Rijkdom komt niet langer voort uit het trio arbeid, kapitaal en land. Ondernemers die een concurrentievoordeel willen, maken van dit trio een kwartet. Kennis, die geen prominente rol speelde in het denken van Smith, is tegenwoordig niet meer weg te denken. Elke fabriek heeft zijn labo. Elke universiteit heeft zijn onderzoekscentrum. Ik volg hierbij de redenering van Franklin Foer: Twee eeuwen geleden hield de economische wetenschap geen rekening met de mogelijkheid dat kennis een groei-ingrediënt is. Kennis verwarde de economisten erg lang. We kunnen het Smith niet kwalijk nemen (Karl Marx zag evenmin in dat het kapitalisme in de loop der eeuwen een ander gelaat zou vertonen) dat hij het internet niet zag aankomen. Maar het internet zorgde ervoor dat kennis zou verschillen van alle andere goederen: ze was gratis te kopiëren. En toen het internet een gigantisch kopieercenter werd, ontstond de kenniseconomie.

Begraafplaatsen[bewerken | brontekst bewerken]

Nieuw kerkhof van Kortrijk[bewerken | brontekst bewerken]

Omdat de Middeleeuwse begraafplaats rond de kerk lag, zorgde dit voor een direct binding tussen levenden en overledenen. Grondgebrek en de gezondheidszorg resulteerden in 1784 in een edict van keizer Jozef II dat de begraafplaatsen naar de periferie verplaats. Ofwel werden de kerkhoven vergelijkbaar met de middeleeuwse pesthuizen, een oord waar niemand kwam, of het omgekeerde: er ontstonden pronkerige graven die de maatschappelijke positie van het individu en de familie eeuwig versteenden. In beide gevallen zorgde het edict voor de fysieke scheiding tussen de doden en de levenden. Niet dat ze niets meer met elkaar te maken hadden, maar de dood schoof verder op. Waar de Romeinen hun doden nog in de nabijheid van hun villa's begraven, en de christenen dit rond de kerk deden, worden de doden op het einde van de verlichting uit het centrum van het dorp gebannen. Enige reflectie over de landschappelijk inpassen van kerkhoven bleef afwezig. Vaak kreeg het eerste en het beste braakliggend terrein een nieuwe bestemming als dodenakker. De geforceerdheid waarmee het edict doorgedrukt werd, zorgde ervoor dat moerassen of voor landbouw ongeschikte terreinen plots een kerkhof werden. Na een klein decennium merkte men op dat lijken en kisten kwamen bovendrijven. De eerste keer dat Vlaanderen ging nadenken hoe begraafplaatsen in het landschap passen was bij de aanleg van de Engelse en Duitse militaire begraafplaatsen na de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Maar daarna werd het al snel terug een zaak van landmeters en technische diensten van steden en gemeenten die zich inlieten met kerkhofuitbreidingen.

Het recente kerkhof van Kortrijk van Bernardo Secchi is vanuit dit perspectief grensverleggend. Secchi neemt de draad op die doet denken aan Vladslo, Langemark en Hooglede. Het is een zoeken naar sfeer en sereniteit waarbij het landschap en de natuur een fundamentele rol vervullen. In het gebied ten zuiden van de E17, de hogeschool VIVES, de universiteit en De Hallen ging Secchi aan de slag met Paola Viganó, architect Cnockaert en tuinarchitect Robyn.[36]

Voor de landschapsbegraafplaats koos hij een zachte glooiing: elf plateaus delen het langzaam dalende terrein sereen in, betonnen wanden versterken dat en leiden weg van de ceremonieruimte. Die zit ingebed onder de straatzijde (een verwijzing naar grafkelders) en camoufleert de schoorsteen van het crematorium. Elke grafsteen heeft een grondvlak van 60 bij 60 cm, hoogte en materiaalkeuze zijn vrij te bepalen. Bij dit idee had Secchi het monument voor de gesneuvelden op het kerkhof van Milaan voor ogen, een open kubusvormige structuur ontworpen in 1946. Secchi ontwierp stenen zuilen die fungeren als columbarium. Hun eenvoud steekt schril af met de columbaria in de catalogi van de betonfabrikanten. De massieve steen van beeldhouwer Paul Van Rafelghem sluit aan bij de visie van Secchi. Die komt uit de licht hellende bodem en eindigt als een lage tafel met een grondplan. De synthese van de symboliek en het zitobject markeren de rust, de stilte en de verpozing.

