Geschiedenis van Amsterdam

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Amsterdam in 1538. Deze plattegrond, gemaakt door Cornelis Anthoniszoon, is de oudste stadsplattegrond van Amsterdam. Hierop is het voltooide middeleeuwse Amsterdam (met stadsmuur en poorten) te zien. Zoals vroeger gebruikelijk was, wordt de stad getekend vanaf het IJ, dus met het noorden aan de onderzijde.
Amsterdam en omgeving in 1850. De stad ligt nog binnen de omwalling langs de Singelgracht. De grote wateren, het Haarlemmermeer en het IJ, zijn nog niet drooggemaakt. Een groot deel van het nog landelijke groene gebied is sindsdien bebouwd.
Amsterdam in 2006. Luchtfoto van de Grachtengordel en de Binnenstad met het IJ aan de bovenzijde. Foto: bmz.amsterdam.nl.

De geschiedenis van Amsterdam beschrijft hoe Amsterdam zich vanaf de middeleeuwen ontwikkelde tot een van de grootste handelssteden ter wereld in de Gouden Eeuw, tot de hoofdstad van Nederland en een stad met nu ruim 800.000 inwoners.

Etymologie[bewerken]

"Amsterdam" betekent dam in de Amstel. Vroegere spellingswijzen van Amsterdam zijn Aemstelredam, Aemstelredamme, Amestelledamme, Amstelredam, Amstelredamme, en Amsteldam.

Vroegste geschiedenis[bewerken]

Recent archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat al lang voordat van Amsterdam sprake was er al bewoning was in de omgeving van de (latere) Amstel en het IJ. Bij het graven van tunnels en ondergrondse stations voor de Noord/Zuidlijn van de Amsterdamse metro zijn door de archeologen van de Gemeente Amsterdam, onder leiding van stadsarcheoloog prof. dr. Jerzy Gawronski, veel voorwerpen van grote diepte naar boven gehaald uit de bodem van de rivier de Amstel, daar waar nu het Damrak en het Rokin liggen. Archeologische vondsten zijn er uit de Nieuwe steentijd, tot zo'n 4.600 jaar geleden en uit de Romeinse tijd, van circa 2.000 jaar geleden.[1]

De geschiedenis van het eigenlijke Amsterdam begint omstreeks het jaar 1000. Toen werd dit moerassige gebied, Aemestelle genoemd, vanuit de Utrechtse regio stukje bij beetje ontgonnen. Vanaf verschillende bestaande veenstromen werden aan weerszijden afwateringssloten gegraven en ontstond een boerengemeenschap van landontginners, zoals ook elders in het veengebied tussen het Gooi en de Hollandse duinen. Toen het veen als gevolg van ontwatering begon in te klinken moesten dijken worden aangelegd om het inmiddels lager gelegen land tegen het water te beschermen.[2]

In de 13e eeuw leidde dit tot aanleg van dijken langs de Zuiderzee en het IJ. In de monding van de Amstel kwam een dam te liggen. Een deel van de Amstel zoals we die nu kennen zou mogelijk gegraven kunnen zijn. Dit werd de basis van een handelsnederzetting die uiteindelijk tot de machtige handelsstad Amsterdam zou uitgroeien.

Op de dijk langs de westoever (nu de Nieuwendijk) verrezen rond 1225 de uit archeologisch onderzoek oudste bekende (houten) huizen van Amsterdam die niet aan agrarische doeleinden waren gerelateerd. Wat later raakte ook de dijk aan de oostkant bewoond (nu Warmoesstraat). Tussen beide oevers werd, rond 1250, een dam met sluizen gebouwd (de huidige Dam). De monding van de Amstel, het huidige Damrak, werd zo de eerste zeehaven van de kleine nederzetting. Het Rokin, aan de landzijde van de Dam, werd een binnenhaven.

Late middeleeuwen[bewerken]

Oudste schriftelijke vermelding[bewerken]

Impressie van hoe men in de 18e eeuw dacht dat Amsterdam er rond het jaar 1300 uit zag.

De eerste schriftelijke vermelding van het toen nog Aemstelledam genoemde dorp was in 1275, toen op 27 oktober graaf Floris V van Holland de bewoners tolvrijheid verleende. De Amsterdammers leefden toen voornamelijk van de handel, scheepvaart en visserij. De tolvrijheid gaf de mensen rond de Aemstelledamme het recht op vrije vaart door het graafschap Holland, zonder ergens tol te hoeven betalen.

Bestuurlijk viel het Amstelland destijds onder het Sticht Utrecht. De tolvrijheidverlening kan dan ook gezien worden als een politieke stap van Floris tegen de heren van Amstel, de bestuurders namens Utrecht die zich steeds onafhankelijker van Holland en Utrecht opstelden. Na de moord op Floris V in 1296 viel het Amstelland weer onder het Sticht.

Stadsrechten[bewerken]

Het Mirakel van Amsterdam op 15 maart 1345.

