Religie in Nederland
Dit artikel behandelt religie in Nederland.
Inhoud |
[bewerken] Geschiedenis
[bewerken] Prehistorie en Oudheid
De oudste gegevens over de belijdenis van religie door de inwoners van de streken die nu "Nederland" vormen komen van de Romeinen. In tegenstelling tot wat antieke bronnen lijken te suggereren, vormde de Rijn weliswaar duidelijk de grens van het Romeinse Rijk, maar zeker niet de grens tussen woongebieden van Kelten en Germanen; zo was er sprake van Germanen ten zuiden ervan (Germani cisrhenani) en veel plaatsnamen en archeologische vondsten wijzen op de aanwezigheid van Kelten in het noorden. Tussen deze "Keltisch-Germaanse volkeren" en later ook met de Romeinse veroveraars (romanisering) heeft een sterke culturele uitwisseling plaatsgevonden. Zo is te zien dat de polytheïstische stammen elkaars goden en verhalen overnamen, afkomstig uit zowel de Germaanse, de Keltische als later ook de Romeinse mythologie. Goden als Nehalennia, Hludana en Sandraudiga zijn van inheemse (Keltische) oorsprong, de Germanen hebben goden als Wodan, Donar en Frigg (zie ook Freya) uit Scandinavië meegenomen, en bijvoorbeeld Jupiter, Minerva en Venus zijn door de Romeinen ingevoerd. Tacitus beschreef ook de scheppingsmythe van Mannus, de oermens waaruit alle Germaanse stammen zouden zijn voortgekomen. De Kelten en Germanen in de Lage Landen hadden zeer waarschijnlijk ook boomheiligdommen, naar het voorbeeld van de Oudnoordse Yggdrasil en de Saksische Irminsul en Donareik in het huidige Duitsland; tempels kwamen vermoedelijk pas met de Romeinen en zijn nog bewaard gebleven in bijvoorbeeld Empel en Elst.
[bewerken] Middeleeuwen
Van de 4e tot de 6e eeuw n.Chr. vond de Grote Volksverhuizing plaats, waarbij de kleine Keltisch-Germaans-Romeinse stammen in de Lage Landen geleidelijk verdrongen door drie grote Germaanse volksstammen: de Franken, de Friezen en de Saksen. Omstreeks 500 gaan de Franken, aanvankelijk woonachtig tussen de Rijn en de Somme, massaal (gedwongen door hun koning Cholodovech) over op het (katholieke) christendom. Na de Fries-Frankische oorlogen (ca. 600-793) en Saksenoorlogen (772-804) vallen de Lage Landen allemaal onder het bewind van de christelijke Frankische koningen. Een belangrijke bron uit die tijd is de Oudsaksische doopgelofte, waarin staat hoe men zijn oude goden (omschreven als "duivels") moet afzweren en de drie-eenheid aannemen. Het duurt echter nog zeker tot 1000 eer alle "heidense" inwoners ook daadwerkelijk - te vuur en te zwaard - gekerstend zijn en de Friese en Saksische religies zijn uitgestorven, hoewel elementen werden overgenomen in de christelijke godsdienst. De vijf eeuwen daarna is het christendom de enige godsdienst en alomtegenwoordig in de middeleeuwse Laaglandse samenlevingen. Daarin heeft het religieuze leven nog ingrijpende vernieuwingen gekend, onder meer door allerlei klooster- en ridderorden. De Moderne Devotie (Geert Grote), gevolgd door de Renaissance, waaronder het humanisme (Erasmus), vernieuwden levens- en wereldbeschouwing fundamenteel, vooral van theocentrisch naar antropocentrisch.
[bewerken] Vroegmoderne tijd
Sinds de Reformatie is "Nederland" weer een land waar uiteenlopende kerkelijke gezindten naast elkaar leven. Hervormingsgezinde intellectuelen publiceerden en preekten tegen de misstanden in de katholieke kerk, waarmee Maarten Luther en Johannes Calvijn uiteindelijk braken toen zij binnen de katholieke structuren geen oplossing meer zagen, en protestantse kerken stichtten. Vooral Calvijns gedachtengoed kreeg in de Nederlanden grote aanhang, waar ze zwaar werden vervolgd door de Habsburgse wereldlijke autoriteiten. De godsdiensttwisten waren één van de belangrijkste drijfveren van de Tachtigjarige Oorlog (ca. 1566-1648), die na decennia van gewelddadige conflicten uiteindelijk zorgde voor een splitsing van de Habsburgse Nederlanden in een onafhankelijke, door het overwegend protestantse gewest Holland geleide, Republiek, en de vrijwel uitsluitend katholiek gehouden Zuidelijke Nederlanden. De Nederduits Gereformeerde Kerk werd vanaf 1579 publiekelijk bevoordeeld ten opzichte van andere kerken, maar is nooit een staatskerk geworden. Sinds 1580 werd de publieke uitoefening van de roomse eredienst verboden en de bisschoppelijke hiërarchie verviel, en hoewel katholieken in de Republiek tot 1796 werden behandeld als tweederangsburgers, werden ze wel getolereerd, evenals de Joodse gemeenschap.