Bernardo Secchi (Milaan, 1934 - aldaar 2014) was een Italiaans architect aan de Iuav-universiteit van Venetië en de auteur van boeken over stedenbouw. In 1990 richtte hij samen met Paola Viganò het architectenbureau Studio Associato Bernardo Secchi Paola Viganò op. Secchi dacht na over stadsrevalidatie en realiseerde projecten in Kortrijk waar hij plannen tekende voor de Grote Markt en Hoog Kortrijk. Secchi overleed in 2014 op 80-jarige leeftijd en liet zijn as verstrooien op de begraafplaats Hoog-Kortrijk.


Landschapsarchitecten[bewerken | brontekst bewerken]

Gentse tuinen[bewerken | brontekst bewerken]

Campo Santo in Sint-Amandsberg is genoemd zoals de Campo Santo begraafplaats in Rome. Het is een kerkhof met katholieke beroemdheden, enkele vrijzinnigen en veel letterkundigen, kunstschilders en toondichters.

Tuin in muziek[bewerken | brontekst bewerken]

[37]

Tuin in de film[bewerken | brontekst bewerken]

Tuin in documentaire[bewerken | brontekst bewerken]

Bibliografie[bewerken | brontekst bewerken]

  • ŖJEAN PAUL VAN BENDEGEM. Verdwaalde stad. Filosoferen langs straten en pleinen, Houtekiet, Antwerpen, 2017.

Lijsten met...[bewerken | brontekst bewerken]

In België kennen we de Nationale Plantentuin van België, Arboretum Bokrijk, het Arboretum Heverleebos, Arboretum Kalmthout, Arboretum Wespelaar en het Geografisch Arboretum Tervuren

Taxonomie[bewerken | brontekst bewerken]

Net zoals een historicus is een botanicus een taxonoom. Het indelen gebeurt met een gelijkaardige woordenschat, beiden spreken over rijken, stammen, klasses, ordes, families en takken (tribus), geslachten... Tijdens mijn zoektocht naar tuintypes kwam ik zo nu en dan ook plantjes tegen met een eigen merkwaardige geschiedenis. Ik klasseer ze hier in dit virtueel herbarium.

Nadat de twaalfjarige Penelope Lively (geboren in 1933) uit Egypte naar Londen was verhuisd, leidde een familievriend haar rond in de buurt van St. Paul's Cathedral. Hij toonde haar trots hoe de Duitse bombardementen de Romeinse stadsmuren, erfgoed van bijna twee millennia oud aan de oppervlakte toverden. Maar het was niet de oude archeologie die indruk maakte op Penelope. Het bloemenperk in de bomkraters volstond. Vijfenzeventig jaar later beschrijft dezelfde jongedame haar herinnering aan het wilgenroosje als een zee van paars. De tuinplant ontsnapte halverwege de achttiende eeuw uit de tuin om en open plekken, braaklanden en voedselarme gronden wild te koloniseren. Dit plantje houdt van verbrandde grond. In het Engels heet het niet bomb- en fireweed.
Galerij