Over de precieze datum is onduidelijkheid, maar rond 1300 (mogelijk 1306) verleende de Utrechtse bisschop Gwijde van Avesnes Amsterdam stadsrechten. Eigenlijk kan niet meer gezegd worden dan dat het tijdstip ligt kort na 1300.[3]

Na zijn dood erfde graaf Willem III het Amstelland, waarna Amsterdam definitief een Hollandse stad was. In 1323 stelde Willem III een tol in op de handel van bier uit Hamburg. De contacten die de stad met bierhandel opdeed, vormden de basis voor de handel op het Oostzeegebied, waar de Amsterdammers in de loop van de 14e en 15e eeuw steeds meer hout en graan vandaan haalden. Graaf Willem IV verleende Amsterdam in het jaar 1342 het "Groot Privilege", hetgeen de positie van de stad zeer versterkte. In de 15e eeuw was de stad de grootste graanschuur van de Noordelijke Nederlanden geworden en de belangrijkste handelsstad van Holland.

Het vroege Amsterdam van rond 1300 bestond uit zes buurtschappen: ten westen van de Amstel Windmolenzijde bij de Nieuwezijds Kolk, Kalverstraat bij de Dam en Bindwijk bij het Spui, en ten oosten Kerkzijde bij de Oude Kerk, Gansoord bij de Dam en Grimmenes bij de Grimburgwal bij de bocht in de Amstel.[4]

Groei[bewerken]

Kerken en kloosters (resp. zwart en rood) in het middeleeuwse Amsterdam

De oorspronkelijke bebouwing bevond zich, zoals gezegd, aan weerszijden van de Amstelmonding, langs de huidige Nieuwendijk en Warmoesstraat. Door de handel groeide de stad en werden parallel aan het Damrak grachten gegraven en wallen opgeworpen voor nieuwe bebouwing: de huidige Oude- en Nieuwezijds Voor- en Achterburgwallen. In 1300 telde het dorp ongeveer 1.000 inwoners; rond 1400 waren dat er 3.000.

Van hout naar steen[bewerken]

In 1421 en 1452 vonden in Amsterdam grote stadsbranden plaats, waarbij een groot deel van de stad, bestaande uit houten huizen, afbrandde. De wederopbouw strekte zich uit over vele decennia. Voortaan waren houten gevels en rieten daken vanwege het brandgevaar niet meer toegestaan. Ook werden steeds meer gevaarlijke en overlastgevende bedrijven naar de rand van de stad verbannen. Wel behielden veel huizen een houten skelet dat veelal eeuwen meeging en vaak ouder is dan de later toegevoegde stenen gevels. Lang werd aangenomen dat het oudste nog bestaande huis in Amsterdam het 'houten huis' aan het Begijnhof was. Dit bleek minder oud dan gedacht en dateert uit circa 1530. In juni 2012 werd een veel ouder houten huis aan de Warmoesstraat uit circa 1485 'ontdekt', zodat er in Amsterdam toch nog een woonhuis uit de 15e eeuw bestaat. Dit gaat schuil achter een onopvallende 19e-eeuwse gevel.[5] De Warmoesstraat werd aan het eind van de Middeleeuwen de rijkste straat van Amsterdam, totdat deze in de 17e eeuw door de Grachtengordel werd overvleugeld. Tegen het einde van de 15e eeuw werd een nieuwe ring rond de stad aangelegd: Singel, Kloveniersburgwal en Geldersekade.

Religieus centrum[bewerken]

Naast handelsstad werd Amsterdam ook een religieus centrum. Belangrijkste aanleiding daarvoor was het Mirakel van Amsterdam, dat zich in maart 1345 zou hebben afgespeeld in een huis in de Kalverstraat. Een in het vuur geworpen hostie zou volgens de overlevering niet verbrand zijn. De stad telde ruim twintig kloosters en een aantal kerken, waarvan de Oude en Nieuwe Kerk de grootste waren.

Burgerlijk bestuur[bewerken]

De stad kreeg al snel een traditie van burgerlijk bestuur, met een belangrijke rol voor de vroedschap: een college van vooraanstaande burgers die keuren uitvaardigden en jaarlijks de nieuwe burgemeesters benoemden. Amsterdam was dus een oligarchie. De leden van de vroedschap kozen zelf nieuwe leden voor hun gezelschap (coöptatie). De schepenen, die belast waren met de rechtspraak, werden benoemd door de stadhouder van Holland.

Gouden Eeuw[bewerken]

Grote bloei[bewerken]

Amsterdam in 1544
Amsterdam in 1560
Amsterdam in 1649
Amsterdam eind 17e eeuw.

In de 16e eeuw keerde de stad zich aanvankelijk tegen de reformatie, ook al werd enthousiast meegedaan met de Beeldenstorm in 1566. De stad stond aan de zijde van de Spaanse koning Filips II tussen het begin van de Opstand tegen Spanje (1568, het begin van de Tachtigjarige Oorlog) en de Satisfactie van 1578, waarna de stad zich verzoende met de overige steden van Holland. Handelsbelangen speelden een belangrijke rol bij de ommezwaai, bekend als de Alteratie, omdat Amsterdam geïsoleerd raakte en andere steden de handel over dreigden te nemen.