Allegorie op de ijver van de religies tijdens het Twaalfjarig Bestand. De rivier tekent de vanaf nu duidelijke scheiding tussen noord en zuid. Links de protestanten met o.a. de prinsen Maurits en Frederik Hendrik. Op de voorgrond vissen de protestanten; hun netten zijn gemerkt met Fides, Spes en Caritas. Rechts de katholieken met aartshertogen Albrecht en Isabella, Spinola en paus Paulus V gedragen door kardinalen. Een bisschop met zijn priesters vist in het katholieke bootje naar mensen.
Een belangrijke gebeurtenis was de Synode van Dordrecht (1618-1619), waar de ruzie tussen Arminius' remonstranten en Gomarus' contraremonstranten over de predestinatie werd beslist in het voordeel van de laatsten. De controverse had bijna geleid tot een burgeroorlog doordat het een politieke tint kreeg toen de grote twee leiders van de Republiek Johan van Oldenbarneveldt en Maurits van Oranje zich ermee bemoeiden; de remonstrantse van Oldenbarneveldt verloor en werd ervoor onthoofd. Voorts werd op de Synode besloten tot de ontwikkeling van de Statenvertaling (gereed in 1637), zodat de Bijbel voortaan in het Nederlands kon worden gelezen.
Protestanten en katholieken woonden hoofdzakelijk gescheiden van elkaar. De grens tussen de protestantse en katholieke gebieden liep dwars door Nederland van zuidwest naar oost: door Zeeuws-Vlaanderen, het westen en noorden van Noord-Brabant, het zuiden en oosten van Gelderland en door Twente. De gebieden ten zuiden en oosten van die denkbeeldige grens waren katholiek, de gebieden ten noorden en westen ervan waren protestants. Vooral in de westelijke provincies Noord- en Zuid-Holland en Utrecht waren er echter ook een aantal katholieke en gemengde gebieden; bijvoorbeeld woonden er vroeger in het dichtbevolkte Noord-Holland meer katholieken dan in Noord-Brabant.
De relatief grote tolerantie ten opzichte van andere godsdiensten trok vanaf de zeventiende eeuw ook een groot aantal kleine (vooral protestants-christelijke) kerkgenootschappen aan, die elders streng vervolgd werden. Vooral de herroeping van het Edict van Nantes in 1685 en het Salzburger Emigrationspatent in 1731 zorgden voor een sterke inwijking van respectievelijk Franse Hugenoten en Zuid-Duitse Lutheranen. René Descartes vond in de Republiek een veilig heenkomen, en ook de filosofen Baruch Spinoza en Adriaen Koerbagh verspreidden hun vernieuwende veelal anti-autoritaire en vrijheidsbepleitende wereldbeschouwingen, en maakten (volgens historicus Jonathan Israel) Nederland tot het centrum van de radicale Verlichting. Zij werden fel bestreden door theoloog Gisbertus Voetius, die behoud van de oude geloofsleer pleitte en de calvinistische universitaire theologie in de dagelijkse praktijk trachtte te brengen, en was daarmee een belangrijk voorvechter van de Nadere Reformatie. Voetius kwam vooral in aanvaring met Johannes Coccejus, die meende dat God zijn verbond met de mens steeds veranderde, en dat geboden in het Oude Testament een ander gezag hadden dan die van het Nieuwe Testament, en zodoende hoefde onder meer de zondagsrust niet te worden nageleefd.
[bewerken] Negentiende eeuw
Uit de negentiende-eeuwse volkstellingen blijkt dat er lange tijd sprake was van een protestantse meerderheid en een katholieke minderheid. De verhouding was in 1829 <59,1% protestanten en 39,0% katholieken ("België" niet meegerekend), en met 1,8% was er verder een kleine joodse minderheid.[1]
[bewerken] Protestanten
De Nederduits Gereformeerde Kerk had haar bevoorrechte positie verloren in de Franse tijd, toen voor het eerst een scheiding van kerk en staat tot stand kwam. In 1816 onderwierp koning Willem I der Nederlanden haar aan een nieuw reglement, en hernoemde haar tot Nederlandse Hervormde Kerk (NHK); dit werd door sommigen gezien als ongewenste staatsinmenging in kerkelijke zaken. Tijdens de Afscheiding van 1834 scheurde een groep behoudende protestanten onder leiding van Hendrik de Cock zich af van de NHK, en noemde zichzelf aanvankelijk "Gereformeerde Kerk". Tot dat toe had "hervormd" en "gereformeerd" hetzelfde betekend, maar nu stonden ze voor hun eigen stroming binnen het Nederlandse protestantisme. De Afscheiding van 1834 was slechts het eerste van vele schismata die zich de volgende 200 jaar zouden afspelen binnen de behoudende vleugel van protestants Nederland.