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Mediabestanden die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Garden op Wikimedia Commons.
Algemeen:Ecotoop · Landvorm · Landschap · Landschapselement · Nederlandse landschappen
Vlakvormig:Abschnittsmotte · Achterkade · Beekdal · Beemd · Begraafplaats · Bolle akker · Bos · Brink · Brinkdorp · Broek · Del · Dorp · Droogmakerij · Duin · Eiland · Eng · Enk · Es · Esdorp · Fort · Geriefbos · Gors · Griend · Haven · Heuvel · Houtkade · Inlaag · Karreveld · Kerkhof · Kolk · Kraag · Kreek · Kreekrug · Kromakker · Kwelder · Landgoed · Legakker · Lintdorp · Luchthaven · Maat · Made · Mede · Marke · Meer · Meerstal · Meetje · Meet · Moeras · Mijnsteenheuvel · Oeverwal · Pestbosje · Petgat · Pingoruïne · Plas · Poel · Polder · Raatakker · Rak · Redoute · Rivier · Rivierstrand · Rustbosje · Schans · Schol · Schor · Slik · Sluis · Stad · Stelle · Stinswier · Strand · Strandwal · Strang · Stroomrug · Struweel · Stuwmeer · Stuwwal · Terril · Terp · Uiterwaard · Veenkoepel · Veenlens · Veenkolonie · Veenpolder · Veenplas · Veenterp · Ven · Vesting · Viskenij · Visvijver · Vliedberg · Vliegveld · Vloeiveld · Vloeiweide · Waai · Wad · Weel · Weide · Weiland · Wiel · Wierde · Zee
Lijnvormig:Aarden dam · Aquaduct · Autosnelweg · Autoweg · Bandijk · Barrage · Beek · Berceau · Berm · Boezem · Brandsloot · Dam · Diep · Dijk · Doodweg · Dromerdijk · Enkwal · Fietspad · Fietsstrook · Gracht · Grubbe · Haag · Ha-ha · Heg · Holle weg · Houtkant · Hessenweg · Houtsingel · Houtwal · Jaagpad · Kaai · Kade · Kanaal · Kerkpad · Krib · Laan · Landscheiding · Landgraaf · Landweer · Lijkweg · Maar · Molengang · Muraltmuur · Opvaart · Ossengang · Pad · Reeweg · Ringdijk · Ringvaart · Rivier · Schipsloot · Schipvaart · Schurveling · Singel · Singelgracht · Slaperdijk · Sloot · Snelweg · Spoorweg · Steenberg · Strandhoofd · Strekdam · Stuwdam · Tiendweg · Trambaan · Trekpad · Trekvaart · Trottoir · Tunnel · Turfvaart · Tuunwal · Uiterdijk · Vaart · Veenkade · Veendijk · Vlechtheg · Voetpad · Wakerdijk · Wandelpad · Weg · Wetering · Wieke · Wijk · Wierdijk · Wildwal · Zeedijk · Zwetsloot
Puntvormig:Banpaal · Bermmonument · Boe · Boerderij · Boerenkuil · Boô · Borg · Brug · Buitenplaats · Burcht · Coupure · Daliegat · Dobbe · Duiker · Eendenkooi · Galg · Gemaal · Grafheuvel · Grenspaal · Hagelkruis · Havezate · Hoeve · Hollestelle · Hoogholtje · Hunebed · Inlaat · Inundatiesluis · Kasteel · Kerkgebouw · Kwakel · Molen · Mottekasteel · Overlaat · Overweg · Pijp · Pomp · Ringwalburcht · Rolpaal · Schaapvolt · Stuw · Til · Turfput · Veenput · Verlaat · Viaduct · Vijver · Voorde · Waterpomp · Waterput · Watertoren


Categorie:Architect Categorie:Beeldend kunstenaar Categorie:Beschermd landschap in België Categorie:Biotoop Categorie:Landschapsarchitectuur Categorie:Park in Gent Categorie:Tuin Categorie:Tuinarchitectuur Categorie:Weg Categorie:Wegenbouwkunde Categorie:Weginfrastructuur Categorie:Landschap van Nederland Categorie:Ecologie Categorie:Geografie Categorie:Historische geografie Categorie:Natuurbescherming Categorie:Ruimtelijke ordening Categorie:Schilderstijl