De val van Antwerpen in 1585 bood Amsterdam ongekende kansen. Antwerpen was tot dan toe de voornaamste handelsstad in de regio, maar met de val van Antwerpen nam Amsterdam die positie over. Veel Antwerpse kooplieden kozen domicilie in Amsterdam; door de blokkade van de Schelde door de Geuzen slonk de invloed van Antwerpen nog verder. In welke mate de migratie van de Antwerpse (en andere Zuid-Nederlandse) kooplieden bijdroeg tot de opkomst van Amsterdam blijft een punt van discussie. Sommigen menen dat hun rol niet doorslaggevend was.[6] Anderen zijn van mening dat deze migratiebeweging de noodzakelijke expertise (in het bijzonder over financiële markten en verzekeringen) en internationale handelscontacten heeft aangebracht die Amsterdam zijn welvaart zouden schenken.[7] Een periode van ongekende bloei en expansie brak aan voor Holland en Amsterdam, beter bekend als de Gouden Eeuw.
Ook veel Portugese of Sefardische Joden vluchtten naar Amsterdam en namen hun handelsnetwerk mee. Waar het de katholieken verboden was om kerken te bouwen, werden synagoges gedoogd, een uitzonderlijke situatie in het Europa van die dagen.

Naast de Oostzeehandel werden nieuwe contacten gezocht. In 1595 stuurden Amsterdamse kooplieden Cornelis de Houtman naar Indië; Amsterdam werd de grootste aandeelhouder in de in 1602 opgerichte Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), de eerste NV ter wereld. Naast de VOC ontstonden in de Gouden Eeuw ook de Wisselbank en winkels zoals Ship Chandlers Warehouse. Amsterdam was daarmee niet alleen de belangrijkste handelsstad, maar ook het financiële centrum van het toenmalig Europa.

In de Gouden Eeuw bloeide ook de kunst, een kleine greep uit de kunstenaars die in die tijd in Amsterdam leefden: de schrijvers/dichters P.C. Hooft, Joost van den Vondel en Bredero, de schilder Rembrandt en de componist Sweelinck. In 1632 werd het Athenaeum Illustre geopend, de voorloper van de Universiteit van Amsterdam.

Stadsuitbreidingen[bewerken]

Tegen het einde van de 16e eeuw was de stad vooral aan de oostzijde gegroeid, voorheen de Lastage genoemd. In de 17e eeuw groeide de bevolking van 30.000 naar 210.000 inwoners. De laatste grote epidemie van de pest kostte in 1664 nog 10% van de bevolking het leven. De regenten planden een forse stadsuitbreiding en tussen 1612 en 1663 kwam in twee fasen de karakteristieke Amsterdamse grachtengordel tot stand, eerst tot aan de huidige Leidsegracht, vanaf 1658 doorgetrokken tot aan de Amstel. Aan de parallel lopende Heren-, Keizers- en Prinsengracht had zich vooral de gegoede burgerij gevestigd. Ontwerper van de grote stadsuitbreiding van 1658 was de toenmalige stadsarchitect Daniël Stalpaert. Voor de stadsuitbreiding heeft Amsterdam natuurlijk arbeiders nodig. Immigranten – uit binnen- en buitenland – werden aangetrokken door Amsterdam. Deze vestigden zich in krappe huizen in de drassige buurt ten Westen van de grachtengordel, de Jordaan is daar een voorbeeld van.[8] De beroemde Amsterdamse grachtengordel staat sinds 1 augustus 2010 op de UNESCO Werelderfgoedlijst.[9]

In 1655 werd een nieuw stadhuis in gebruik genomen, gebouwd op de Dam naar een ontwerp van bouwmeester Jacob van Campen.

Consolidatie[bewerken]

Amsterdam en omgeving rond 1770.

Van 1650 tot 1850 groeide het oppervlak van de stad Amsterdam niet veel, toch was er geen sprake van stagnatie. Het inwoneraantal bleef groeien en ook de rijkdom van Amsterdam werd in eerste instantie geconsolideerd. De handel op Oost-Indië en met Frankrijk en Engeland bleef tot aan het einde van de 18e eeuw voor veel bedrijvigheid zorgen. Verder was de stad mede-eigenaar van de Sociëteit van Suriname. Ten behoeve van de suikerplantages daar werd vanuit Amsterdam deelgenomen aan de Transatlantische slavenhandel.

Aan de Zilveren Eeuw en de toppositie van Amsterdam kwam een einde met de Vierde Engelse Oorlog van 1780 tot 1784 en de Franse overheersing. De werkelijke neergang van Amsterdam ligt in de Bataafs-Franse tijd, toen de plaatselijke economie vrijwel stil kwam te liggen.

Negentiende eeuw[bewerken]

Franse tijd[bewerken]

Gemeente Amsterdam in 1866 in de Gemeente Atlas van Nederland van J. Kuyper.
Amsterdam in 1866 in de Gemeente Atlas van Nederland van J. Kuyper.

Napoleon Bonaparte kwam in Frankrijk in 1799 aan de macht, vanaf 1810 strekte zijn macht zich ook uit tot Nederland, toen dit land door het Keizerrijk Frankrijk werd geannexeerd. Amsterdam werd daarmee de 'derde stad van het keizerrijk'. Voordien had zich in 1795 de omwenteling van de oude Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden naar de Bataafse Republiek en in 1806 de overgang naar het Koninkrijk Holland voorgedaan. De handel en scheepvaart namen sterk af door de verzanding van de toegangsroutes voor de scheepvaart, door vermindering van de Koloniale handel, door de oorlogen van Frankrijk met Engeland en andere landen en vanaf 1806 door het Continentale Stelsel om de handel met Engeland te belemmeren. Pas met de opening van het door koning Willem I geïnitieerde Noordhollandsch Kanaal in 1824 nam het scheepvaartverkeer van en naar Amsterdam weer toe.