De belangrijkste scheuring daarna volgde in 1886 met de Doleantie onder leiding van Abraham Kuyper, ook de stichter van Nederlands eerste politieke partij, de ARP, en later minister-president. De Dolerenden verzoenden zich in 1892 met het leeuwendeel van de Afgescheidenen (die tegen die tijd alweer enkele schismata en gedeeltelijke verzoeningen achter de rug hadden) in de Gereformeerde Kerken in Nederland. Het totaal aan gereformeerden, die pas sinds 1889 in officiële statistieken werden onderscheiden van de hervormden en 'overige protestanten', bedroeg in 1899 8,2% van de Nederlandse bevolking.[1]
[bewerken] Katholieken
De instelling van de Nederlandse Hervormde Kerk in 1816 was voor de Nederlandse katholieken een tegenslag; zij hadden in de Franse Tijd gelijkheid ten opzichte van hun landgenoten gekregen doordat de Nederduits Gereformeerde Kerk haar publiekelijk bevoorrechte status verloor. De NHK leek met het reglement weer een quaesi-staatskerk te gaan worden en de katholieken weer tweederangsburgers. Dit was al helemaal opmerkelijk omdat in de periode 1815-1830/39 binnen het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden de vrijwel volledig katholieke Zuid-Nederlandse (Belgische) bevolking met 62,7% van het totaal (in 1830) samen met de (Noord-)Nederlandse katholieken de hervormden tot een minderheid van 21,6% maakten. De omwenteling van 1830, die tegenwoordig vaak de "Belgische" Opstand wordt genoemd, leidde ook in Noord-Nederland onder katholieken tot opstandigheid, waarbij regeringstroepen naar overwegend katholieke streken werden gestuurd om de orde te bewaren, uit vrees dat opstand zich naar het Noorden zou uitbreiden. Doordat de opstand tot het Zuiden beperkt bleef, zoals tijdens de Tachtigjarige Oorlog de opstand uiteindelijk tot het Noorden beperkt bleef, kwam het weer tot een scheiding, en zodoende kwamen de (Noord-)Nederlandse katholieken weer in de minderheidspositie terecht.
Het was door de Grondwetsherziening van 1848 door de liberaal Thorbecke, die bepaalde dat alle godsdiensten voor de staat gelijk waren, dat katholieken maar ook niet-hervormde protestanten en joden voortaan niet meer achtergesteld werden, en het Herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland mogelijk maakte. Met de pauselijke bul Ex Qua Die van 4 maart 1853 werd dit voltooid, maar hier kwam meteen fel protestants verzet tegen in de vorm van de Aprilbeweging, die Nederland een protestants land wilden houden. Koning Willem III had sympathie voor het verzet, weigerde dat op te geven en verbrak daarmee de scheiding van kerk en staat, wat leidde tot de val van het kabinet-Thorbecke. Uiteindelijk werd het herstel toch doorgevoerd en kwam er een Wet op de Kerkgenootschappen, die ten doel had voortaan de godsdienstige gemoederen in Nederland te bedaren.
De volgende decennia stond de katholieke emancipatie in het teken van het streven zowel aan de Heilige Stoel als aan Nederland trouw te zijn; dit ultramontanisme en nationalisme wilde nog wel eens botsen. Toen de Kerkelijke Staat werd bedreigd door de Italiaanse legers, hebben naar verhouding bijzonder veel Nederlandse katholieken als zoeaaf de paus gediend om hun trouw te bewijzen. In het laatste kwart van de 19e eeuw begon langzamerhand de verzuiling vorm te krijgen, en de katholieke zuil is altijd het sterkst te onderscheiden geweest vergeleken met de andere zuilen in Nederland.
[bewerken] Seculieren
Tot de Franse Revolutie was het deel van de Nederlandse bevolking dat zijn leven seculier (dat wil zeggen: niet (hoofdzakelijk) religieus) inrichtte miniem. Vanaf de 18e eeuw waren er onder de kleine elite van Verlichtingsfilosofen wel vrijdenkers, en de na komst van de Franse revolutionairen en hun "Bataafse" bondgenoten werden in 1796 veel Verlichtingsideeën als scheiding van kerk in staat in de praktijk gebracht, en alle burgers mochten voortaan vrij hun geloof of gebrek daaraan belijden; joden kregen volwaardig burgerrecht. Vooralsnog, en ook na de Franse tijd, bleef het aantal seculieren beperkt. Het liberalisme kwam als filosofisch-politieke beweging zonder religieuze grondslag voort uit de Verlichting, al waren aanvankelijk verreweg de meeste Nederlandse liberalen naast liberaal ook protestant of katholiek.