Napoleons broer Lodewijk Napoleon Bonaparte, koning van het Koninkrijk Holland (1806-1810), verklaarde bij zijn intrede in Den Haag op 23 juni 1806 Amsterdam tot hoofdstad. Op 20 april 1808 verhuisde hij naar de hoofdstad en nam hij zijn intrek in het stadhuis op de Dam, dat vanaf dat moment Koninklijk Paleis is.[10][11] De regering verhuisde mee. Buiten de aanzet tot de vorming van het Rijksmuseum, gebeurde er voor Amsterdam niet veel tijdens de vierjarige regeerperiode van Lodewijk Napoleon.[12]

Hoofdstad van het koninkrijk[bewerken]

Na de verdrijving van de Fransen in 1813 door Pruisische en Russische troepen, verkozen de verse monarchen van het geslacht Oranje Den Haag als residentie. Amsterdam bleef de hoofdstad van Nederland, tussen 1815 en 1830 samen met Brussel.

Koning Willem I wilde van Amsterdam weer een welvarende stad te maken. Amsterdam kreeg na de Belgische Opstand het monopolie op de handel met de koloniën en met grote infrastructurele werken werd de positie van de zeehaven verbeterd (Noordhollandsch Kanaal en Noordzeekanaal).

Sterke expansie, 19e-eeuwse-gordel[bewerken]

Plan Kalff: 19e-eeuwse-gordel
Amsterdam in 1901

Een decennialang geboorteoverschot, vernieuwing van de handel, nieuwe industrie, nieuwe vormen van bedrijvigheid (financiële dienstverlening) leidden tot een bevolkingsexplosie, van 180.000 in 1810 naar 520.000 in 1900. De stad was daar niet op berekend en raakte overvol. De leefomstandigheden bij de onderklasse van Amsterdam werden daardoor steeds erbarmelijker, en dat leidde rond 1850 tot de eerste kleinschalige filantropische initiatieven bij de gegoede burgerij om bijvoorbeeld de huisvesting en gezondheid van arbeiders te verbeteren. De stad zat economisch echter wel weer in de lift en steeds meer mensen trokken naar de hoofdstad om hun geluk te beproeven. Met de industrialisatie, vanaf omstreeks 1860, begon een nieuwe periode van expansie. De bevolkingsgroei kan vanaf dan voornamelijk verklaard worden door de industrialisatie en de trek naar de steden van landarbeiders vanaf het arme platteland. In de bestaande stad werden vele honderden arbeiderswoningen gebouwd door woningbouwverenigingen. De groei van de stad kreeg echter voornamelijk vorm door povere revolutiebouw van investeerders en speculanten in de uitbreidingswijken in de 19e-eeuwse-gordel. Na 1875 verrezen buiten de Singelgracht nieuwbouwwijken zoals de Pijp, de Dapperbuurt, de Kinkerbuurt en de Staatsliedenbuurt. Hiermee werd voor het eerst buiten de 17e-eeuwse stadsgrenzen getreden. De nieuwe wijken werden voornamelijk bewoond door de lagere middenklasse. De minstbedeelden vond men vooral in deels verpauperde buurten als de Jordaan en op de Oostelijke Eilanden (o.a. Kattenburg).

De sociale misstanden waar de industrialisatie mee gepaard ging, maakten Amsterdam tot een centrum van de Nederlandse sociaaldemocratie.

De oude havens rond het Damrak en bij de Westelijke en Oostelijke Eilanden waren veel te klein om de nieuwe groei op te vangen. Bovendien was in 1889 het Centraal Station geopend, met in 1874 een nieuwe spoorlijn richting Hilversum, die de stad scheidde van het IJ. In het oosten werden nieuwe haveneilanden aangelegd, het Oostelijk Havengebied. Daar was ruimte voor de stoomschepen die goederen van en naar Nederlands-Indië vervoerden, en die emigranten naar onder meer de Verenigde Staten brachten. Ook de noordoever van het IJ werd aan het einde van de negentiende eeuw bestemd voor nieuwe industrie en havens.

Twintigste eeuw[bewerken]

Het economisch herstel van Amsterdam zette door in de 20e eeuw. Een historische studie,[13] en een wetenschappelijke webpagina,[14] en verder enkele onbekende bronnen spreken zelfs van ‘De Tweede Gouden Eeuw’, begonnen in 1901 met de toekenning van de eerste Nobelprijs Scheikunde aan Jacobus van 't Hoff, geboren Rotterdammer, en beroemd geworden als professor scheikunde aan de Universiteit van Amsterdam. De bevolkingsgroei zette eveneens door: in 1930 telde Amsterdam zo’n 757.000 inwoners. In eerste instantie werd die groei opgevangen in de genoemde 19e-eeuwse gordel en in de Transvaalbuurt, de Indische Buurt en de Spaarndammerbuurt.

Annexaties en stadsuitbreidingen[bewerken]

Amsterdam met de uitbreidingen in de jaren twintig, inclusief niet uitgevoerde uitbreidingen in de Watergraafsmeer.

Door de gehele of gedeeltelijke annexatie van omliggende gemeenten, zoals Nieuwer-Amstel, Sloten, Watergraafsmeer, Buiksloot, Nieuwendam en Ransdorp in 1896 en 1921 kreeg de stad ruimte voor verdere uitbreiding. Onder andere dankzij de Woningwet van 1901 was de kwaliteit nu hoger dan in de 19e eeuw, en was het oogmerk de arbeiders een goede en gezonde woonomgeving te bieden (licht, lucht en ruimte). In deze periode kwam de woningbouw van de grond in Amsterdam-Noord, zoals de Van der Pekbuurt, Disteldorp, Vogeldorp, de Vogelbuurt, Tuindorp Oostzaan, Tuindorp Nieuwendam, Tuindorp Buiksloterham en Tuindorp Buiksloot. Na de Eerste Wereldoorlog werd er ook gebouwd in de Gordel '20-'40 met onder meer het Plan Zuid van Berlage (Amsterdamse School), Plan West en Watergraafsmeer (Betondorp).

In de jaren dertig werden plannen ontwikkeld voor verdere uitbreiding van de stad: het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP), uit 1934. De economische crisis in de jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog vertraagden uitvoering van het AUP.

Het AUP voorzag ook in de uitbreiding van de Amsterdamse haven in westelijke richting en aan de noordoever van het IJ. Langs het Noordzeekanaal ontstond het Westelijk Havengebied. Grote gebieden werden begin jaren zestig ten tijde van wethouder Joop den Uyl met zand opgespoten ten behoeve van de havenuitbreiding, maar bleven braak liggen, en kregen de bijnaam "het zand van Joop". Het ontruimde boerendorp Ruigoord werd gekraakt door kunstenaars.

Ten zuidwesten van de stad ontwikkelde zich in de in 1852 drooggemaakte Haarlemmermeer vanaf de jaren twintig het vliegveld Schiphol, dat in de loop der jaren uitgroeide tot grote luchthaven.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Amsterdam kende vóór de Tweede Wereldoorlog een omvangrijke joodse gemeenschap, die zich concentreerde in de Jodenbuurt in de oostelijke binnenstad, de Transvaalbuurt (Oost) en de Rivierenbuurt (Zuid). Tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van juni 1939 wist de NSB met een antisemitische campagne 6,91% van de stemmen te winnen.

De Tweede Wereldoorlog was de grootste tragedie in de geschiedenis van de stad. Ongeveer 110.000 Amsterdammers werden vermoord of stierven aan de gevolgen van de oorlog en de bezetting. Ongeveer 75.000 Amsterdamse joden overleefden de bezettingstijd niet. De jodenvervolging begon in Amsterdam in januari 1941. In Amsterdam werd door Joodsche Raad ingesteld, onder leiding van A. Asscher en prof. dr. David Cohen, geheel bestaande uit joden, die de jodenvervolging moest helpen uitvoeren. De eerste jodenvervolgingen in 1941 waren aanleiding tot massaal protest door middel van de Februaristaking van 25 februari in Amsterdam, de Zaanstreek en het Gooi. Enkele dagen daarvoor was er in Amsterdam-Noord al door metaalarbeiders gestaakt tegen de gedwongen tewerkstelling in Duitsland.

In Amsterdam werd ook het Nederlandse hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst (SD) van de SS gevestigd, belast met het vervolgen van joden en bestrijden van het verzet. De verzetsbeweging was in Amsterdam omvangrijk, en bracht groepen voort als Vrij Nederland met onder meer H.M. van Randwijk en het kunstenaarsverzet met Gerrit van der Veen. Er werden grote aanslagen gepleegd op belangrijke instellingen zoals de aanslag op het bevolkingsregister en de aanslag op het huis van bewaring (tweemaal). In Amsterdam was ook de roofbank Lippmann, Rosenthal & Co. (Sarphatistraat), die zich ten behoeve van de Duitsers van joodse tegoeden meester maakte gevestigd. De bankier Mr. Gijsbert van Hall (de latere burgemeester) was samen met zijn broer Walraven verantwoordelijk voor het opzetten van een uitgebreid en succesvol systeem van financiering van het verzet.

De bekendste joodse onderduikster ter wereld, Anne Frank, woonde aan het Merwedeplein totdat zij met haar familie in 1942 onderdook aan de Prinsengracht. Door verraad werd zij in 1944 ontdekt. Zij stierf aan uitputting en/of vlektyfus in het concentratiekamp Bergen-Belsen.

De hongerwinter eiste een hoge tol in de grootste stad van het land, die op geen enkele manier voldoende bevoorraad werd. Als gevolg van de Spoorwegstaking die begon in september 1944, en de daarop volgende weigering van de bezetter om voor de voedselvoorziening van West-Nederland in de winter 1944-'45 ondersteunende maatregelen te nemen, stierven daar 20.000 mensen.

Vergeleken met diverse andere Nederlandse steden (bijvoorbeeld Rotterdam, Arnhem, Den Haag) was de fysieke oorlogsschade door directe oorlogshandelingen in Amsterdam gering. Wel waren tijdens de hongerwinter duizenden leegstaande huizen van joden geplunderd en ontdaan van houtwerk zoals vloeren, deuren, leuningen en beschotten, om als brandstof te dienen. Ruim 5.000 huizen werden daardoor onbewoonbaar en slooprijp. De Jodenbuurt verdween als gevolg van de oorlog. Het joodse leven keerde slechts mondjesmaat terug.