Een sterk seculier wereldbeeld werd door Karl Marx en Friedrich Engels vanaf 1848 gepropageerd in hun Communistisch Manifest, de grondslag voor het socialisme, waarin zij zich afzetten tegen religie, monarchisme en militarisme, maar vooral tegen kapitalisme, dat sterk opkwam door de Industriële Revolutie. Nederland industrialiseerde echter betrekkelijk laat, en pas aan het eind negentiende eeuw (na 1880) begint de secularisering en komen er onder invloed van met name het socialisme steeds meer onkerkelijken. Vooral de protestanten verliezen in de daaropvolgende decennia veel leden. Dit geldt in het bijzonder voor de Nederlandse Hervormde Kerk, die ook veel leden verliest aan de van deze kerk afgescheiden gereformeerde kerken.
De seculiere ideologieën liberalisme en socialisme waren een product van de modernisering, die werd aangedreven door de snelle voortgang van de wetenschappen. In toenemende mate stelden de nieuwste inzichten traditionele religie in twijfel, met name de evolutietheorie zoals Charles Darwin die 1859 in De oorsprong der soorten formuleerde, die wetenschappelijk bewijs leverde dat de huidige levensvormen zijn voortgekomen van één gemeenschappelijke voorouder en niet afzonderlijk zijn geschapen. Ook de werken van bijbelvorsers als David Friedrich Strauss met zijn Das Leben Jesu kritisch bearbeitet (1835) en Ernest Renan met zijn La vie de Jésus (1863), die het leven van Jezus Christus historisch-kritisch benaderden en groot deel van de Bijbel daarmee ontkrachtten als wetenschappelijk betrouwbare informatiebron tastten christelijke geloofswaarheden ernstig aan. De werken van Darwin, Strauss, Renan en anderen werden naar het Nederlands vertaald, en kregen bijval van Nederlanders zoals Pieter Harting, Tiberius Cornelis Winkler, Abraham Kuenen en Johannes van Vloten, die ook evolutiebiologie of bijbelwetenschap bedreven en erover schreven. Aanvankelijk werden de werken van deze geleerden slechts onder een hoogopgeleid publiek gelezen, en hun ideeën vaak verenigbaar met de traditionele godsdiensten geacht, maar dat zou veranderen. In 1899 gaf nog slechts 2% van de Nederlanders zich bij de volkstelling op als "onkerkelijk", maar hun aandeel zou daarna gestaag gaan groeien.[1]
[bewerken] Twintigste eeuw
[bewerken] Verzuildheid
Aan het begin van de 20e eeuw, met als hoogtepunt het Interbellum, was Nederland sterk verzuild geraakt. Iedere grote religieuze of seculiere bevolkingsgroep had haar eigen politieke partij(en), kerk(en), scholen en universiteiten, kranten en radio, en vaak ook sport- of scoutingverenigingen die hoofdzakelijk gescheiden van elkaar leefden, om binnen de eigen gemeenschap met het eigen gedachtengoed te worden opgevoed en naar inzicht van die gemeenschap te leven. Doorgaans worden er vier groepen onderscheiden: de rooms-katholieken (het sterkst georganiseerd), protestanten (weer verdeeld naar hervormden en gereformeerden), socialisten (waaronder communisten, sociaal-democraten en anarchisten) en liberalen (hoewel zij tegen verzuiling restte hen een soort overgebleven 'liberale/neutrale' zuil).
[bewerken] Antisemitisme en jodenvervolging
Al in de 19e eeuw was in Europa het antisemitisme sterk toegenomen. Toen de Grote Depressie in de jaren 1930 tot hoge werkloosheid onder arbeiders leidde, gaven vooral de opkomende nationaal-socialisten de joden hiervan de schuld. Toen in Nazi-Duitsland joden steeds openlijker werden vervolgd, weken velen uit naar Nederland. De regering vreesde dat dit het Nederlandse antisemitisme zou versterken en nationaal-socialistische partijen als de NSB en het Zwart Front doen groeien, en besloot de immigratie te beperken. Nadat Duitsland Nederland mei 1940 bezette, werden joden eerst sociaal uitgesloten, daarna opgepakt en gedeporteerd naar concentratiekampen en tenslotte grotendeels (zo'n 73% oftewel 100.000 mensen) door de bezetter uitgemoord. Dit is grotendeels de schuld van de bereidheid van de Nederlandse bureaucratie om met de Duitsers samen te werken; slechts een kleine groep hielp de Duitsers uit antisemitische overtuiging; een derde groep pleegde verzet door bijvoorbeeld joden te helpen onderduiken met gevaar voor eigen leven. Toen na de oorlog bleek dat slechts 20.000 van de 140.000 joden in 1940 de vervolgingen hadden overleefd, bracht dat onder de Nederlandse bevolking een schok van afschuw en schuldgevoel, een felle roep om religieuze tolerantie en sympathie voor de stichting van een Joodse staat in Palestina (zionisme) teweeg.
[bewerken] Ontkerkelijking en diversifiëring
Eind jaren zestig begint de tweede ontkerkelijkingsgolf, die ook in de tot dan hechte katholieke gemeenschap doorwerkt. De grenzen tussen de geloofs- en levensbeschouwelijke gemeenschappen, die door de verzuiling en de ruimtelijke scheiding vrij strak waren, verdwenen langzaam. Het belang van de oecumene en de wens voor meer eenheid binnen de christelijke kerken nam toe. Onder protestanten resulteerde dit in 2004 in de oprichting van de Protestantse Kerk in Nederland, een fusie tussen de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland (verreweg het grootste gereformeerde kerkgenootschap) en de kleine Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden. In dezelfde periode kwamen er met de instroom van grote groepen immigranten verschillende 'uitheemse' religies het land binnen, zoals de islam, het hindoeïsme en het boeddhisme. Deze nieuwe religies concentreren zich vooral in de grote steden en groeien nog steeds snel.
[bewerken] Recente ontwikkelingen
Het SCP bracht in september 2006 een studie uit onder de titel: Godsdienstige veranderingen in Nederland. Het blijkt dat sedert de jaren 1960 het aantal kerkgangers in Nederland drastisch is gedaald. In het jaar 2000 was 62% van de Nederlanders niet verbonden met een of andere religie. Dit percentage loopt in 2020 op naar 72%. De Islam echter blijkt jaarlijks te groeien. In 2000 was 5% van de Nederlanders islamitisch. Dit loopt op naar 8% in 2020. De ontkerkelijking is een van de meest markante ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving van de twintigste eeuw.
In de laatste jaren lijkt er sprake van een heropleving van religieuze gevoelens in Nederland door de toestroom van allochtonen. Niet alleen onder moslims, hindoes maar ook door de stichting van een scala aan nieuwe allochtone christelijke kerkgemeenschappen, zoals blijkt uit de wens naar nieuwe (gedeeltelijk reeds gerealiseerde) kerkgebouwen in Amsterdam (Bijlmer) en Den Haag (Binckhorst). De religieuze beleving onder autochtonen is vergeleken met vijftig jaar geleden zeer sterk afgenomen: dopen, trouwen in de kerk en het wekelijkse kerkbezoek zijn voor autochtonen iets van vroeger, ook voor die autochtonen die aangeven gelovig te zijn in de CBS steekproeven. Vooral het verplichte wekelijkse zondagse kerkbezoek wordt tegenwoordig niet meer nageleefd (kerkbezoek in Nederland is beduidend minder dan 10 %). Een uitzondering op deze ontwikkelingen vormen de orthodoxe christelijke gelovigen, voor wie godsdienst inclusief de zondagsplicht voor velen nog steeds een centrale plaats inneemt in het leven. Echter in deze laatste groep neemt het aantal keren dat men op een zondag naar de kerk gaat sterk af, verschillende kerken zijn al gestopt met het organiseren van een derde en sommige al met de tweede zondagse kerkdienst vanwege de afnemende belangstelling.
[bewerken] Statistieken van het CBS
Volgens de meest recente steekproeven van het CBS beschouwde in 2007 28% van de bevolking zich als katholiek, 19% als protestant (hervormd, gereformeerd of luthers), 5% als moslim,[2] 4% rekende zich tot een andere religie (hindoes, boeddhisten, joden en kleinere (orthodoxe) christelijke kerkgenootschappen) en 44% - de grootste groep - tot geen enkele religie.
De gegevens tot 1971 zijn afkomstig uit de tienjaarlijkse volkstellingen, de schattingen na 1971 zijn afkomstig uit het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Dit is een jaarlijkse representatief geachte enquête over de leefsituatie van de bevolking, waarvoor elk jaar zo'n tienduizend mensen worden ondervraagd, onder meer over kerkelijkheid. Hierbij worden de non-response antwoorden genegeerd. Ongeveer een derde van de ondervraagden geeft geen antwoord op de vraag welke religie/godsdienst men heeft.