Wederopbouw en jaren zestig[bewerken]

Plankaart van het Algemeen Uitbreidingsplan uit 1935

Na de oorlog werd het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) uit 1935 grotendeels uitgevoerd, zo verrezen in het westen de Westelijke Tuinsteden en in het zuiden Buitenveldert. Ook Amsterdam-Noord onderging een grote uitbreiding. Dit was mede mogelijk door bouw van de IJtunnel en andere oeververbindingen.

In de Bijlmermeer verrees een grote woonwijk volgens de toenmalige inzichten rond wonen, waar Amsterdammers niet direct warm voor liepen, men vond het duur en ver van de stad. In de jaren '70 werden de vele leegstaande flats betrokken door Surinamers, die in verband met de onafhankelijkheid van Suriname naar Nederland kwamen. Ook in andere opzichten werd Amsterdam in de jaren zestig een centrum van verzet, en wel tegen de overheersende 'burgerlijke' moraal en 'verwaande' gezagsdragers. Provo voerde ludieke acties tegen allerlei autoriteiten, variërend van politie-agenten tot de tabaksindustrie. In 1966 ontstonden de eerste opmerkelijke onlusten van na de oorlog: in maart een rookbom bij het huwelijk van Beatrix en Claus, en in juni de twee dagen durende Telegraafrellen, die het leven in het centrum geheel platlegden en een dode, vele tientallen gewonden plus grote materiële schade opleverden (onder meer verbrande Telegraafauto's). Als gevolg daarvan moesten de burgemeester en de hoofdcommissaris van politie aftreden. Studenten bezetten in navolging van voorbeelden uit het buitenland in 1968 het Maagdenhuis, het bestuurscentrum van de Universiteit van Amsterdam. Hippies sliepen op de Dam en in het Vondelpark.

Binnenstad[bewerken]

In de jaren vijftig en zestig was het idee voor city-vorming populair in brede politieke en stedenbouwkundige kringen: wonen in de binnenstad zou ondergeschikt moeten worden gemaakt aan economische functies. Megalomane ontwerpen voor doorbraken en dempingen zoals de plannen Jokinen en Kaasjager deden de ronde. Ook de bouw van een metronet was een onderdeel hiervan. In een aantal buurten kwamen buurtbewoners hier met succes tegen in verzet. Zo werd bijvoorbeeld de aanleg van een brede autoweg dwars door de Nieuwmarktbuurt voorkomen.

De plannen van de wethouders Roel de Wit en Joop den Uyl om in het kader van de krotopruiming een groot deel van de Jordaan te vervangen door kantoortorens en flats riepen veel weerstand op. Het "Jordaansentiment" was in de jaren '50 tot grote hoogte gestegen, en in de jaren '60 waren studenten en kunstenaars tussen de Jordanezen komen wonen. Wethouder Han Lammers haalde de plannen van tafel, waarna de machtige dienst Stadsontwikkeling haar oog liet vallen op de 19e-eeuwse gordel rond de binnenstad.

In de jaren '70 werd begonnen met de stadsvernieuwing: een proces van sloop en nieuwbouw, maar ook van grootschalige renovatie. Veel gezinnen vonden de woningen in de stad te klein en kozen voor groeikernen als Hoofddorp, Hoorn, Purmerend, Lelystad en Almere. Veel bedrijvigheid (bijvoorbeeld drukkerijen) en grote kantoren trokken eveneens de stad uit, op zoek naar ruimte en naar betere bereikbaarheid per auto.

In de stad bood dat ruimte aan mensen en bedrijvigheid waarvoor de stad een aantrekkelijke omgeving vormde. Buurten als de Jordaan werden concentratiegebieden van hoogopgeleide en goed verdienende jongeren die aangetrokken werden door de aantrekkelijke, historische woonomgeving met veel culturele voorzieningen; hun aanwezigheid versterkte het draagvlak voor horeca en allerlei andere dienstverlenende bedrijvigheid. Ook de grachtengordel herkreeg haar woonfunctie, waarbij de statige panden van binnen werden verbouwd tot appartementen. Banken, advocatenkantoren en verzekeringsmaatschappijen verlieten de grachten voor nieuwe torens aan de Zuidas. Deze ontwikkelde zich snel in weerwil van het streven om van de IJ-oevers een "Manhatten aan het IJ" te maken. In 1994 staakten B&W dit streven nadat de financier ING had afgehaakt.

en=== Verkeer === De groei van de stad alsook de toename van het verkeer noopten de gemeente tot doorbraken in de middeleeuwse stad. De Nieuwezijds Achterburgwal en de Nieuwezijds Voorburgwal waren al in 1882-1884 gedempt, terwijl enkele stegen achter het paleis plaatsmaakten voor de Raadhuisstraat en de Paleisstraat. Er rees verzet: de kunstschilder Jan Veth schreef het pamflet "Stedeschennis" tegen de demping van de Reguliersgracht, die niet doorging, waarna een lange strijd uitbrak tussen "dempers" en "niet-dempers". Het Damrak, de Elandsgracht, de Anjeliersgracht en de Rozengracht werden gedempt, waarna er weer werd getwist over het Rokin.

De rol van Amsterdam als economisch centrum in de Randstad zorgde voor enorme druk op de wegen in en rond de stad. Lokaal en interlokaal autoverkeer zocht zijn weg door de binnenstad. Sinds 1957 was er een vaste oeververbinding tussen Amsterdam-Noord en Amsterdam met de opening van de Schellingwouderbrug en de Amsterdamsebrug. De Weesperstraat en de Wibautstraat werden in de jaren zestig verbreed en aangewezen als verkeersaders voor lokaal en interlokaal verkeer.

Werknemers van Amsterdamse bedrijven woonden steeds vaker buiten de stad, en reisden dagelijks heen en weer tussen Amsterdam en hun woonplaats. De populariteit van de auto nam toe ten koste van die van de trein en de fiets. Autoforensen uit de plaatsen boven het Noordzeekanaal kregen te maken met lange wachttijden bij de ponten, totdat in 1966 de Coentunnel werd geopend en in 1968 de IJtunnel.

De Coentunnelweg was het eerste stuk snelweg dat in 1966 in gebruik werd genomen als onderdeel van een ringweg rond Amsterdam. Die bestond toen al op de tekentafels, maar omsloot Amsterdam pas in 1990 met de openstelling van de Ring Noord en Ring Oost. De sterke groei van het autoverkeer zorgde er echter voor dat Amsterdam sinds de jaren zestig nooit meer vrij is geweest van congestie en tekort aan parkeerruimte.

Treinreizigers uit de andere gemeenten boven het Noordzeekanaal kwamen grotendeels via de Hembrug de stad binnen, totdat in 1983 de Hemtunnel gereed kwam. De Schiphollijn opende in 1978 en vormde het eerste deel van de nieuwe spoorwegverbinding tussen Amsterdam en de flink gegroeide luchthaven. In 1986 kwam er met de ingebruikname van de Westelijke Tak van de Amsterdamse Ringspoorbaan een rechtstreekse verbinding tussen Schiphol en Amsterdam CS. In 1993 werd de zuidtak van de Ringspoorbaan verlengd van Amsterdam RAI via Duivendrecht en Diemen Zuid naar Weesp. Sindsdien is er vanuit Schiphol een verbinding in de richting Amsterdam Zuid – Weesp, en vervolgens naar Almere of Hilversum.

De Fiets en de tram bleven een voorname rol spelen in de mobiliteit van de Amsterdammer. Met de aanleg van een metrostelsel door de stad werd in 1970 begonnen, allereerst om de Bijlmer een verbinding met de stad te geven.

Begin jaren negentig leidde een Verkeerscirculatieplan (VCP) van de gemeenteraad tot heftig verzet in de stad. Op 25 maart 1992 koos de bevolking in een referendum voor een autoluwe binnenstad, waarna de bouwplannen voor een aantal parkeergarages werden geschrapt. De gemeenteraad besloot, dat het autoverkeer in tien jaar met 35% moest worden teruggedrongen. Het betaald parkeren werd sterk uitgebreid en breidt zich nog steeds uit en er kwam een netwerk van fietspaden. Zo groeide Amsterdam uit tot fietshoofdstad van de wereld, waar bestuurders van steden als Parijs, Londen en New York kwamen kijken hoe dat verkeersmodel werkte.

Verandering van de bevolkingssamenstelling[bewerken]

De stad veranderde niet alleen demografisch (kleinere huishoudens, minder gezinnen), maar ook etnisch. Vanaf 1910 was er al een klein Chinatown rondom de Binnen Bantammerstraat ontstaan, die zich vanaf de jaren zestig uitbreidde naar de Geldersekade en de Zeedijk.

In de jaren vijftig en zestig kwamen er gastarbeiders uit vooral mediterrane landen als Spanje en Italië. Zij werden in de jaren zestig en zeventig gevolgd door mannen uit Turkije en Marokko. Vooral door de gezinshereniging en de grotere gezinnen, liep het aandeel van de mediterrane allochtonen in de bevolking snel op.

Een andere nieuwe groep werd gevormd door de Surinamers. Vooral vlak voor en na de onafhankelijkheid van Suriname (1975) trokken velen van hen naar Nederland, en vooral naar Amsterdam. Veel Surinamers vonden woonruimte in de Bijlmer. Deze hoogbouwwijk werd in de jaren zestig en zeventig aangelegd met het oog op gezinnen uit de stad, maar kampte met leegstand omdat de meeste Nederlandse gezinnen een doorzonwoning met een tuin in een groeikern verkozen, boven een woning driehoog achter of in een galerijflat. Later verspreiden de Surinamers zich meer en verhuisden naar Amsterdam Noord en Almere. De Bijlmer bleef een zwarte wijk, maar nu bewoond door mensen uit Afrikaanse landen als Ghana en Nigeria.

Door de vele internationale bedrijven kwam er ook veel buitenlands personeel naar de stad. Er wonen grote groepen ex-pats uit landen als Japan, Duitsland, Engeland en de Amerika in de stad. Plus nog vluchtelingen uit de oorlogsgebieden van bijvoorbeeld Joegoslavië, Irak, Afghanistan. Er kwam een internationale school en het tweetalig onderwijs nam toe. Ook de universiteiten trokken steeds meer buitenlands personeel en buitenlandse studenten, mede door hun gedeeltelijk Engelstalige lesaanbod.

Door dit alles werd Amsterdam steeds internationaler met meer dan 100 nationaliteiten.