[bewerken] Historisch verloop nationaal
| Volkstelling | Calvinistisch | Overig protestants | Katholiek | Andere godsdiensten | |||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Jaar | Nederl.- hervormd |
Gerefor- meerd |
Remon- strants |
Luthers | Doops- gezind |
Overig | Rooms- katholiek |
Oud- katholiek |
Israël. (joods) |
Islam. | Overig / onbekend |
Geen gezindte |
Totaal |
| 1809 | 55,5% [3] | zie Overig | 38,1% | zie Overig | 6,4% | 0,0% | 100,0% | ||||||
| 01-01-1830 | 1.544.888 59,1% |
1.019.108 39,0% |
46.397 1,8% |
- | 3.094 0,1% |
2.613.487 100,0% |
|||||||
| 01-01-1840 | 1.704.275 59,6% |
1.100.616 38,5% |
52.245 1,8% |
- | 3.314 0,1% |
2.860.559 100,0% |
|||||||
| 19-11-1849 | 1.676.682 54,8% |
40.308 1,3% |
4.909 0,2% |
62.537 2,0% |
38.575 1,3% |
1.849 0,1% |
1.166.256 38,2% |
5.668 0,2% |
58.626 1,9% |
- | 1.469 0,0% |
3.056.879 100,0% |
|
| 31-12-1859 | 1.817.996 55,2% |
65.520 2,0% |
5.270 0,2% |
64.140 1,9% |
41.815 1,3% |
1.434 0,0% |
1.225.171 37,2% |
5.337 0,2% |
63.427 1,9% |
- | 3.467 0,1% |
3.309.128 100,0% |
|
| 01-12-1869 | 1.967.110 55,0% |
107.123 3,0% |
5.486 0,2% |
68.067 1,9% |
44.227 1,2% |
1.268 0,0% |
1.307.765 36,5% |
5.287 0,1% |
68.003 1,9% |
- | 5.193 0,1% |
3.579.529 100,0% |
|
| 31-12-1879 | 2.196.599 54,7% |
139.903 3,5% |
9.678 0,2% |
71.815 1,8% |
50.705 1,3% |
3.992 0,1% |
1.439.137 35,9% |
6.251 0,2% |
81.693 2,0% |
49 0,0% |
618 0,0% |
12.253 0,3% |
4.012.693 100,0% |
| 31-12-1889 | 2.204.948 48,9% |
370.268 8,2% |
14.889 0,3% |
83.879 1,9% |
53.572 1,2% |
vanaf hier: zie Overig |
1.596.482 35,4% |
7.687 0,2% |
97.324 2,2% |
47 0,0% |
16.234 0,4% |
66.085 1,5% |
4.511.415 100,0% |
| 31-12-1899 | 2.480.878 48,6% |
415.758 8,1% |
20.807 0,4% |
92.897 1,8% |
57.789 1,1% |
- | 1.790.161 35,1% |
8.754 0,2% |
103.988 2,0% |
- | 17.926 0,4% |
115.179 2,3% |
5.104.137 100,0% |
| 31-12-1909 | 2.597.921 44,3% |
567.439 9,7% |
27.450 0,5% |
97.700 1,7% |
64.245 1,1% |
- | 2.053.021 35,0% |
10.082 0,2% |
106.409 1,8% |
54 0,0% |
42.894 0,7% |
290.960 5,0% |
5.858.175 100,0% |
| 31-12-1920 | 2.835.595 41,3% |
655.370 9,5% |
31.215 0,5% |
102.492 1,5% |
67.769 1,0% |
- | 2.444.583 35,6% |
10.461 0,2% |
115.223 1,7% |
- | 68.892 1,0% |
533.714 7,8% |
6.865.314 100,0% |
| 31-12-1930 | 2.744.288 34,6% |
742.189 9,4% |
29.719 0,4% |
90.267 1,1% |
62.012 0,8% |
- | 2.890.022 36,4% |
10.182 0,1% |
111.917 1,4% |
- | 110.576 1,4% |
1.144.393 14,4% |
7.935.565 100,0% |
| 31-05-1947 | 2.962.906 30,8% |
935.956 9,7% |
40.044 0,4% |
69.526 0,7% |
67.420 0,7% |
- | 3.703.572 38,5% |
11.360 0,1% |
14.346 0,1% |
- | 179.155 1,9% |
1.641.214 17,1% |
9.625.499 100,0% |
| 31-05-1960 | 3.243.519 28,3% |
1.068.600 9,3% |
38.609 0,3% |
67.112 0,6% |
62.928 0,5% |
192.344 1,7% |
4.634.478 40,4% |
10.584 0,1% |
14.503 0,1% |
1.399 0,0% |
25.653 0,2% |
2.102.235 18,3% |
11.461.964 100,0% |
| 28-02-1971 | 3.077.070 23,6% |
1.225.030 9,4% |
25.755 0,2% |
40.700 0,3% |
43.345 0,3% |
270.435 2,1% |
5.273.665 40,4% |
8.015 0,1% |
4.835 0,0% |
53.975 0,4% |
35.760 0,3% |
3.078.645 23,6% |
13.060.115 100,0% |
| Bronnen: - www.volkstellingen.nl - Knippenberg, H. (1992): De Religieuze Kaart van Nederland. Assen: Koninklijke Van Gorcum |
|||||||||||||
| Jaar | Hervormd | Gereform. | Prot. Kerk | R-katholiek | Overig[4] | Moslims[5] | Geen |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1975 | 23 | 10 | - | 38 | 3 | - | 26 |
| 1980 | 21 | 9 | - | 38 | 5 | - | 26 |
| 1985 | 19 | 9 | - | 37 | 5 | - | 31 |
| 1990 | 17 | 8 | - | 33 | 5 | - | 38 |
| 1995 | 14 | 7 | - | 33 | 8 | - | 40 |
| 2000 | 14 | 7 | - | 32 | 8 | - | 41 |
| 2005 | 11 | 5 | [6] 5 | 29 | 4 | 5 | 42 |
| 2006 | 9 | 4 | 5 | 30 | 3 | 5 | 43 |
| 2007 | 9 | 4 | 6 | 28 | 4 | 5 | 44 |
| Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek | |||||||
[bewerken] Historisch verloop regionaal
| Volkstelling 1809 | Volkstelling 1899 | Volkstelling 1971 | Steekproef 2002/2003 | |||||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Provincie | NHK | RKK | Overig | Geen | NHK | Geref | RKK | Overig | Geen | NHK | Geref | RKK | Overig | Geen | NHK | Geref | RKK | Overig | Moslims | Geen | ||||
| Groningen | 87 | 8 | 6 | - | 66 | 16 | 7 | 6 | 4 | 28 | 16 | 7 | 5 | 39 | 13 | 15 | 6 | 5 | 2 | 59 | ||||
| Friesland | 82 | 9 | 9 | 0 | 60 | 18 | 7 | 6 | 7 | 30 | 22 | 8 | 9 | 31 | 18 | 18 | 8 | 6 | 2 | 48 | ||||
| Drenthe | 97 | 1 | 2 | - | 75 | 13 | 6 | 3 | 1 | 42 | 13 | 10 | 9 | 27 | 23 | 13 | 10 | 4 | 2 | 49 | ||||
| Flevoland | - | - | - | - | - | - | - | - | - | - | - | - | - | - | 10 | 12 | 14 | 5 | 6 | 53 | ||||
| Overijssel | 62 | 34 | 3 | - | 59 | 9 | 27 | 4 | 1 | 31 | 8 | 32 | 10 | 20 | 20 | 10 | 27 | 4 | 4 | 35 | ||||
| Gelderland | 62 | 36 | 2 | - | 56 | 5 | 36 | 3 | 1 | 35 | 6 | 38 | 7 | 14 | 22 | 8 | 28 | 3 | 4 | 35 | ||||
| Utrecht | 56 | 39 | 5 | - | 54 | 8 | 33 | 4 | 1 | 29 | 8 | 31 | 11 | 23 | 16 | 8 | 21 | 4 | 7 | 44 | ||||
| Noord-Holland | 54 | 26 | 20 | 0 | 46 | 6 | 27 | 17 | 4 | 15 | 6 | 30 | 9 | 41 | 7 | 4 | 20 | 3 | 8 | 58 | ||||
| Zuid-Holland | 72 | 23 | 5 | 0 | 60 | 9 | 24 | 5 | 2 | 30 | 8 | 24 | 9 | 29 | 16 | 7 | 18 | 5 | 8 | 46 | ||||
| Zeeland | 78 | 20 | 2 | 0 | 58 | 11 | 25 | 3 | 1 | 38 | 11 | 27 | 6 | 13 | 24 | 12 | 21 | 4 | 2 | 36 | ||||
| Noord-Brabant | 12 | 88 | 1 | 0 | 9 | 2 | 88 | 1 | 0 | 6 | 2 | 85 | 3 | 5 | 4 | 2 | 64 | 1 | 4 | 24 | ||||
| Limburg | 1 | 98 | 1 | - | 1 | 0 | 98 | 1 | 0 | 3 | 1 | 92 | 4 | 3 | 1 | 1 | 78 | 1 | 4 | 15 | ||||
| NEDERLAND | 55,5 | 38,1 | 6,4 | 0,0 | 48,4 | 8,1 | 35,1 | 6,1 | 2,3 | 23,5 | 9,4 | 40,4 | 3,1 | 23,6 | 13 | 7 | 30 | 3 | 6 | 41 | ||||
| Bronnen: - Centraal Bureau voor de Statistiek - Knippenberg, H. (1992): De Religieuze Kaart van Nederland. Assen: Koninklijke Van Gorcum. - Iets meer dan de helft van de Nederlandse bevolking was nog lid van een christelijke kerk volgens de meest recente (echter verouderde) beschikbare regionale (2002/2003) steekproef van het CBS. Volgens de meest recente cijfers van het CBS is het aantal Nederlanders zonder religie sindsdien verder toegenomen naar 44 % waardoor het aantal christenen is afgenomen tot minder dan de helft van de Nederlandse bevolking, zie elders op deze pagina. In 2002, 2003 was in drie noordelijke provincies een meerderheid niet gelovig, terwijl in de twee zuidelijke provincies (Noord-Brabant en Limburg) katholieken in de meerderheid waren. |
||||||||||||||||||||||||
[bewerken] Statistieken: ledenregistratie
(gebaseerd op Geloven in het publieke domein (2006) door de WRR)
██ Rooms-Katholiek - 27,0%
██ Protestant - 16,6%
██ Moslim - 5,7% [7]
██ Hindoe- 1,3%
██ Boeddhist - 1,0%
██ Zonder religie - 48,4%
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid publiceerde in het in december 2006 verschenen rapport Geloven in het publieke domein[8] een zeer uitgebreid overzicht van de ledenaantallen van de verschillende religies in Nederland per eind 2005 met voor zover bekend een onderverdeling naar de verschillende geloofsgemeenschappen (met een ledenaantal groter dan 10.000). Volgens het onderzoek van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid rapport telde Nederland per eind 2005 circa 7,132 miljoen christenen (44 procent) van de Nederlandse bevolking en circa 950.000 moslims, (bijna 6 procent) van de bevolking. Daarnaast waren en nog een paar kleinere geloofsgemeenschappen (hindoes, boeddhisten, joden), de grootste groep zijn de diegenen zonder religie (circa 48 % van de Nederlandse bevolking).
Onderstaande gegevens over ledentallen van de verschillende religieuze groeperingen zijn voor het jaar 2005 ontleend aan bovengenoemd rapport en aangevuld (voor kleinere genootschappen met cijfers van deze genootschappen zelf) en voor zover bekend aangevuld met meer recente cijfers wederom zoals gerapporteerd door de verschillende geloofsgemeenschappen.
Zoals de tabel laat zien rapporteren bijna alle christelijke groeperingen hetzij een afname van het aantal leden of een nagenoeg gelijkblijvend ledenaantal, de uitzondering is de Gereformeerde Gemeenten in Nederland die (gemeten naar haar grootte) een sterke groei vertoont. Echter met name door het verlies aan leden van de twee grote kerken, dat zijn de Rooms-katholiek Kerkgenootschap in Nederland met een ledenverlies van meer dan 300 duizend leden tussen eind 2005 en begin 2010 en de Protestantse Kerk in Nederland met een ledenverlies van ruim 150 duizend leden neemt het aantal christenen in Nederland af, van circa 7,1 miljoen (44%) per eind 2005 naar 6,7 miljoen per begin 2010.
[bewerken] Overige statistieken
[bewerken] Kerksheid
De statistieken over kerksheid of mate van kerkbezoek zijn net als de kerkelijkheidsstatistieken gebaseerd op wat mensen zelf aangeven over de regelmaat van hun kerkbezoek. Deze gegevens zijn afkomstig uit het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS) van het CBS.
Als kerks wordt beschouwd iedereen die eenmaal per maand of vaker een kerk- of andere levensbeschouwelijke dienst bezoekt. De gegeven percentages verhouden zich tot de totale bevolking.
| Jaar | Hervormd | Gereform. | Prot. Kerk | R-katholiek | Overig (moslims, hindoes , etc) | Totaal |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1971 | 8 | 7 | - | 20 | 2 | 37 |
| 1975 | 8 | 8 | - | 20 | 3 | 39 |
| 1980 | 8 | 7 | - | 20 | 3 | 38 |
| 1985 | 7 | 7 | - | 16 | 3 | 33 |
| 1990 | 6 | 6 | - | 13 | 3 | 28 |
| 1995 | 5 | 4 | - | 11 | 4 | 24 |
| 2000 | 5 | 5 | - | 9 | 4 | 23 |
| 2004 | 3 | 3 | [6] 2 | 7 | 4 | 19 |
| 2009 | 2 | 2 | 4 | 5 | 4 | 17 |
| Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek | ||||||
[bewerken] Voorgangers
| Naam | Leden | Voorgangers |
|---|---|---|
| CHRISTENDOM | ||
| Rooms-Katholiek Kerkgenootschap in Nederland | 4.352.000 | 1.863 |
| Rooms-Katholiek Kerkgenootschap in Nederland | 4.212.000 (2009) | 1.080 (2009) |
| Protestantse Kerk in Nederland | 1.944.000 | 2.173 |
| Orthodox-gereformeerde kerken | 238.000 | 541 |
| Bevindelijk-gereformeerde kerken | 221.000 | 117 |
| Evangelische en pinksterkerken | 148.000 | ? |
| Vrijzinnige kerken | 19.000 | 177 |
| Overige kerkgenootschappen | 156.000 | ? |
| ISLAM | ||
| Turkse moslims | 325.000 | 245 |
| Marokkaanse moslims | 260.000 | 150 |
| Overige moslims | 265.000 | 58 |
| OVERIGE RELIGIES | ||
| Hindoeïsme | 100.000 | 250 |
| Jodendom | 43.000 | 26 |
| Bron: Katholiek Sociaal-Kerkelijk Instituut (KASKI) | ||
[bewerken] Zie ook
- Christelijke denominaties in Nederland
- Islam in Nederland
- Boeddhisme in Nederland
- Hindoeïsme in Nederland
[bewerken] Externe links
- Volkstellingen in Nederland 1795 - 1971 op www.volkstellingen.nl
- Statline, de statistische databank van het CBS
- Geloven in het publieke domein: verkenningen van een dubbele transformatie (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid)
- Katholiek Sociaal-Kerkelijk Instituut (KASKI), onderzoek en advies over religie en samenleving
Literatuur
Noten
|