Homohoofdstad[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Amsterdam als homohoofdstad voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Straatfeest bij de homocafés langs de Amstel, ter gelegenheid van Koninginnedag (hier op 30 april 2012)

Amsterdam gold in de tweede helft van de 20e eeuw enkele decennia lang als de homohoofdstad, oftewel Gay Capital, van Europa. Door het liberale klimaat en de pragmatische houding van de gemeente kon onder meer een uitgebreide en gevarieerde homohoreca ontstaan, die al vanaf de jaren vijftig homotoeristen vanuit de hele wereld aantrok.[15]

Ook ontstond in Amsterdam de oudste nog bestaande vereniging van homoseksuelen: de in 1946 opgerichte Nederlandse Vereniging tot Integratie van Homoseksualiteit COC. In 1987 kreeg Amsterdam het eerste Homomonument en in 2001 werd door de burgemeester het eerste homohuwelijk ter wereld gesloten. Een ander hoogtepunt waren de Gay Games, die in 1998 in Amsterdam plaatsvonden en die het grootste homo-evenement waren dat tot dan toe in Nederland was gehouden.

Vanaf 1996 vindt jaarlijks de Amsterdam Gay Pride plaats, een homocultureel festival met uiteenlopende activiteiten. Belangrijkste onderdeel is de botenparade op de grachten, de Canal Parade, die enkele honderdduizenden bezoekers trekt. Hoewel Amsterdam daarnaast nog altijd een groot en gevarieerd aanbod van homohoreca en homofeesten heeft, is de stad haar positie als Gay Capital sinds het eind van de jaren 90 geleidelijk aan kwijtgeraakt aan steden als Barcelona, Londen en Berlijn.

Recente geschiedenis[bewerken]

Satellietfoto van Amsterdam anno 2000.

Sinds de jaren negentig werden nieuwe woonwijken gebouwd in Nieuw Sloten en De Aker aan de zuidwestkant van de stad en in het Oostelijk Havengebied aan de oostkant van de stad. Sinds 2000 verrijst in het IJmeer ten oosten van de stad de geheel nieuwe wijk IJburg op aangeplempte eilanden.

Grootschalige veranderingen in de bestaande stad vinden plaats door stedelijke vernieuwing in de Bijlmer, de Westelijke Tuinsteden en Amsterdam-Noord, die sloop van veel woningen tot gevolg heeft. De Zuidas is een groot project voor kantorenbouw in de omgeving van station Zuid. In 2002 startte de bouw van de Noord/Zuidlijn, een metroverbinding tussen Amsterdam-Noord, de Binnenstad en Amsterdam-Zuid. Er werd begonnen met IJburg. De wegen rond Amsterdam werden verbreed om de stad met de auto bereikbaar te houden. Schiphol bleef zich uitbreiden en hoofdkantoren van internationale bedrijven als Philips en AkzoNobel verhuisden naar de regio.

Literatuur[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Bronnen en externe links[bewerken]

Noten
  1. Amsterdam al in de steentijd bewoond, Ons Amsterdam, januari 2012.
  2. www.nu.nl: Amsterdam 200 jaar ouder dan aangenomen
  3. Gemeente Archief: Géén Stadsrecht in 1306
  4. Amsterdam van dorp tot stad, 1300-1390, hoofdstuk in proefschrift "Metamorfose van stad en devotie", B.R. de Melker, 2002
  5. Oudste huis van Amsterdam ontdekt, www.nos.nl, 16 juni 2012.
  6. Gelderblom, O. (2000): Zuid-Nederlandse kooplieden en de opkomst van de Amsterdamse stapelmarkt (1578-1630), Hilversum
  7. Israel, J.(1989): Dutch Primacy in World Trade, Oxford; Lesger, C. (2001): Handel in Amsterdam ten tijde van de opstand: kooplieden, commerciële expansie en verandering in de ruimtelijke economie van de Nederlanden, ca. 1550-ca.1630,Hilversum.
  8. Zie voor de grote stadsuitbreidingen o.a. Migrantenstad, door Erika Kuijpers v.a. p. 139, Geschiedenis van Amsterdam, door Willem Frijhoff, Marijke Carasso-Kok, Maarten Roy Prak, Nienke Huizinga e.a., uitg. Boom-Sun, 2004-2009
  9. Unesco plaatst Amsterdam op de Werelderfgoedlijst, 1 augustus 2010.
  10. "Hoofdstad is 200 jaar, even niet aan gedacht", Het Parool, 19 april 2008
  11. "Hoe lang zijn we nu hoofdstad?", Het Parool, 25 april 2008
  12. Niels Wisman: Het vergeten jubileum. Ons Amsterdam, juni 2006, pp. 232-236.
  13. De tweede Gouden Eeuw, na te zien en te downloaden bij de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, een uitgave uit 1998.
  14. Geschiedenis KNAW: 1902 - De tweede Gouden Eeuw een wetenschappelijke webpagina die op basis van de annalen van de KNAW de eerste Nobelprijs uit 1901 niet eens meetelt.
  15. Hierover: Gert Hekma e.a., "De roze rand van donker Amsterdam", De opkomst van een homoseksuele kroegcultuur 1930-1970, Amsterdam 1992; Thijs Bartels en Jos Versteegen, "Homo Encyclopedie van Nederland", Amsterdam 2005; www.reguliers.net: Geschiedenis